Archief

Maand: juni 2007
Laatste kerkdienst

Laatste kerkdienst

Zondag 1 juli 2007 wordt de laatste kerkdienst in de Pauluskerk met voorganger ds Hans Visser gehouden.
Aanvang 10.30 uur (tot 11.30 uur)
Na afloop wordt er koffie geschonken in de hal. Iedereen is welkom.

Laatste open dag

Laatste open dag

Op zaterdag 30 juni is er de laatste Open Dag van de Pauluskerk. Aanvang 11.00 uur tot 17.00 uur.
Er wordt op een waardige manier afscheid genomen van de kerk. In augustus wordt de kerk afgebroken om plaats te maken voor een nieuwe Pauluskerk.
De gehele dag zijn er optredens. In de hal is er een kunst en boekenverkoop. Door de verhuizing naar de noodkerk zijn de boeken en de schilderijen van het Open Atelier extra voordelig!

Preek 1 apil afscheidsdienst

Preek 1 apil afscheidsdienst

Samenvatting van het gesproken woord van zondag 1 april, de afscheidsdienst van
Hans Visser over Deuteronomium 34

De Eeuwig Betrouwbare God gunt Mozes een blik op het beloofde land. Dat land zal hij niet mogen betreden. Het gaat hier om de God die zijn naam aan Mozes heeft geopenbaard. De naam die betekende: Ik zal bij u zijn. God is trouw en betrouwbaar. Hij doet wat Hij zegt en Hij wijst de mensen een goede weg ten leven door middel van de thora. Daarin heeft Mozes een belangrijke rol gespeeld. Hij ontving de thora van God om deze te onderwijzen aan het volk Israël. In die thora zijn vier zaken van belang. In de eerste plaats wordt afgoderij, verabsolutering, verslingering, magie en occultisme afgewezen. In de tweede plaats worden moord, wraak, bedrog, roof, exploitatie en uitbuiting afgewezen. In de derde plaats wordt de mens gewaarschuwd voor een chaotisering van relaties tussen ouderen, kinderen en partners. In de vierde plaats is er het sabbatsgebod dat ervoor geldt dat er geen overspannenheid is, geen stress, geen overwerkt zijn en rusteloosheid. Mozes laat op de berg Nebo, vanwaar hij het beloofde land kan waarnemen, alle stammen de revue passeren en hij geeft aandacht aan bepaalde aspecten. Het gevecht van bevrijding. Altijd is Israël druk doende om zich los te maken uit onderdrukking. In de tweede plaats het naleven van de thora. Dat is een manier om een gaaf leven te verkrijgen. Mensen kunnen dan ook veilig wonen onder Gods hoede. Bovendien moet de welvaart gedeeld worden. Het boek Deuteronomium maakt ook duidelijk dat er eigenlijk geen armoede mag zijn. Er wordt recht gedaan aan de weduwe, de wees en de vreemdeling, en God geldt als een vriend van de mensen. Hij helpt en triomfeert over de afgoden. Er is een eindeloze strijd om het volk te redden uit het onheil. Mozes speelt als leider een belangrijke rol in de geschiedenis van het volk Israël. Dat is veel mensen in de loop van de geschiedenis opgevallen. Zo zie je ook dat Mozes in de huidige bestuurskunde een belangrijke rol speelt. De joodse Amerikaan Aaron Wildawsky heeft veel aandacht geschonken aan het leiderschap van Mozes.Wildawsky wil nooit te veel van een overheid verwachten. Hij zegt ook dat het nooit gaat om oplossingen van problemen, maar meer om de successie en volgorde van problemen. Je moet altijd oppassen, want de oplossing van gisteren is altijd het probleem voor morgen. De overheid moet ook niet overal greep op willen krijgen. Mozes vertoont een heel boeiend geheel in zijn leiderschap. Aan de ene kant kan hij zeer dictatoriaal optreden, autocratisch zijn, aan de andere kant is hij ook in breed overleg met zijn eigen broer, met de familie, met de stammen, en vooral met de oudsten, die een hele interessante bestuurslaag vormden. Hij kan ook anarchistisch zijn en een ad hoc-beleid uitvoeren. Aan de andere kant hecht hij aan de gelijkwaardigheid en is hij een primus inter pares. Je zou kunnen zeggen dat Mozes in zichzelf heeft verenigd: de goede herder die omziet naar de schapen, een meedogenloos krijger, een geestelijk leraar, een wetgever, een regelaar. Mozes heeft God van aangezicht tot aangezicht ontmoet. God ging met hem om als een vriend. Wij volgen in deze dienst de exegese van de Targum Pseudo Jonathan. Deze joodse exegese maakt duidelijk dat God uiteindelijk Mozes een afscheidskus geeft voordat hij hem wegleidt om te begraven. God begraaft Mozes zelf. Het is leuk om nog eens na te gaan wat er van Mozes is geworden in de geschiedenis. Zo ontmoetten wij in de vorige eeuw een moderne Mozes: Martin Luther King. Ook hij had vergezichten. Vlak voor zijn dood heeft hij nog gezegd: “Voor mij komt het er niet zoveel meer op aan. Dat vind ik niet erg. Ik ben vanmorgen uit Atlanta vertrokken. Terwijl het vliegtuig startte, zei de piloot via de microfoon: ‘Het spijt ons van het oponthoud, maar we hebben dominee Martin Luther King aan boord en om zeker te zijn moesten we alles controleren.’ Toen kwamen we in Memphis aan en sommigen begonnen zich al af te vragen wat de zieke blanke broeders mij zouden kunnen aandoen. Ik weet niet wat er gaat gebeuren. We hebben enkele moeilijke dagen voor ons, maar voor mij komt het er niet zoveel meer op aan. Ik ben al op de top van de berg geweest en ik vind het niet erg. God heeft mij toegestaan de berg te beklimmen. Ik heb uitgekeken en het beloofde land gezien. Misschien zal ik het niet meer met u binnentrekken, maar ik moet u vanavond zeggen dat wij als volk het beloofde land zullen binnentrekken.” Dat was de droom die Martin Luther King tot het laatst vervulde. Korte tijd daarna werd hij vermoord.

Mozes was ook een bemiddelaar tussen God en de mensen, en de mensen onderling. Hij zocht vrede en recht. Soms wees hij vooruit naar Jezus, in wie de thora vervuld is. Het werk was altijd vol strijd, conflict en gevecht, maar er waren ook vredige perioden. Zo hebben wij getracht, ook in de geest van Mozes, de Pauluskerk tot ontwikkeling te brengen. In de eerste plaats als plek voor meditatie en bezinning. In de tweede plaats als een herberg waar iedereen welkom was. In de derde plaats als een actiecentrum waar we opkwamen voor de belangen van mensen, want we wisten altijd: God kiest voor de minsten. God is een lijdende God, die het lot deelt van mensen. Dat toonde Hij in het leven van Mozes en bovenal in Jezus. In deze lijdenstijd staan we juist stil bij de lijdende God. Het beloofde land staat ons te wachten. Het is de grondslag van hoop en verwachting. Wij zullen nu met elkaar zingen gezang 290. Besluit.

Hans Visser april 2007

Een hulpzoeker is nog geen hulpvrager

Een hulpzoeker is nog geen hulpvrager

notitie over de hulpverlening in de Pauluskerk

In deze notitie wil ik proberen om alle soorten van hulpverlening in de Pauluskerk onder een gemeenschappelijke noemer te brengen. Tot op heden hebben we vaak allerlei vormen van hulpverlening onderscheiden. Ik wil nu komen tot een meer uniforme benadering, waarin voldoende plaats is voor een eigen invulling door iedereen die daarbij betrokken is. Uniform betekent natuurlijk nooit kant en klaar. Het gaat nu echter om een visie op hulpverlening waarin allen elkaar zouden kunnen vinden. Globaal gezien kunnen we zeggen dat in de Pauluskerk de volgende groepen zich met hulpverlening bezighouden: de maatschappelijke dienstverlening/ diaconale hulpverlening, de medische hulpverlening, de kosterij, de vrijwillige medewerkers, allen die werkzaam zijn in de pastorale sector van de kerk en bovendien ook alle bezoekers zelf, die elkaar van dienst kunnen zijn en elkaar hulp verlenen. Al deze groepen zijn in de Pauluskerk niet voldoende met elkaar in gesprek. Er bestaat zelfs wel eens een zachte concurrentie, waarin sommigen menen het beter te doen dan anderen. Zo kom je in de Pauluskerk officiële hulpverlening tegen, maar ook officieuze. Er is soms legale hulpverlening, maar vaak ook illegale. Onder legaal wordt dan verstaan: in overeenstemming met geldende regels. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Iemand die zich geroepen voelt om hulp te verlenen doet dat toch vaak. Daarom is het goed om eens aandacht te schenken aan wat nu eigenlijk in hulpverlening plaats vindt.

Hulpverlening betekent dat je je blootstelt aan datgene wat de ander – dat kan een bezoeker zijn in de Pauluskerk , jou aandoet. Dat aandoen kan positief zijn, negatief of ook neutraal. De hulpverlener is bereid zich te dompelen in de wereld van de ander. De hulpverlener laat zich niet leiden door zijn eigen vooronderstellingen en vooroordelen. Hij probeert bij wijze van spreken te emigreren naar de wereld van de ander om die ander zo goed mogelijk te kunnen verstaan. Dat betekent niet dat de hulpverlener alles wat de ander doet moet goedkeuren, moet beamen. Nee, het gaat om het verstaan van de ander. De hulpverlener moet derhalve terughoudend zijn in het interpreteren van de situatie van de ander op grond van zijn eigen ervaringen, op grond van zijn eigen kennis, opleiding of alles wat hij gelezen heeft in mooie boeken. Het gaat er misschien wel om dat je probeert meer geïnteresseerd te raken in de mens dan in de druggebruiker, de crimineel of de gestoorde. Het is helemaal niet kwaad als je eens een keer bedrogen wordt door iemand. Je kunt beter bedrogen worden dan vervreemd raken van de ander op basis van jouw eigen vooroordelen. Juist in de Pauluskerk, waar wij veel geconfronteerd worden met bezoekers die leven in een gecriminaliseerde wereld, zullen wij ons juist in het kwade, in het kapotte, in het gestoorde en het zieke moeten verbinden met de ander. Dat is, naar ik denk, de beste hulpverlening, de ander zoveel mogelijk nabij zijn.

Hulpverlening is altijd een langdurig proces. In dit proces is het aanvankelijk geboden om uit te gaan van een non-problem-solving-attitude. Het kan zijn dat het noodzakelijk is om langdurig in deze houding te volharden totdat, in het beraad met de ander, zich een uitweg voordoet, die zou kunnen leiden tot een gedeeltelijke of volledige oplossing van het probleem. Hulpverlening betekent dat je door de bril van de ander naar de wereld kijkt en niet alleen door je eigen bril. Hoe ziet de wereld van de drugsgebruiker, de gestoorde, de crimineel er uit vanuit het perspectief van de ander? De hulpverlener die zo te werk gaat, is bereid om ook geraakt te worden door de pijn, de schuld, de schaamte van de ander. De hulpverlener zal daarvan niet geheel ondersteboven raken. Hij probeert zich, op basis van eigen veerkracht en visie op het leven, overeind te houden. Hij kan verdrietig zijn over de donkere zijde van iemand, maar hij kan zich ook verblijden over de vreugdevolle kanten van het leven van de ander. Humor is nooit uitgesloten. Een mens moet blijven lachen, ook als het donker wordt in het leven.

In de Pauluskerk werken wij met mensen van diverse komaf. Zeer merkwaardig is dat uit kringen van de professionele werkers, de betaalde krachten, en uit de kring van de vrijwillige krachten, betrekkelijk weinig mensen participeren in het kerkelijk circuit van de Pauluskerk, waar een stukje spiritualiteit wordt beleefd. Dat komt omdat mensen tot andere kerkgenootschappen behoren of niet of anders gelovig zijn. In het kerkelijk circuit ontmoeten wij eigenlijk het merendeel van de bezoekers, die naar mijn stellige overtuiging op hun manier hulpverlenen. Toch is bezinning op de eigen spiritualiteit altijd noodzakelijk. Dat bepaalt je grondhouding. Het is goed als alle hulpverleners in de kerk het eens kunnen zijn over bepaalde universele grondwaarden, zoals respect hebben voor de ander, niet berusten in armoede, rechtvaardig handelen, geen wraak nemen, extra omzien naar verdrukten, niet geloven in het recht van de sterkste, de slimste en gezondste, maar ruimte geven voor compassie en solidariteit. Het geloof van de Pauluskerk is gebaseerd op de joods-christelijke traditie, waarin het gaat om een barmhartige God. God is barmhartig zoals een moeder, die omziet naar haar jonge kind. God biedt bescherming, protectie. God zoekt het verlorene, het afgewezene. Hij doet mensen opstaan uit schuld en dood. Zijn genade is zomaar om niet. Vooral die gratuite spiritualiteit is voor de door ons geschetste hulpverlening zo noodzakelijk. Dat betekent dat we geen verborgen agenda’s hebben of geheime verwachtingen. Dat bewaart ons ook voor manipulaties in de hulpverlening, waardoor we proberen mensen daar te krijgen waar wij ze willen hebben, omdat we denken dat dat goed voor hen is. Wie zich hecht aan de ander, zal soms ook wel eens God kwijt raken in het leven. God beluistert niet alle gebeden en soms is God zoek, wat niet wil zeggen dat God in het verborgene afwezig is, maar wij weten dat nooit zeker.

In de hulpverlening zijn nu twee wegen mogelijk. De eerste weg duiden wij aan met het woord ‘maken’. Dat wil zeggen dat de hulpverlener in het beraad met de bezoeker bepaalt wat de doelen zijn. De hulpverlener bepaalt ook de duur en de aard van de relatie die hij of zij onderhoudt. En de hulpverlener mikt op wat er uit moet komen. De tweede weg duiden we aan met het woord ‘laten’. Nu is het zo dat de ander bepaalt wat het doel wordt. De ander maakt uit wat de duur en aard van de relatie zullen zijn met de hulpverlener. De ander maakt duidelijk wat de uitkomst moet zijn. Maken en laten kunnen natuurlijk in het beraad tussen een hulpverlener en een hulpzoeker/hulpvrager samengaan. Men dient wel altijd goed te onthouden dat niet iedere hulpvrager een hulpzoeker is. Een hulpzoeker wordt in de hulpverlening vaak gebombardeerd tot hulpvrager. Er wordt al direct aangevangen met een intakegesprek zodat de hulpzoeker zich bespioneerd voelt als door het slot van een deur. Globaal gezien zou je kunnen zeggen dat de hulpverlener die zich meer wil hechten aan de persoon die hij of zij ontmoet, meer zal kiezen voor de weg van het ‘laten’, en de hulpverlener die zich wil oefenen in de zelfredzaamheid, wellicht in het beraad zal kiezen voor het ‘maken’.

De meeste bezoekers van de Pauluskerk verkeren aan de zelfkant van de samenleving. Ze zijn door de bank genomen economisch arm, sociaal arm en cultureel arm. Armoede is een rekbaar begrip. Economische armen tobben vaak met een te laag of een te onregelmatig inkomen. Niet vergeten moet worden dat veel arme mensen lijden onder het onvermogen om met besteedbaar geld om te gaan. Armen worden vaak uitgesloten. Ze worden naar de marge verdrongen. Kinderen van arme mensen doen het vaak niet geweldig goed op school. Vaak is de woonomgeving niet zo geweldig of uitgesproken beroerd. Soms is er een te hoge huurprijs, een onveilige buurt, waar de leuke mensen soms wegtrekken. Veel arme mensen hebben geen inzicht in allerlei voorzieningen en regels. Zij begrijpen de ambtelijke taal niet en voelen zich vaak van het kastje naar de muur gestuurd. Ook in de kringen van arme mensen schiet verslaving vaak wortel: verslaving aan medicamenten, verslaving aan drank, verslaving aan drugs. Arme mensen zijn vaker ziek en gaan eerder dood. Ze kunnen ook emotioneel instabiel zijn. Ze voelen vaak dat ze met wantrouwen worden bejegend. Ze worden eindeloos gecontroleerd in onze samenleving. Men ondervindt weinig respect. Over het algemeen zullen velen van onze bezoekers zich sociaal overbodig voelen in onze samenleving. Eigenlijk tellen zij niet mee. De bezoekers van de Pauluskerk lijden vaak onder een psychische gestoordheid, een psychische handicap, een verslaving, armoede, schulden, dreigende straffen, etc.

Ik denk dat de hulpverlener zal moeten ontdekken dat de gemiddelde bezoeker van de Pauluskerk uiteindelijk lijdt onder een diepe eenzaamheid die resulteert uit zijn lijden aan verslaving, schulden, afwijzing etc. De hulpverlener zal zich betrokken voelen bij de ander. Die betrokkenheid zal moeten worden vertaald in beleid, en juist in deze vertaling gaat er vaak veel mis want we kunnen waarnemen in onze samenleving dat maatschappelijke uitsluiting soms gepaard gaat met een bureaucratisch bemiddelde insluiting door hulpverleners. De gemiddelde bezoeker van de Pauluskerk maakt in onze samenleving natuurlijk kennis met nog meerdere soorten hulpverlening buiten de kerk: de verslavingszorg, de sociale dienst, het maatschappelijk werk, de reclassering, etc. etc. In de praktijk zien we dat de bureaucratisch bemiddelde insluiting leidt tot een vergaande administratie. Er is behoefte om alle mensen op te slaan in computers. Mensen moeten gevolgd worden. Er moet nauw overleg zijn met andere instellingen. Er dient toezicht te zijn. Er moet vooral controle worden uitgeoefend. Mensen mogen vooral niet shoppen. Mensen raken daardoor natuurlijk geïsoleerd. Ze worden vaak ook letterlijk opgeborgen in de dossiers. In de bureaucratisch bemiddelde hulpverlening, die overwegend sociaal-technisch van aard is, speelt het productdenken een belangrijke rol. Het productdenken wordt aangewakkerd door de markt. Geld moet goed worden besteed. Zoveel geld voor de verslavingszorg moet leiden tot het product van zoveel mensen die afkicken en geen overlast meer geven. Het leidt ook tot aangescherpte intake-voorwaarden. Instellingen kunnen ook onbuigzame regels hanteren, waardoor mensen weer worden uitgesloten. Soms zie je dat onze bezoekers een barre woestijntocht moeten maken door de talloze instituties van onze stad. Ze worden gelabeld, geanalyseerd, onderzocht. Maar al die hulpverleners elders in de stad en in de kerk, dat waren toch allemaal mensen die zich betrokken voelden bij hun klanten, bij hun mensen? Kennelijk is de vertaalslag in beleid niet gelukt. Ook in de Pauluskerk moeten wij ons ernstig afvragen of bij ons die vertaalslag altijd lukt.

Het gevaar dat elke hulpverlener loopt, is dat hij een zogenaamde deskundige wordt die het levensverhaal van de ander beter gaat begrijpen dan de betrokkene zelf. Onze interpretatie van het levensverhaal van de ander is eigenlijk niet langer het verhaal van de persoon die wij ontmoeten. Het is ons verhaal geworden. Eigenlijk wordt het verhaal van de ander onteigend. De hulpzoeker zoekt een slaapplaats, hij wacht niet op een ingewikkelde intake om te gaan vertellen wie hij precies is en wat zijn problemen zijn. Een hulpvrager kan vragen of hij geassisteerd kan worden bij zijn geldbeheer omdat hij daar zelf niet in slaagt. Hij wordt steeds geconfronteerd met zijn onvermogen om met geld om te gaan. Het geld gaat op aan drugs en drank. De hulpverlener moet zich steeds herinneren dat mensen zich moeten laten zien zoals ze echt zijn. Laten zij de ander erkennen als mens. Laten we hem of haar een bestaan geven voor onze ogen. Laten we mensen helpen om hun eigen identiteit te zoeken, te ontdekken wie zij eigenlijk zijn en wat het unieke van henzelf is. Zodat ze misschien opbloeien en opknappen en meer zelfvertrouwen krijgen.

Het negatieve van hulpverlening is vaak dat de hulpzoeker/hulpvrager in het beraad met de hulpvrager de regie gaat verliezen over het proces waarin die hulpverlening plaatsvindt. Daarom hecht ik meer aan het normatieve karakter van hulpverlening dan aan de sociaal-technische kant. Laten we eerlijk zijn: een aantal problemen is onoplosbaar. Laten we dat erkennen en eerlijk voor uitkomen. Hulpverleners moeten geen troost bieden waarin bij wijze van spreken een verdwijntruc wordt toegepast ten aanzien van de oorzaken van het lijden. Het zal er veel meer om gaan om in het beraad met de ander zover te komen dat er een dragelijke houding kan worden ontwikkeld ten opzichte van het lijden dat de mens treft. Soms kan hulpverlening steun bieden om het net uit te houden, om het hoofd boven water te houden. De hulpverlener moet grondig begrijpen dat de behoefte van de ander het aanbod bepaalt. De werkelijkheid is nog wel eens zo dat ons aanbod de behoefte van de hulpvrager en de hulpzoekende bepaalt. Juist het normatieve karakter van de hulpverlening laat ons meer en meer geïnteresseerd zijn in de medemens die wij ontmoeten in de ander, die wij nabij willen zijn en waaraan we ons willen hechten. Met hem of haar willen wij zin zoeken in het leven. We stellen ons de vragen waarom en waartoe zijn we hier? We proberen mensen tot hun recht te laten komen, zodat ze ook zichzelf mogen zijn. We stuiten in de hulpverlening natuurlijk op raadselachtige momenten bij de ander. We kunnen die niet wegmoffelen. We zullen daar aansluiting bij moeten zoeken. Ik gebruik in deze notitie dan ook het woord beraad. Hulpverlening is het beraad dat een hulpverlener en een hulpzoeker/hulpvrager aangaan. In dat beraad participeren beiden. Dat is ook het aantrekkelijke van sociocratie. Er wordt niet over degene die hulp vraagt en zoekt heengewalst. Wij proberen met elkaar uit te vinden wat de beste weg is. Daarbij hebben we dus lak aan het zogenaamde productdenken. We hechten geen waarde meer aan productiviteit, want wie zich hecht aan de ander, weet dat de ander de agenda bepaalt, de tijd bepaalt. Tijd moet betekenis krijgen door de manier waarop hulpverlener, hulpvrager en hulpzoeker met elkaar omgaan. Ik heb de filosofie van de Pauluskerk altijd kort samengevat door te zeggen: “ De persoon Jezus kwam van God in de wereld om de gesjochte mens te zoeken en te vinden.” De kerk is het lichaam van deze Jezus in de wereld. Daarom moet van een kerk verlangd worden dat ze open staat voor de gesjochte mensen in de samenleving. Opdat ze zich thuis mogen voelen, opdat ze het gevoel hebben dat er naar hen geluisterd wordt, opdat ze het gevoel hebben dat ze weer op eigen benen mogen staan.

In het licht van het bovenstaande zouden alle groepen van mensen die zich bezighouden met hulpverlening elkaar ook mogen bevragen. Soms merk ik wel eens dat vragen irritaties oproepen. Natuurlijk zijn er talloze bezoekers die kritiek hebben op de hulpverlening van de Pauluskerk. Ik kan niet beoordelen of die kritiek terecht is of niet. Maar wordt die kritiek ook gehoord? Ik beluister bij de kosterij/bewaking vragen ten aanzien van hulpverlening. Zij begrijpen sommige beslissingen niet, maar worden geconfronteerd met negatieve gevolgen waarvoor zij weer moeten opdraaien. De diaconale, de pastorale en de maatschappelijke dienstverleners in de kerk wekken wel eens de indruk zich niet helemaal begrepen te voelen. En tussen de bedrijven door gaan vrijwilligers vaak hun eigen gang. Daarom zou het, dacht ik, misschien wel goed zijn als we het met elkaar in alle geledingen op alle fronten eens kunnen worden waar het nou precies om gaat in die hulpverlening. In de jaren tachtig heb ik het hulpverleningsmodel van de Pauluskerk wel eens omschreven als het ggd-model: de g van ga op weg, de g van geef vertrouwen en de d van doe wat in je vermogen ligt. Het is een simpele redenering maar het voert dicht tot de waarheid ten aanzien van hulpverlening die ik in deze notitie tracht te benaderen.

Hans Visser,26 september 2001

Voor het maken van deze notitie is o.m. dankbaar gebruik gemaakt van band 1 en 2 van prof. Andries Baart over een “Theorie van de presentie”, uitg. Lemma b.v. Utrecht, 2001.

Pedofilie (2007)

Pedofilie (2007)

“Pedofielen laten we nu hulpeloos achter. De samenleving mietert hen in de afgrond.” Dat schrijft de Rotterdamse dominee Hans Visser in een boekje over pedofilie dat maandag verscheen. Visser vindt dat pedofilie uit de taboesfeer gehaald moet worden. In zestig pagina’s zet de dominee zijn standpunt over seks met kinderen uiteen, aangevuld met vakliteratuur over het onderwerp. ,,Om nog één keer verantwoording af te leggen over mijn minst populaire werk”, zei Visser maandag. De dominee is per 1 april officieel met pensioen, hoewel hij nog actief blijft voor de Pauluskerk totdat een opvolger is gevonden.

Het boek is niet in de boekhandel verkrijgbaar, maar wel via onderstaande link te bestellen.
Boek bestellen
Pedofilie

Als ik God was in Rotterdam (2004)

Als ik God was in Rotterdam (2004)

De toestand op aarde baart de bekende hervormde ds. Hans Visser van de Rotterdamse Pauluskerk zorgen. Deze predikant, die als gelovige een zeer groot en door velen gerespecteerd sociaal engagement heeft met de zelfkant van de samenleving en voor wie zijn kerk daadwerkelijk een schuilkerk vormt, beschikt ook over verbeeldingskracht en een lenige pen. Daarmee schrijft hij in korte hoofdstukken de indrukken en herinneringen die straten, pleinen, havens en wijken in de stad (lees: Rotterdam) op hem maken van zich af. Het resultaat is een verrassend beeld van een boek over Rotterdam door de bril van deze schrijvende dominee die deze stad ziet als een plaats van geluk waar je God ontmoet. – Drs. A. Schipper MM
als_ik_god_was

In de geest van Simson (2000)

In de geest van Simson (2000)

Tot een van de bekendste predikanten in ons land mag zeker gerekend worden ds. Hans Visser, verbonden aan de Pauluskerk te Rotterdam. Hij heeft zich daar het lot aangetrokken van de drugsverslaafden en probeert hen op te vangen en enigszins een ‘onderkomen’ te bieden. Met zijn standpunten, bijvoorbeeld over vrije verstrekking van heroïne en over een veilig klimaat voor pedofielen, roept hij niet alleen instemming, maar ook (felle) afkeuring op, soms ook van kerkelijke zijde. Over wat hem inspireert en de kracht geeft om het vol te houden, schreef hij (op verzoek) een boeiend boek. Daarin speelt voor hem de bijbelse figuur van Simson een belangrijke rol. Het boek leest prettig en geeft vanuit een persoonlijke invalshoek ook een boeiend overzicht van de afgelopen vijftig jaar. Het is boeiend om kennis te nemen van het leven van een tegendraadse dominee! – Drs. R.S.E. Vissinga

simson

Jezus als vreemdeling (2000)

Jezus als vreemdeling (2000)

Een heel mooi uitgegeven boekje met 46 etsen van Rembrandt betreffende Jezus. Geordend volgens diens levensloop zijn ze bij elkaar geplaatst, rechts steeds een ets, links titel, jaar en techniek. Vooraf schrijft ds. Visser, bekend om zijn hulp aan drugsverslaafden in Rotterdam, over Jezus’ betekenis. Jezus was een mens die liet zien wie God is en die daarom zoon van God heet. Het ging hem vooral om mensen die niets waard leken, om randfiguren. Hij huilde om wie geen vreugde kenden. Een stralenkrans had hij zeker niet. Net als wij hield hij van het leven. Ter dood veroordeeld zag hij zijn levensverwachting en -taak in duigen vallen. Zijn betekenis ligt in de gedachte van de opstanding. Deze relativeert de dood: het leven is sterker. Voor God is elk mens van waarde: achter ieder van ons staat een engel. Rembrandt pakt het motief van het licht op. Hij contrasteert het, bijvoorbeeld in zijn verbeelding van de kerstnacht, met het duister dat op aarde heerst. De tekst is gedrukt in twee kolommen. Het boekje bevat veel wit, goed gedoseerd, dat bijdraagt tot de sierlijkheid. Duidelijke druk. Geen rugtitel. – Drs. J. Kleisen
jezus

De andere kant van de medaille (1998)

De andere kant van de medaille (1998)

In een zestal bijdragen wordt de stelling verdedigd dat niet elke vorm van pedofilie misbruik van kinderen is en dat een dergelijk contact ook positief kan zijn voor een kind. Het boek kwam uit onder redactie van ds. Hans Visser (van de Pauluskerk in Rotterdam), die er in de inleiding voor pleit de huidige stigmatisering en criminalisering van pedofielen tegen te gaan. In artikelen van verschillende aard worden vervolgens vooral de schadelijke gevolgen voor kinderen van pedofiele contacten ter discussie gesteld. Jan Wauben doet dat in een warrig, onleesbaar en veel te lang artikel. Ferguson en Goslinga komen tot hun conclusies op basis van analyse van onderzoek naar de gevolgen voor kinderen van seksueel contact met een volwassene. In het laatste artikel beschrijft een pedofiele man zijn contacten met kinderen (jongens) en benadrukt het vrijwillige karakter ervan. De kwaliteit van de artikelen is slecht: niet to the point, ze lijken bij elkaar gegraaid, laten belangrijke vragen onbeantwoord en zijn slecht geschreven. Dat is jammer, want de stellingname van de schrijvers gaat in tegen de heersende mening en de discussie die ze willen voeren, is het waard om gevoerd te worden. – Drs H. Kok.

anderekant

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Perron 0 (1996)

Perron 0 (1996)

In maart 1987 stond Dominee Hans Visser aan de wieg van het Rotterdamse opvangproject voor thuisloze junks naast het Centraal Station, in december 1994 sprak hij aan het graf. Dit historische overzicht laat vooral Visser zelf aan het woord (in 10 hoofdstukken van de 13). Daarmee is het ook een mooi ego-document geworden, hoewel het vooral bedoeld is als eerbewijs aan de talloze vrijwilligers. Visser toont aan dat de permanente frictie van repressieve, benauwde overheidsbemoeienis en tolerante, zelfs soms blinde menslievendheid slechts tot een halfslachtig en corrumperend drugbeleid leidt (heroïne moet overigens bij de apotheek). Resultaat: grote winst bij de drughandel, grote overlast voor de burger èn verloedering van de algemene en politieke moraal. Van die inconsequentie profiteert alleen de werkgelegenheid bij Justitie, politie, gevangenisbouwers en hulpverlening. Ondertussen is de Rotterdamse Pauluskerk nu een tijdelijk en kleinschalig baken. – Peter den Haring.

perron0

Op drift (1990)

Op drift (1990)

Driekwart jaar hield Hans Visser, op verzoek van de uitgever, een dagboek bij. Visser is als predikant werkzaam in de Rotterdamse Pauluskerk waar hij veel mensen uit de randgroepen ontmoet onder wie vluchtelingen, druggebruikers, ongeneeslijk zieken. Wat Visser met deze mensen meemaakt (en zij met hem) wordt door hem verteld enerzijds met distantie, anderszijds met overgave. Visser vertelt (in het kort) over zijn jeugd; zijn leven in gezinsverband komt regelmatig ter sprake. Mede hierdoor ontkom je aan het idee dat Visser een ‘heilige’ zou (willen) zijn. Dat leven met randgroepen je eigen positie verandert moge blijken uit het volgende citaat: ‘Wat me opvalt is dat ik me een vreemdeling voel. Ik kom toch steeds verderaf te staan van de gemeente. Het is niet zozeer een theologische vervreemding als wel een maatschappelijke. De langdurige omgang met randgroepen heeft mij toch meer en meer in hun wereld ingelijfd, hoewel ik ook daar een vreemdeling blijf.’ – Drs. van der Grijn.

Hopen tegen beter weten in (1986)

Hopen tegen beter weten in (1986)

Visser is diakonaal predikant in Rotterdam-centrum. Hij en zijn medewerkers komen daardoor dagelijks in kontakt met mensen die zijn vastgelopen. Over deze ervaringen vertelt het boek. Deze vorm van kerkelijk werk wordt door Visser zeer konkreet beschreven: over de opzet van het diakonaal werk in de Pauluskerk; over de aandacht voor druggebruikers, seksualiteit, arbeid, krakers, moslims. Hoe in crisissituaties en grenssituaties mensen worden ontmoet, aangehoord en (zo goed mogelijk) geholpen – met veel respekt voor de ander, zonder vooringenomenheid, zonder pretentie. Een boek over zon enorme concentratie van menselijke problematiek loopt het risico een overgevoelige toon te krijgen. Het bewonderenswaardige nu is dat dit hier niet gebeurt. Visser biedt inspiratie en een nieuw perspektief op kerk-zijn in de wereld: in een boeiende stijl. – J.A. Eekhof