Archief
Maand: maart 2012

Volwassen idealisme

Volwassen idealisme

Idealisme is een spanningsboog …

Idealisme is de spanningsboog tussen de werkelijkheid zoals we deze ervaren en meemaken en` de werkelijkheid die wij wensen en nastreven. Idealisme moet wortel schieten in de werkelijkheid en zich niet daarvan losmaken. Idealisme moet groeien en volwassen worden. Idealisme dient goed doordacht te zijn..Onlangs schreef Wim Blockmans een studie over Metropolen aan de Noordzee(1100-1560) . Het is boeiend om de steden uit de latere Middeleeuwen te vergelijken met de Europese landen uit onze tijd..In de Middeleeuwen bemoeiden de machthebbers zich met het muntstelsel. Muntwaarderingen schiepen vaak onzekerheid. Lonen bleven gelijk maar prijzen stegen. Armen werden het zwaarst getroffen. De huidige Eurocrisis treft opnieuw de zwakken. . Nederland gedraagt zich als strenge schoolmeester maar de gewone Griek of Spanjaard crepeert. In de late Middeleeuwen ontstonden in steden genootschappen die in de handel solidariteit nastreefden. De mensen wilden zich laten leiden door verantwoordelijkheid voor de naaste. Bestuurders moesten leren rekening te houden met hun burgers. Van geweld moest worden afgezien. Ieder moest goed nadenken en zich houden aan de wet. In het huidige Europa plegen de mensen heftig verzet zoals in Griekenland maar worden ook overal Occupy achtige demonstraties gehouden. De mensen zijn beu van graaicultuur. Ze verzetten zich tegen vriendjespolitiek en corruptie die het casinokapitalisme kenmerken. Het is verrassend te constateren dat satire de draak steekt met corrupte machthebbers. Je zou op dit punt Freek de Jonge uit onze tijd kunnen vergelijken met De Vos van Reynaerde uit de dertiende eeuw. Ondanks de gruwelijke pest,watersnoden en hongersnoden doofde het idealisme niet. De mensen werden geconfronteerd met zakkende veenbodem (door turfwinning) en vreselijke overstromingen(geen Delta werken).Maar zij vonden de windmolens uit. De mensen leerden met elkaar te overleggen en begonnen te denken volgens het poldermodel dat in onze tijd werkgevers en werknemers tezamen met politici bij elkaar brengt om oplossingen te zoeken. Idealisme perkt de macht in. Het nodigt uit om gezamenlijk het algemene belang te onderstrepen en waar mogelijk met elkaar alles te delen. In de latere Middeleeuwen valt de kerk tegen. Innerlijk werd de kerk verscheurd door verdeeldheid(er waren soms 3 Pauzen). De kerk had geen antwoord op de onzekerheid onder de mensen. Rituelen en aflaten waren meer populair .De kerk verwees altijd naar de zonde van de mensen die Gods toorn opriep(door middel van ziekten,oproeren,honger,opstanden,rondtrekkende bendes et. )Het celibaat werkte van geen meter. Veel pastores verwekten kinderen.. In onze tijd worstelt de kerk met het seksuele machtsmisbruik. Velen keren de kerk de rug toe. Het verplichte celibaat ettert verder. Maar gelukkig kenden we in de Middeleeuwen de bedelmonniken die in verstaanbare volkstaal de naaste liefde verkondigden. Erasmus stond op en vroeg wanneer we eindelijk eens Jezus serieus gaan nemen. Deze vraag kunnen we ook in onze tijd stellen. In tegenstelling met Paul Scheffer die de stad associeert met desintegratie kies ik voor de positieve stadsbeelden van Claude Fischer en Herbert Gans. De menselijke creativiteit is een bron van mogelijkheden om te reageren op de omgeving. Mensen zijn geen laboratoriumratten die reageren op determinerende factoren in hun omgeving. De mens is een cultuurdrager die in staat is om de gevolgen van de krachten uit de omgeving te verwerken,te weerstaan en te reguleren. Zo is het idealisme de motor die de kracht produceert om de ervaarbare werkelijkheid om te zetten in gewenste werkelijkheid.. Etzoni pleit voor een mozaiek.Een mozaiek is veelkleurig en vertoont allerlei patronen. Deze mozaiek omvat asielzoekers,illegalen,christendemokraten,sociaal democraten,liberalen,PVVers,christenen,joden moslims,niet religieuze humanisten etc.etc). Onze multiculturele samenleving is een eilandenrijk geworden waar nog veel bruggen gebouwd moeten worden. Integratie is nooit voltooid. We zijn onderweg. Onze eigen identiteit is nooit klaar. Voortdurend zijn we in interactie en in contrast met anderen. Ons idealisme droogt niet uit. We hopen op meer bruggen. Deze hoop is een motor van onze actie

Dr Hans Visser
Boompjes 582
3011 XZ Rotterdam
j.visser@simpc.nl

Geloven met mijn brein deel 4

Geloven met mijn brein deel 4

In de zestiger jaren…..GELOVEN MET MIJN BREIN (DEEL 4)

TENSLOTTE

In de jaren zestig werden we gefascineerd door Camus (hij kwam om het leven in 1960) Na de tijd van de religieus metafysische illusies volgt de absurditeit. Het absurde wordt geboren uit de confrontatie tussen de menselijke roepstem en de onredelijke stilte van de wereld. We ervaren in ons een dwingende eis de wereld betekenis te geven. We willen erin een overkoepelende zin in ontdekken. Maar de aanspraken op vervulling en betekenis worden door een onverschillig universum ontkend. Het ontluikende besef van betekenis staat voor een raadsel dat elke overkoepelende zin onmogelijk maakt. De pogingen tot zingeving worden gefrustreerd. Dat noemt Camus absurd. Toch vraagt Charles Taylor in zijn (Een seculiere tijd) zich af of in onze doorleefde ervaring het verlangen naar betekenis niet onuitroeibaar is. Betekenis verlangen is geen houding waarvoor je kunt kiezen. Het staat in ons mens-zijn centraal. Betekenisgeving is ons toevertrouwd. Taylor vertelt van Václav Havel die tijdens gevangenschap een bijzondere ervaring had. Hij raakt overtuigd van een diepe en duidelijke betekenis. Hij kijkt naar de kruin van een boom. Hij neemt prikkeldraad, tralies en wachttorens waar. Hij voelt zich uitstijgen boven de coördinaten van zijn kortstondige bestaan. Hij ervaart verzoening en ziet onder ogen, wat onder ogen moest worden gezien.
Hij raakt verbijsterd over de soevereiniteit van het Zijn. Hij beleeft mysterie. Hij ervaart tomeloze vreugde. Hij voelt zich aan de rand van het oneindige Geluk, harmonie en liefde.

Wij mensen kennen en beleven een werkelijkheid. God is de dragende grond van ons bestaan. We zijn in God die met ons in (zoals gedemonstreerd in Jezus). We hebben de
betoverde wereld van geesten, demonen, goden en bovennatuurlijke metafysische krachten. De door ons geprojecteerde God ter verklaring van alle dingen die van bovenaf ingrijpt, voor goed verlaten. Onze eigen geest blijft over. We zijn genetisch bepaald maar zijn ook cultuurdragers. We zijn lot en daad. Op grond van de Gods ervaring in mijn werkelijkheid ken ik betekenissen toe aan de dingen die ik meemaak en ontwerp. Het leven is mooi maar ook huiveringwekkend. Ik houd aan God vast die mij draagt. Hij lijdt mee maar berust niet in wat mensen kapot maakt. We ontvangen power en kennis om onze rol van medeschepper naast God te aanvaarden. Als protestant houd ik in mijn grenzeloze pogingen betekenissen toe te kennen vast aan DE BETEKENIS, het WOORD van God overgeleverd in mij cultuur. Ik weet dat God vanuit het verleden mij is overgeleverd in verhalen die ik moet ontmythologiseren en vertalen. In mijn geest spreek ik met God. Ik kijk in het donker uit over de Maas voor mijn huis. De radarpost geeft me het zekere gevoel dat we op de schepen niet de weg kwijt raken. Ik besef vaak goed de ongerijmdheden in deze wereld en ik bakkelei met God die ook in de absurde ongerijmdheden present is. God is mijn Vader, Moeder, Vriend, Bondgenoot, en Metgezel. Ik draag God met me mee in het vertrouwen dat hij mij draagt.

Geloven met mijn brein deel 3

Geloven met mijn brein deel 3

Onder betrekkelijkheid …
BETREKKELIJKHEID VAN HET BREIN
Onder betrekkelijkheid van het brein versta ik het feit dat mijn brein in betrekking staat met mijn milieu, mijn opvoeders, mijn naasten die ik ontmoet, maar ook met mijn geschiedenis, het appel dat uitgaat naar mij, wat mij ziek en gezond maakt.

Swaab in zijn studie, (Wij zijn ons brein) verabsoluteerd het brein en neemt de betrekkelijkheid minder serieus. Toch spreekt hij boeiend en relevant over de werking van onze hersenen. De hersenen zijn de bron van plezier, vreugde, gelach, vermaak, smart, pijn, angst en tranen. Alles wat we denken, doen en laten gebeurt door onze hersenen. Onze hersenen zijn anderhalve kilo zwaar en bevatten 100 miljard neuronen, die zorg dragen voor de overdracht van chemische boodschappen in onze hersenen. Het brein produceert onze geest. Na de baring wordt de oxytocine van de moeder gezien als boodschapper van affectie, gulheid, rust, vertrouwen, en gebondenheid. Bij een warme sociale interactie zoals knuffelen stijgt de oxytocine- spiegel in het bloed. Swaab is mij wel eens te deterministisch. Iemand kan genetisch gezien gedoemd zijn A te doen maar toch besluiten B uit te voeren. Dit verrassingselement kent Swaab niet. Toch geldt ook hier dat de genetische achtergrond en de ontwikkeling in de baarmoeder de hersenen sturen. Karakter, talenten en beperkingen zijn voor een belangrijk deel vastgelegd. Ook na de geboorte is ons hersensysteem nog ontvankelijk. Het sociaal economische milieu beïnvloedt de hersenontwikkeling. Genderproblemen, neurologische oorzaken, beschadigingen kunnen negatief uitwerken in de hypothalamus en amygdala. Transseksualiteit, pedofilie etc., kunnen hun intrede doen. Lastig voor de mensen. Swaab bepleit goede sociale netwerken om deze mensen af te houden van ongewenst gedrag. Swaab gelooft terecht niet in zware straffen en castrering. Verslavende stoffen verstoren vaak de eigen productie van stoffen in de hersenen en kunnen ongunstige bijwerkingen veroorzaken. In onze hersenstam, worden functies gereguleerd die cruciaal zijn om te overleven, zoals ademhaling, hartslag, temperatuur en de afwisseling van waken en slapen. Door de hersenstam lopen zenuwvezels naar beneden die de spieren van ons lichaam besturen. Hersenschors cen thalamus zijn cruciaal voor ons bewustzijn. Het bewustzijn is een lichamelijk chemisch fenomeen. Waar Swaab gelijk in heeft is dat sommige mensen geboren worden met bepaalde eigenschappen, die door omgeving en opvoeding nauwelijks beïnvloed kunnen worden. Agressie kan biologisch verklaard worden. De piek in het mannelijke hormoon testosteron tijdens de zwangerschap maakt jongens later agressiever. Storingen in het DNA waardoor chemische boodschappers in de hersenen
afwijken, kunnen noodlottig worden voor mensen. Werk je serotonine niet goed dan word je
a- sociaal. Ulrike Meinhoff die vanuit de Rote Armeefraction mensen inspireerde tot revolutie tegen het kapitalisme bleek een uitpuiling van een bloedvat te hebben dat drukte op de amygdala. Dat maakte vrouw uiteindelijk kansloos. Ze pleegde zelfmoord. Stofwisselingsstoornissen, infecties in de baarmoeder en zuurstoftekort kan leiden tot autisme. Ook een ziekte als schizofrenie kan tijdens baarmoedertijd ontstaan en mensen later confronteren met stemmen beelden die zij als echt ervaren. Ik vraag me af of het terecht is als Swaab moreel gedrag verklaart uit biologische factoren. Deze zijn stellig van belang maar ook hier is Swaab me te deterministisch. Swaab is geen voorstander van religie. Hij citeerde Abbey, die zegt dat wij God noemen alles wat we niet begrijpen. Spiritualiteit is de ontvankelijkheid voor religie en deze is 50% genetisch bepaald. Religie wordt via opvoeding vastgelegd in onze hersenen net als onze moedertaal. Serotonine speelt een belangrijke rol bij de mate waarin we spiritueel zijn. LSD, cactus en paddo’s kunnen spiritualiteit bevorderen. Het religieuze gevoel van een wording met God kan versterkt worden door het belonende dopaminesysteem. Swaab vindt religie maar niets maar moet toegeven dat onze hersenen religie opslaan. Volgens Swaab heeft bidden geen effect. Bidden is zinloos. Volgens Swaab kunnen mensen zich prettig voelen bij het bidden. Het stresshormoon cortisol daalt in hun bloed.
Volgens Swaab spelen wanen een rol in religie. Een patiënt met epilepsie die ontstaan in de temporaalkwab van de hersenen kunnen veel extatische ervaringen krijgen. Ten aanzien vrije wil is Swaab terughoudend. Ons gedrag ligt bij de geboorte in belangrijke mate vast. Nietsche leerde terecht: een gedachte komt als zij wil, niet als ik wil. Victor Lamme in zijn (De vrije wil bestaat niet) is van mening dat het brein onze acties bepaalt en onze gedachten daar achteraan hobbelen. Vaak denken wij dat de daad de gedachte volgt. Maar in werkelijkheid geven onze hersenen aan dat een proefpersoon gaat drukken op een knop voordat die dat zelf weet. Gedachten volgen dus onze daden. Antonio Damasio in zijn (Het zelf wordt zich bewust) neemt ons mee op trektocht door de hersenen. Ons bewustzijn sprankelt in onze geest. Gaan we slapen dan schakelen we het bewustzijn uit. Zonder bewustzijn, zonder een geest die is toegerust met subjectiviteit zouden we op geen enkele manier weten dat we bestaan. Bewustzijn betekent dat we een geest hebben waarvan we ons bewust zijn. De hersenstam maakt ons bewustzijn mogelijk. Damasio gelooft dat een bewuste geest ontstaat wanneer een zelfproces aan een fundamenteel geestproces wordt toegevoegd. Het zelf is een proces. Een geest die taal ontwikkelt maakt het mogelijk dat de geest bestaat. De hersenen van de mens produceren gedrag, geest en bewustzijn. Wij mensen scoren hoog om uit te groeien tot complexe schepselen. Wij mensen kennen een responsbeleid =(antwoord beleid) waarbij wij regels bedenken die besluiten kunnen tot beweging. Hersenen die voorzien zijn van geest en bewustzijn hebben een regulerend vermogen. Goede dingen scheiden dopamine af, gevaren produceren cortisol. Onze gevoelens zijn de barometers van de levensregulering. Onze geest uitgerust met identiteit en persoon- zijn maakt weloverwogen levensregulering mogelijk. De voornaamste functie van onze hersenen is de regulering van het leven. Het kenmerk van onze hersenen is hun geheimzinnige vermogen kaarten te scheppen. Wanneer hersenen kaarten maken dan informeren zij zich zelf. Wanneer hersenen kaarten maken dan maken ze ook voorstellingen, de belangrijkste munteenheid van onze geest. Het bewustzijn geeft ons de gelegenheid kaarten als voorstellingen waar te nemen, die voorstellingen te manipuleren en erover na te denken. De hersenen hebben het vermogen aspecten van de structuur van dingen en gebeurtenissen buiten de hersenen te representeren, waaronder handelingen van ledematen en spraakorgaan. Een opzienbarend gevolg van het feit dat de hersenen onophoudelijk dynamische kaarten construeren is de geest. Het proces van de geest is een aanhoudende stroom van voorstellingen die corresponderen met de doorgaande activiteit van de hersenen en sommige worden opnieuw gevormd vanuit het geheugen in een proces van herinnering. Gevoelens van emotie zijn samengestelde percepties van wat in ons lichaam en in onze geest gebeurt. Onze herinneringen kunnen vervagen.(Ons geheugen is wonderbaarlijk. De hersenen zijn in staat bepaalde patronen op te slaan en de weg daar naartoe te vinden. De hersenen kunnen zaken opslaan en weer oproepen. Onze herinneringen worden bepaald door onze eigen geschiedenisuitingen. Er bestaat geen waarheidsgetrouw geheugen. De mens is in staat persoonlijke gevoelens uit het verleden opnieuw te ervaren. Ervaringen zijn privé. Ze zijn eigendom van onszelf en van niemand anders. Gedrag en geest leiden tot de schepping van cultuur, De aanhoudende reflectie verandert ook de structuur van het autobiografische zelf. Dat alles maakt kunsten en wetenschap mogelijk. Vergeleken met Swaab en Lamme, komt Damasio dichter bij de betrekkelijkheid van de hersenen. In de hersenen van Damasio is het prettiger toeven. Er is meer communicatie, ontvangst. Niets ligt dogmatisch vast. Cultuur verkrijgt een plaats.

Wij vallen samen met onze hersenen. Dat is onontkoombaar. Dat betekent dat ik niet geloof in de ziel als goddelijke vonk. Ik geloof niet in bewustzijn buiten mijn lichaam. Keizer (in zijn Onverklaarbaar bewoond) spreekt over het voornemen (de geest) die de toetsen (het brein) aanraakt en zo ontstaat een melodie (de handeling). Wij zullen het allemaal met ons brein moeten doen. Ook ons geloven is verankerd in het brein. Het geloof is niet buiten ons brein zodat we volstrekte zinloze gebeden (bidden om een kankergezwel te verliezen) kunnen nalaten. Ik bid met mijn brein en besef de mogelijkheden maar ook de onmogelijkheden, de grenzen, en verrassingen.

 

 

 

DE DIMENSIE VAN HET ANDERE IN ONZE EIGEN WERKELIJKHEID

 

We spreken over het Koninkrijk van God dat ooit ergens zal aanbreken, we spreken over de hemel als bestemming ooit en ergens. In de jaren zestig werden we geïnspireerd door het denken vanuit het einde. Dat maakte voor ons het geloof meer toegankelijk. Ik las met genoegen de werken van de remonstrantse hoogleraar G.J. Heering en was gecharmeerd van de ethische theologie in de 19e eeuw (Chantepie de la Saussaye) waarin een brug werd geslagen tussen vrijzinnigheid en orthodoxie. Drees (in Godsdienst op een Keerpunt) veronderstelt dat ooit en ergens, niet valt te onderscheiden van nooit en nergens. Als we spreken over denken vanuit het einde, dan heeft dat betrekking op het andere. Dat moet worden ingebracht op iedere plaats en tijd. Het andere is het wenselijke dat verweven moet worden met de werkelijkheid. In deze setting kunnen we religie een veilige plaats verlenen. Drees verwijst naar Ralph Burhoe die veel aandacht besteedt aan de rol van religie in de wording van de menselijke soort. De evolutie van de menselijke soort is een symbiotische
co-evolutie van genetische informatie en culturele informatie (taal, religie).Het gaat om een proces dat samenhangt met de evolutie van de hersenen als de plaats waar die twee soorten informatie samenkomen. Religie wil zeggen rituelen, mythen en expliciete theologieën. Dat zijn de systemen die het bestand aan fundamentele waarden dragen en daarmee de sturingsmechanismen in onze zenuwstelsels. Burhoe ziet God daarbij als de overmacht waarvoor men te buigen heeft. In de evolutie toont die overmacht zich als selectie. .Je mag gerust God natuurlijke selectie noemen. Het heil van de mens is gelegen in het aanpassen aan of buigen voor de majesteit en glorie van het grote levensprogramma waarin wij leven, bewegen en zijn. Drees is echter van mening, dat Burhoe nu God en wereld laat samenvallen. De spanning tussen wat werkelijk en wenselijk is gaat verloren. Religie moet niet te snel het hoofd buigen voor selectie. Religie kan God niet te snel tot volmaakte goede Schepper uitroepen. Religie kan ons de ogen openen voor mutaties zoals in het leven van Jezus die zich solidariseert met de zwakken. Drees stelt terecht dat er veel onvolmaaktheden zijn, onrecht, lijden, verdriet en afwezigheid van God. God kan niet worden vastgelegd in beelden en verbonden aan plaatsen. We moeten natuur en schepping niet laten samenvallen. De aangetroffen werkelijkheid is niet zo mooi. Religie heeft bv een kritische functie. Het andere, het gewenste heeft betrekking op de marge waar God ontbreekt. Het gewenste wijst naar God die we met ons meedragen maar die blijkt ook ons te dragen.

Peacocke in (Theology for a scientific age) benadrukt nog eens dat onze menselijke lichamen zijn samengesteld uit de zelfde atomen als de rest van niet-organische en organische wereld. Peacocke staat stil bij het begrip MEANING. Meaning en God vallen samen. God was er in het begin d.w.z. dat MEANING er was in het begin. Het leven is the drive toward MEANING. Denken vanuit het einde betekent voor Peacocke dat het uiteindelijke doel van menselijkheid is in God Het gaat dus om de huidige ervaring van God (niet op weg naar het slot van de geschiedenis). We moeten er rekening mee houden dat de aarde ophoudt te bestaan als de zon dooft. Peacocke zegt:

“The christian hope is quite otherwise-it isthe nature of god as the self-offering faithfull creating Love revealed in the life, death and resurectionb of Jesus Christ, God the Word/Logos/Son incarnate.

Hier en nu kunnen we participeren in het leven met God. Ons einde zal ons begin zijn- God zelf.

Onze werkelijkheid is ooit gemaakt van de as van dode sterren. Het wonderbaarlijke is nu dat
het ANDERE oplicht in deze werkelijkheid. Polkinghorne (in zijn Quarks, chaos en christendom) houdt vast aan God als Schepper. Hij houdt het universum in stand en zijn geest en plan vormen de achtergrond van de zich ontwikkelende geschiedenis van het universum. God kent een bepaalde mate van onafhankelijkheid toe aan zijn schepping. Polkinghorne stelt de cruciale vraag hoe God zich verhoudt tot het lijden in de wereld. Hij legt de verantwoordelijkheid bij God. Cellen kunnen muteren en maken de evolutie mogelijk. Maar cellen kunnen besmet raken met kanker en tumoren. Ziekte is dan de onvermijdelijke prijs voor leven. God wilde geen kant en klare wereld produceren. Hij schiep een wereld die in staat is zich zelf te ontwikkelen. Toch ben ik met Polkinghorne niet tevreden. Ik zou van weeromstuit Marcion in de armen vallen. God als Schepper heeft niets te maken met de wereld die volstrekt onvoltooid is. Als ik vasthoud aan God als Schepper dan kan ik niet de vraag uit de weg waarom onze werkelijkheid zo vol ongerijmdheden is. Ik weiger God als Schepper te accepteren als Hij mijn leven verziekt met kanker, handicaps, honger, gebrek, oorlog etc, etc. Als HET ANDERE oplicht in onze werkelijkheid dan sluit ik me aan bij de messiaanse profetieën. De wolf zal bij het schaap verkeren, de panter legt zich neer bij het bokje, kalf en leeuw verkeren samen, koe en berin weiden samen, een kleine jongen hoedt hen, een zuigeling kan spelen met een giftige slang. Verderf en kwaad verdwijnen. Als de aarde vol is van de kennis des Heren, dan zal het ANDERE oplichten. De gewenste werkelijkheid verweeft zich met de werkelijkheid die we thans vaak ervaren. Kanker, oorlog, onheil zal verdwijnen. God pikt het niet en stimuleert de mens tot verantwoordelijkheid voor het realiseren van vrede in de schepping. De aarde is woest en ledig. Duisternis alom. God schept het licht.

De mens is een persoon begiftigd met een geweten en een wil en met van zich zelf bewust intellect Deze geestelijke gaven veroordelen hem tot een levenslange strijd om zich te verzoenen met het Universum waar hij geboren is. Dobzhansky in zijn (Mens, Intelligentie en Erfelijkheid) neigt er toe de aarde te zien als plek waar de vlam van het zelfbewustzijn is gaan branden. De menselijke soort heeft een unieke manier ontwikkeld om zich in zijn milieus thuisgenetische aanleg en omgekeerd. De mens heeft het vermogen verworven om zijn milieu en genen aan te passen maar ook zijn genen aan zijn leven. Dat vermogen heeft hij ontleend aan een nieuw, buiten- genetisch overgebracht complex van adaptieve trekken dat men cultuur noemt. Het ANDERE werkt in onze werkelijkheid als cultuur.

Jacques Monod, zie (Gerard Bodifee in Klassieken van de wetenschap) meent dat het menselijke leven uit blind toeval is ontstaan en door blinde wetten geregeerd wordt. De mens staat alleen in de onverschillige oneindigheid van het heelal waaruit hij toevallig te voorschijn kwam. De mens blijft doelloos achter in deze wereld die doof is voor zijn muziek. Ik moest eens een oom cremeren die het geloof verloren had door het lijden (zijn enige dochter werd geveld door kanker). Ik citeerde Monod. Dat orkestje van mensen in een uithoek van het heeal. Niemand luistert. Ik zei toch: God in wie wij leven, zijn en bewegen luistert als enige. A. van de Beek schreef indrukwekkende boeken. Buitengewoon leerzaam en boeiend. Alleen zijn cultuurpessimisme staat me tegen. Hij schreef onlangs het boek, Is God terug? Het komt zelden voor maar dit boek zou ik via God willen terugbezorgen bij de auteur.
Voor van de Beek is God in Jezus in ons midden. Onze bestemming is de hemel en ons burgerschap is in de hemel. Van de Beek gaat niet op het bovenstaande in. Hij trekt zich terug op het kruis. En hij viert liever elke dag het heilig avondmaal. Vergeleken met van de Beek vind ik John E. Rijnsdorp, zie zijn (Waar wetenschap geloven raakt) eerlijker. Hij omzeilt de wezenlijke vragen niet. De menselijke ziel of geest maakt deel uit van de zeer complexe moleculaire structuur van het lichaam en daarom niet los verkrijgbaar. In deze ziel kermt een man uit het getto van Warschau over God die verstoot, slaat, de mens neerwerpt, foltert, mensen tot voorwerp van bespotting maakt. De man kermt in zijn ziel ten slotte: “maar ik sterf precies zoals ik heb geleefd, roepend, Sjema Israel, hoor o Israel, de Eeuwige is onze God, de Eeuwige is een, uniek in uw handen o God beveel ik mijn geest”. Dit is een uiterst authentiek geluid in de confrontatie tussen wat de bitterheid is en wat zou moeten zijn als het ANDERE oplicht in onze werkelijkheid.

 

VERSTAND EN GELOVEN EN HUN CONVERGENTE KRACHTENPATROON

 

Onder rede en verstand verstaan we de opvatting dat alle waarheid voortkomt uit het menselijk denken zonder enige bovennatuurlijke interventie en zonder een beroep op de ervaring van de zintuigen. In navolging van I.G.Barbour stelt McGrath(in zijn Geloof en natuurwetenschap) dat onder meer in de procestheologie God gezien kan worden als tegenwoordig en actief binnen de natuur, handelend binnen de grenzen en beperkingen van de natuurlijke orde. Vermeden moet worden de God die Bonhoeffer de deur wees weer opnieuw binnen te halen. McGrath citeert Coulson, die zegt dat in plaats van God te zoeken in de dingen die niet verklaard kunnen worden, God juist in de opmerkelijke schoonheid en orde van de wereld te vinden is. In de jaren zestig toen we door Bonhoeffer, Robinsom en van Buuren werden beïnvloed en geïnspireerd leerden we om niet aan het geloof de verklaringen toe te kennen die we met ons verstand niet tot een goed einde konden brengen. Nu is het niet zo dat het verstand absolute voorrang geniet en het laatste woord over waarheid heeft. De gelovige kan stellen dat alle dingen in Christus worden samengevat en vervuld zoals Paulus in zijn brieven aan Epheziers en Kolossensen uiteenzet. Deze religieuze interpretatie van de evolutie kan een theologische basis worden. Van Teilhard de Chardin leerde ik al in de jaren zestig dat hierin verstand en geloven convergeren. Taede Smedes in zijn (God en de menselijke maat) laat een waarschuwend woord horen. Over God mag niet gesproken worden alsof God een object is in ons heelal of een verlengstuk daarvan. We mogen ons niet zonder meer aanpassen aan de tijdsgeest van onze natuurwetenschappen. Religie en wetenschap staan niet op het zelfde niveau. Religieus spreken over God staat niet op het zelfde niveau als het wetenschappelijke spreken over de evolutie. Ik heb in mijn theologisch denken altijd de Verlichting serieus willen nemen. In de jaren zestig kritiseerde Joop de Jong mij (rector van het seminarie van de Hervormde Kerk) door mij te zeggen: nu volg je Allart Pierson na die God daagde voor het tribunaal van het menselijk verstand en besluit je de volgende zondag voor het laatst te preken. Convergentie tussen verstand en geloof in een heftig krachtenpatroon. Smedes verwijt theologen dat ze teveel zijn meegegaan met de wetenschappelijke manier van denken. Naar de mening van Smedes is Gods aanbiddenswaardigheid het belangrijkste criterium binnen de christelijke theologie om de adequaatheid en inadequaatheid van bepaalde religieuze spreekwijzen over God te beoordelen. Gods aanbiddenswaardigheid is de onwrikbare peiler onder het christelijk geloof en het centrale criterium van een gezonde theologie. Smedes bepleit metaforisch spreken over God. Gelovigen spreken over dingen waar ze niet over kunnen spreken maar waar ze wel over moeten spreken. Smedes ontkracht voor mijn gevoel het krachtenpatroon. Gods invloed is wetenschappelijk niet meetbaar maar toch voor de gelovige verborgen. Wat moet ik daarmee? Volgens Smedes functioneert het spreken over Gods voorzienigheid als de bril waarmee je de werkelijkheid bekijkt. Je ziet de dingen met andere ogen. Dat roept bij mijn herinneringen op aan de jaren zestig toen ik met mijn gastvrouw in (Wijk aan Zee waar ik vicaris was) vele morgens lang discussieerde over God. Bij het laatste gesprek moest ik vaststellen dat ik een andere bril op had als mijn gesprekspartner. Dat deed mij toen verdriet en pijn. Ik herhaal dat ik het jammer vind dat Smedes het klachtenpatroon verzwakt. Waar het echt moeilijk is bedenkt hij uitwegen die toch onbevredigend zijn. Geloven en verstand zullen convergeren. Maar dat blijkt heavy te zijn. Ik weiger daarvoor aparte brillen te moeten dragen en kies er voor om in het krachtenpatroon ongerijmdheid te aanvaarden.

Darwin, zie (Michael Ruse over Charles Darwin) bezweek onder het krachtenpatroon. Volgens hem is er teveel ellende in de wereld die moeilijk te rijmen is met een welwillende en almachtige God. Volgens Michael Ruse lopen religies uit op mysterie, maar misschien is dit geen uitwijkmanoeuvre maar een weerspiegeling van onze beperkingen en onze nederigheid daartegenover. Hij citeert Paulus die spreekt over de wazige spiegel waarin wij kijken, maar straks staan we oog in oog. Ons kennen is nog beperkt maar straks zal ik volledig kennen zoals ik zelf gekend ben. Deze auteur houdt het krachtenpatroon levend.

We spraken nog niet over tijd en ruimte. Wij zijn zo gewend aan tijd dat we denken in begin en einde. Kerkvader Augustinus bedacht al dat de wereld met tijd is gemaakt en niet in de tijd. Tijd en ruimte zijn er niet van eeuwigheid tot eeuwigheid. Tijd en ruimte behoren tot het gebeuren van de Big Bang. Paul Davis (in Images of the Universe uitgegeven door Carole Stot) merkt op:

”A central feature of quantum mechanics is that alle physical quantities are subject to unpredichkable fluctuations.In quantum cosmologfy these fluctuations involve space and time”.

Geloven en weten zijn wel van uiterst recente datum. God hebben wij mensen gevonden in onze werkelijkheid of God heeft zich laten vinden in onze werkelijkheid. Met deze maakten we geschiedenis. God hebben we uitgeroepen tot Schepper, Bron, en Grond van leven.
Wij weten zo ongeveer hoe alles ontstond. We geloven dat de oertoestand chaotisch en explosief was. We geloven dat God zich daarover ontfermd heeft. De procestheologen hebben daar diep over nagedacht in gemeenschap met hun filosofische voorvaders zoals Plato.
Zij onderscheiden de wereld van de actualiteiten, (geen ding maar een gebeurtenis) de creativiteit en God die door overtuigingskracht harmonie schept. J. van der Veken in zijn
(God en wereld) vertelt ook dat vanuit de ervaring van Gods aanwezigheid in de bevrijding uit Egypte de scheppingstheologie gestalte heeft gekregen. Kierkegaard spreekt over het oneindige kwalitatieve onderscheid tussen God en wereld, (vergelijk S.M.Ogden in God en wereld door J. van der Veken) God is de gans Andere t.o.v. de wereld en de wereld zelf is seculier en profaan. Maar let op: de andersheid van God wordt verstaan als er zijn voor de wereld. Niet tegen de wereld. Daarom wordt de wereld betekenisvol. Het er zijn voor de wereld levert zin op.

 

“The human soul as nothing but a program being run on a computer called the brain “(vergelijkFramk J.Tipler in The physics of immortality)

Luisteren vreugde beleven, reflecteren, aanbidden en liefde geven zijn mentale activiteiten Ze corresponderen met de mentale activiteit in ons brein. Het gaat hier om “information processing”. Van Bonhoeffer heb ik geleerd dat we niet op zoek gaan naar onontdekte fysieke velden die de transcendente bron van leven zijn. (wat W. Pannenberg suggereert).

Verleidelijk is de gedachtegang van G. L. Schroeder (in zijn The Hidden Face of God) Hij zegt dat God in zijn wijsheid hemel en aarde gemaakt heeft. Wijsheid, informatie, een idee is dan de link tussen de metafysische Schepper en de fysieke schepping. Dat noemt hij het verborgen gezicht van God. Wanneer het universum de expressie is van dat idee dan is ons brein de enige antenne die dit signaal van dat idee kan ontvangen. Toch wil Schroeder emoties, geest, gevoelens en spiritualiteit niet zien als producten van het fysieke lichaam. Schroeder kent in het spanningsveld een primaat toe aan de metafysica. Dat verstoort de convergentie.

Inde jaren zestig werd ik geboeid door P. Smits vergelijk zijn (Veranderend wereldbeeld, mensbeeld en godsbeeld). Tot ongenoegen van mijn hoogleraren nodigde ik hem uit voor een lezing in de aula van onze universiteit. We beluisterden een man die de veranderingen in wereldbeeld, mensbeeld en godsbeeld serieus nam. Smits brengt religie dichterbij de eigen menselijke ervaringswereld. Smits staat stil bij Karl Jaspers. Ook zo’n boeiende filosoof die we in de jaren zestig in een werkgezelschap bestudeerden. Niet te vergeten. Voor Jaspers is de zee de aanschouwelijke tegenwoordigheid van het oneindige. De zee is Ons wonen in geborgenheid is weldadig. De zee echter stijgt uit boven de geborgenheid. Alle vastigheid houdt op. Maar wij zinken niet neer in bodemloosheid. Wij vertrouwen ons toe aan het oneindige Geheim,het onafzienbare, chaos en orde. Smits wil bij God niet denken aan macht buiten de kosmische werkelijkheid. God is voor hem de grond van de totale kosmische werkelijkheid. Een specifiek kenmerk van de religie is dat zij zich richt op de werkelijkheid in haar totaliteit en dus op de als eenheidgedachte en beleefde werkelijkheid. De mens is onderdeel van God, daarom kan hij niet bidden tot God die buiten hem en de werkelijkheid is. We zoeken water terwijl we erin zwemmen. Smits staat ook stil bij Joh. Robinson die in de jaren zestig ons wakker schudde en ons confronteerde met ingrijpende veranderingen. Wij moeten uitgaan van het zijn en het zo zijn van de enige werkelijkheid die we met zekerheid kennen. Dat is ons enige houvast. Iedere uitspraak over God is interpretatie van deze werkelijkheid Wat wij werkelijkheid noemen is de existentiële ervaring van de door de mens geïnterpreteerde wereld. Beleving en verbeelding zijn evenzeer wegen tot kennis van onze werkelijkheid. Als wetenschappelijke waarneming en wijsgerige beschouwing. Mijn enige bezwaar tegen Smits dat hij soms wegen afsluit naar verrassingen van het mysterie in onze werkelijkheid. In de convergentie geeft hij voorrang aan het verstand. Richard Dawkins (vergelijk zijn Een regenboog ontrafelen) is voor ons nauwelijks gesprekspartner als het gaat over convergentie tussen verstand en geloven. Hij maakt geloven belachelijk en trekt zich terug op een vooruitstekende rots van verstand in een zee van vragen die het geloof opwerpt. Dodelijk is zijn venijnige kritiek op Teilhard de Chardin, die hij beschuldigt van zijn toevlucht tot benevelde, euforische poëzie in prozavorm die een van de irritantere manifestaties van de Franse esprit is. Dat moet snel vergeten worden. Dawkins sticht brand in het krachtenpatroon van convergentie tussen verstand en geloven.

We keren terug naar Drees. De natuurlijke wereld is onze werkelijkheid. Er is geen sprake van supernaturalistisch of spiritueel gebied los van deze wereld. In het boek God, humanity and Cosmos, wordt hier kritisch opgemerkt dat er toch een spiritueel aspect aan de werkelijkheid is dat niet adequaat door het naturalisme wordt beschreven. Men is het hier met Drees oneens. Ik vind dat nu in het krachtenpatroon een zekering wordt aangebracht die daar niet thuis hoort. Op dit punt is Drees eerlijker en relevanter. Voor A. G. M.van Melsen (in zijn Natuurwetenschap en natuur) staat een ding vast:mensen bestaan op een bijzondere wijze omdat zij bewustzijn van zichzelf hebben en vragen kunnen stellen aangaande zichzelf en hun oorsprong. Zoekend en tastend naar de eigen oorsprong kunnen mensen God vinden in hun werkelijkheid. Van Melsen tracht in het krachtenveld van de convergentie de balans te bewaren.

Het conflict tussen verstand en geloven wordt toegespitst bij R. J. Mouw (in het boek Esentials of Christian Theology onder redactie van W.C.Placher) wanneer hij fysieke kosmologie en christelijke eschatologie onverzoenlijk naast elkaar zet. De nieuwe schepping geschiedt door goddelijke interventie. De natuurlijke wereld zal zich niet op eigen kracht ontwikkelen tot de nieuwe schepping. Jammer van het primaat aan het geloof boven het verstand.

Een fraai voorbeeld van balans tussen geloof en verstand is het boek van Marcus J. Borg, over (The God we never knew). Hij stelt dat schepping niet gaat over wat is gebeurd maar schepping gaat over wat altijd gebeurt. Hij waagt zich aan een interpretatie van Jezus opstanding uit de dood. Hij wil geen goddelijke interventie waardoor het dode lichaam opstaat. Maar hij kiest ervoor dat Jezus na zijn dood op een radicaal andere wijze wordt ervaren: een spirituele en goddelijke realiteit.

 

 

 

 

 

Geloven met mijn brein deel 2

Geloven met mijn brein deel 2

In de  jaren zestig………………….GELOVEN MET MIJ N BREIN (DEEL 2)

GEVECHT TUSSEN GELOOF EN SCEPSIS

In de jaren zestig volgde ik de colleges van L.W. Nauta op het seminarie van de Hervormde Kerk. Dat was een gebeurtenis waarop rector J.M. de Jong ons trakteerde. Ik maakte een werkstuk over Samuel Beckett (Wachten op Godot). Dat roerde mijn ziel en veroorzaakte een onrust die nooit meer over ging. Nauta formuleerde: de absurditeit van een mens-zijn dat is aangelegd op een zin waaraan de wereldwerkelijkheid ten enen male niet beantwoordt.
Hensen (Houtskoolschetsen) merkt op dat deze wereld er is voor ons en voor onze verantwoordelijkheid. Hensen signaleert een spanning tussen rationaliteit en een aanwezig gevoel voor het mythische, symbolische, voor de metafoor en het buiten- rationele. Het mythische is het boven het rationele uitgaande besef van het onbeschikbare, niet manipuleerbare, van het leven, dat zich onthult in de faciliteit van mijn bestaan, mijn eindigheid, mijn lichamelijkheid. Hensen ziet in Jezus een unieke geschiedenis die ons bestaan doet oplichten. Onder ons heeft zich een existentie voltrokken, die van de macht die er was en die beschikbaar was radicaal heeft afgezien en die daarmee alle verwachtingen, alle vanzelfsprekendheden, alle algemeenheden heeft weersproken, zodat God geen symbool meer kan zijn van onze eigen machtsfantasieën. Hensen, herinnert terecht aan Bonhoeffer.
Houtepen: (in God een Open Vraag, merkt hij op): ‘God als metafoor voor het onzegbare kan en hoeft immers niet dood te worden verklaard, vormt nergens een concurrent voor onze autonomie, is nergens een begrenzing van het leven en kan letterlijk geen kwaad, God is nergens binnen ruimte of tijd maar ruimte en tijd spelen zich af, ontrollen zich, binnen God. Houtepen stemt in met Schillebeeckx (zie zijn Tussentijds verhaal over twee Jezus boeken) Gods openbaring volgt de weg van menselijke ervaringen. Openbaring komt niet uit subjectief- menselijk ervaren en bedenken maar ze kan zich slechts laten waarnemen door en in menselijke ervaringen. Openbaring toont zich in een lang proces van gebeurtenissen, ervaringen en interpretaties en niet in een bovennatuurlijke ingreep als het ware bij toverslag, terwijl zij toch geenszins een menselijk product is. Niet uit maar in onze ervaringen manifesteert zich de zelfopenbaring van God als innerlijke verwijzing naar wat die ervaring en interpretatieve geloofstaal in het leven heeft geroepen. Houtepen (in zijn Uit de aarde, naar Gods beeld) zet uiteen, dat God in Jezus mensengestalte heeft aangenomen, dat God is neergedaald tot in het vlees en bloed, tot in het hart en het brein van een mens. God heeft onze menselijke habitat gedeeld. Projectie speelt een belangrijke rol. Springer (in Waar, wat en wie is God) spreekt over de existentiële overtuiging dat er een wijs gewaad is waarop geborduurd wordt in elke religieuze voorstellingswereld. Dat betekent de erkenning dat zich in de religieuze existentie werkelijkheid openbaart, die het borduren of projecteren veroorzaakt of althans op gang brengt. Het woord van Spinoza (stelling 15 van eerste deel Ethica) is illustrerend: Al wat is, is in God, en niets kan zonder God zijn of zonder Hem naar zijn wezen opgevat worden. Springer stelt dat we nooit zullen weten wie en wat God eigenlijk is. God is een ondoorgrondelijk mysterie. Vertrouwen in het ondoorgrondelijke mysterie confronteert ons met waarneembare werkelijkheid en de gewenste werkelijkheid. Het mysterie noopt tot handelen met het oog op vrede en gerechtigheid.
De strijd tussen scepsis en geloof kan beslecht worden door ons aan een van beiden uit te leveren. De scepsis laat God verdampen. Het geloof kan een vluchtweg worden.
Luc. Ferry (in MAN MADE GOD) merkt op dat de illusies van transcendentie geboren worden wanneer wij buiten ons zelf projecteren wat alleen in werkelijkheid een onbewust deel van onszelf is. Wat wij zelf zijn is niet besloten door God. Wij zelf besluiten in de daad van ons existeren in de wereld. De toekomst ligt open. Wij dragen verantwoordelijkheid voor de voortgang van onszelf. Wij zouden er niet geweest kunnen zijn. Er is dus geen plan dat ons omvat houdt. Wij zijn gedropt in deze wereld en aanvaarden de verantwoordelijkheid voor ons zelf. Wij kunnen ook onverantwoordelijk bezig zijn. God zal ons uitnodigen en overtuigen, zoals uiteenzet in ( John Cobb`s Proces Theology). God handelt niet ex machina om de consequenties van onze onverantwoordelijkheid
Scepsis en geloof spelen zich af in een wereld, die een netwerk van betrekkingen is. De gebruikelijke scheiding van de wereld in subject en object, in binnenwereld en buitenwereld, lichaam en ziel is niet meer aan de orde. Vergelijk (Paul Davies in Gott und die moderne Physik) Wij  mensen hebben niet  het vermogen God als objectieve realiteit te voorschijn te toveren. Het is eigenlijk beter God niets te noemen. God is geen wezen, God is niet een van de dingen die bestaat. God gaat ons bevattingsvermogen te boven. Gods gedachten zijn niet onze gedachten. De  onbeschrijflijke realiteit van God correspondeert met onze ontoereikende voorstellingen van God. Vergelijk (Karen Armstrong in De Dood van God).
Een inspirerend theoloog als Jan van Kilsdonk, vertelde dat er geen andere openbaarwording van God is dan de mens. God is nergens anders. God treedt ons tegemoet in de medemens die ons pad kruist. Wat wij transcendent noemen treedt ons in die mens tegemoet.
zie (Gezegend de Onzienlijke).
De ervaring van contingentie bestaat eruit dat een bewustzijn ontdekt dat het zelf betekenis
sticht. Het zijn (de natuur) verschijnt als zinloos. De mens is schepper van het denken, van de waarden, van de moraal en van de religie. Vergelijk (Safranski in Nihilisme en transcendentie) Je begrijpt mensen alleen als je het onbegrijpelijke aanvaardt. Bij die onbegrijpelijkheden hoort de religieuze instelling die Safranski samenvattend zou willen karakteriseren: een instelling is religieus als die in het leven en in het geheel van het zijn ondanks alle kennis een uiteindelijk onoplosbaar en een onuitputtelijke rijkdom ziet, maar soms ook een afgrond. Safranski is van mening dat religies bestaan zijn uit speelruimte van het transcenderen. Religies zijn pogingen de transcendentie een bepaald gezicht te geven. Transcendentie betekent dat de mens voor zich zelf een raadsel blijft. Safranski reikt ons de mogelijkheid om te balanceren tussen scepsis en geloven.
De mens is een wezen dat kan transcenderen, d.w.z. boven zich zelf kan uitstijgen, een wezen met de bijbehorende eigenschap dat het niet zich zelf toebehoort. Mijn medeauteur is dol op Goethe, die vond dat in de mens de natuur haar ogen opslaat en merkt dat ze bestaat. Safranski vertelt van de cultfilm Blow up. Twee mensen spelen overtuigend tennis. Maar we nemen geen bal waar. De fotograaf krijgt de bal voor zijn voeten. De spelers verzoeken de bal terug te sturen. Hij pakt de bal die er niet is. De spelers bedanken hem. Over de bal kan met net zo weinig zeggen als over God. Maar het spel is er en zijn dynamiek verandert de toeschouwers, ook ons in medespelers. Dat wil zeggen: begin te spelen en dan merken jullie wel hoe echt de bal is. Wanneer jullie van te voren willen weten of de bal er is, zullen jullie nooit beginnen. Dan zal er nooit een spel zijn. Zo houd ik het geloof levend met geloof en onderzoek, uit het leven en het werk van (C.P. Tiele onder redactie van Cossee en R. Tjalsma) In de natuur gelden wetten, waarin geen bovennatuurlijke macht kan ingrijpen. Vooral de wet van oorzaak en gevolg: het ene volgt op en uit het andere Er is slechts een werkelijkheid.

De waarachtigheid van het geloof, mag niet geofferd worden aan uitvluchten, die uiteindelijk de scepsis dienen.

DE WERELD ALS GODS LICHAAM (Sallie Mc Fague in Modellen voor God)

In de jaren zestig werden we warm van Teilhard de Chardin die leerde dat de wereld er een is waarvan de hartslag relatie en interdependentie is. Niets staat op zichzelf. Dingen bestaan dankzij onderlinge relaties en verbanden. Wij behoren vanaf de lichamelijke cellen tot de fijnste scheppingen van onze geest toe aan de complexe voortdurend veranderende kosmos. Mc Fague denkt na over de verrijzenis van Christus. Deze moet niet gezien worden als de verrijzenis van bepaalde lichamen die te beginnen met Jezus opgaan naar een andere wereld. De verrijzenis moet worden gezien als Gods belofte om altijd met ons in Gods lichaam, in onze wereld te zijn. Wij ontmoeten de wereld als Gij als het lichaam van God, waar God voor ons aanwezig is op alle plaatsen en tijden. Het model van de wereld als Gods lichaam inspireert tot holistische houdingen van verantwoordelijkheid en zorg het voor het kwetsbare en onderdrukte.
Tillich heeft ons duidelijk gemaakt dat religie een toestand is  van gegrepen zijn door de macht van het zijn- zelf. Moed heeft de kracht van het zijn nodig, een kracht die het niet- zijn te boven gaat.
Soefi- meester Hafiz (vergelijk Holloway in Kijken in de verte)merkt op: Grote Religies zijn de Schepen, Dichters de reddingsboten, Iedereen bij zijn volle verstand die ik ken is overboord gesprongen. Holloway citeert Vasilii Rozanow, die zei: “Alle religies zullen voorbijgaan, maar dit zal altijd blijven, rustig in een stoel zitten kijken in de verte”. Het is niet zonder risico
om de wereld tot Gods lichaam te verklaren. De wereld is niet knus. We staan er alleen voor, we hebben het nest  verlaten, en hebben onszelf afgesneden. Morin oppert de gedachte dat de rede kan dwalen. Hij meent dat intellect en hart alleen verklaard kunnen worden door God als hogere macht daarin te betrekken. (zie zijn Bestaat God?). Ik geloof daar niets van omdat God weer een rol krijgt toebedeeld. Een dwalende rede moet bij zich zelf te rade gaan en niet God als ultieme oplossing er bijslepen. De Oosters -Orthodoxen kunnen soms verrassend uit de hoek komen. De wereld is niet alleen een wereld in zichzelf, de wereld is ook in God. Gods relatie met de wereld ligt besloten in Gods zelf. Vergelijk (John Binns in The Chhristian Orthodox Churches) Iconen, die voortvloeien uit de incarnatie maken God present.
In de jaren zestig volgen wij de colleges van Loen. Loen neemt een afwijkende maar toch boeiende positie in. Loen is een erudiete man die zorgvuldig formuleerde terwijl wij aan zijn voeten lagen. Ik begreep er niet veel van. Later heb ik Loen gelezen en herlezen. Het woord is grond. Gods openbaring is de oorsprong van al ons begrip. Mens en wereld (bestaan en zijn) kunnen slechts uit openbaring verstaan worden omdat zij in die openbaring hun aanzijn ontvangen. God wil niet in zich zelf blijven. God wil zich betonen aan de mens. De wereld is de omgeving van het bestaan. Het bestaan treedt dus niet de wereld binnen. Dat bestaan wordt door het Woord tot aanzijn geroepen. God wil zijn schepping in het zijn stellen met eigen zijns- zelfstandigheid en haar tot bestemming voeren. (vergelijk Doevendans in Inleiding tot het denken van A.E. Loen).
Rabbi Jehoshuwa maakt duidelijk dat de mens geen betekenis ontvangend maar een betekenisgevend wezen is. Wij hebben geen andere toegang tot de wereld en de natuur, tot elkaar en God, dan langs de weg van betekenisgeving.
(Counet en Vertogen in God, neem ik aan?)
Wanneer de wereld Gods lichaam is dan kunnen we ook beter begrijpen wat de Chassidim bedoelden toen zeiden  dat alles (ons eten, drinken, slapen, dansen, feesten, driften, bidden en zingen) vraagt om verenigd te worden met God. Kees Waayman (vergelijk zijn Spiritualiteit) noemt de joodse God Wezer. Wezer is een sfeer die alles doortrekt en draagt zoals de onbekende God van Paulus in wie wij zijn, bewegen en leven. God is intiem verweven met de wording van de mens. Hij is de dragende grond van de levensloop. Waayman citeert Levinas, die zegt: “Het gezicht, het gelaat is het feit dat een  werkelijkheid tegenover mij staat”. God leeft voor wiens gelaat ik sta.
Waayman citeert ook Augustinus die zegt: God naar wie ik  op zoek was, droeg vanaf de beginne mijn zoeken, was in mijn zoeken aanwezig. De gelovige roept uit: “Ik zou er niet zijn als ik niet zou zijn in God, uit wie alles, door wie alles en in wie alles is”
Hoe verhoudt God zich tot de wereld als Zijn lichaam. Door filosofen is daar diep over nagedacht. Bergson geloofde in Elan Vital, een creatieve oerkracht die de materie voortstuwt tot ontwikkeling van steeds complexere levensvormen en zijn hoogtepunt in het menselijk bewustzijn. Whitehead kende een visie op de werkelijkheid als dynamisch creatief proces waar God niet boven of buiten staat maar wezenlijk deel van uitmaakt. God lijdt onder de mislukkingen van het evolutionaire proces tegelijk lokt God het zelfde proces vooruit naar hogere vrijheid en complexiteit. Zoals gezegd raakten wij in de zestiger jaren verrukt van Teilhard de Chardin. Ik heb aan hem de redding van mijn geloof te danken. Hij gaf me een optimistische levensvisie die de grondslag vormde van mijn actitiviteiten die ik met de medeauteur Reinder Hovinga e.a. uitvoerde. Teilhard vat het universum op als een voortgaande ontwikkeling in complexiteit en perfectie totdat ten slotte het punt omega bereikt is. Een fel contrast met Teilhard is Monod. Voor hem is het leven een samenspel van mechanische causaliteit en genetische toevalligheid. De mens is een product van kosmisch toeval, geen sluitstuk van een goddelijke en evolutionaire bedoeling. Vergelijk Frits de Lange in zijn Gevoel voor Verhoudingen. In de loop van de geschiedenis leert de mens in symbolen denken. Religie construeert in haar mythen een antwoord op de raadselachtige werkelijkheid. God kan worden beschouwd als ultieme eenheid van de werkelijkheid, haar dragende structuur die ons verborgen is. Is, een andere naam voor de werkelijkheid, zoals zij ten diepste is. Men kan Hem Bron, Grond of Schepper noemen. De Lange schuilt bij de procestheologen. God is in alles wat leeft. God is aanwezig in elke vorm van leven. De macht van God is overredingskracht. De rol van Jezus blijft cruciaal. Het is niet significant ons af te vragen wie Jezus was. Het gaat er veeleer om wie Jezus is als levende geest in de harten van mensen die hem volgen op de weg van liefde. David Grant (vergelijk Thinking through our faith) stelt dat het om Jezus gaat in ‘his meaning for us’. Niet ieder is geïnteresseerd in geloofsvisie. Je kunt ook stellen dat de kenbare werkelijkheid geen rationele structuur heeft maar een structuur die mede bepaald wordt door menselijke behoeften en handelingen. De menselijke wereld is een wereld die niet heel objectief is maar gevuld met ervaren structuren zoals geuren, gevoelens, frustraties, bedreigingen, hindernissen en doelen. De mens ontwaart in de situatie waarin hij zich bevindt een betekenisvolle structuur die handelingen voorschrijft welke gegeven de situatie zinvol zijn. Vergelijk (Philip Brey in Van stoommachine tot Cyborg). God wordt vaak overbodig verklaard. Op zich zelf is dat waar omdat God zo zeldzaam knap kan worden gemanipuleerd. God dient ter verklaring. Terecht zei Laplace al tegen Napoleon, dat hij God niet nodig heeft ter verklaring.
Margaret Wertheim in haar boek, (De broek van Pythagoras) wil niet dat wij een keuze maken tussen geloof en wetenschap. Niet toegelaten mag worden dat de een baas wordt over de ander. In een persoon kunnen geloof en wetenschap bestaan. We luisteren nog een keer naar Loen, zie zijn (Het Vooronderstelde). Hij zegt dat de mens geen gebied binnen de ervaring is. Ervaring is een mogelijkheid binnen het mens-zijn. Mens-zijn is geen in zich rustende grond, maar het mens-zijn is door en tegenover God er zijn.
Taede Smedes stelt dat geloof en natuurwetenschap twee verschillende perspectieven op de werkelijkheid zijn. Hij gaat ervan uit dat er een werkelijkheid is maar dat je op verschillende manieren toegang hebt tot die werkelijkheid, vergelijk zijn (God en Darwin). De wereld is in wording en is theologisch te beschrijven als partner van God die ook God iets doet. God leert van de wording van de wereld. God en wereld interageren. Ze zijn samen opgenomen in een kosmisch wordingsproces. God heeft vrijwillig zijn almacht ingeperkt. Hij laat ruimte voor de schepping en geeft een eigen integriteit en autonomie aan de wereld. De mysterieuze werkelijkheid achter onze waarneembare werkelijkheid noemt Smedes God. Smedes gaat er van uit dat zijn geloof uit gaat van wat is. God is voor hem niet in wat niet is. Niet in chaos, toeval en afwezigheid van wetmatigheid. Een groot en indrukwekkend inspirator uit de zestiger jaren was voor mij A.A. van Ruler, hij schreef en belangwekkend artikel over God en Chaos dat mij nooit meer losliet. Hij zegt dat een van de oorsprongen van de chaos ligt in het handelen van God. God wil niet alleen echte kosmos: de afgeronde gestalte, het gave voltooide geheel, het volledige evenwicht, de pure harmonie, de gesloten eenheid welke zich zelf genoeg is. De mens is er zo maar, hij is een stuk met lot en daad gevulde tijd. God heeft de chaos geschapen. Deze beteugelt hij. Hij speelt zelfs met Leviathan(chaos monster). Chaos en kosmos wisselen elkaar af. De mens houdt van rede, verstand, geest, klaarheid en doorzichtigheid. Maar een mens houdt ook van chaos: bloed, driften en leven. Chaos is het spel van God. Wij mensen zijn de chaos. Wij zijn het zijn, wij zijn het spel van God. In tegenstelling met Smedes geloven wij dat God een rol speelt in chaos en toeval. God kan bij Smedes alleen wonen in geordendheid en wetmatigheid. Maar ik heb God altijd beleefd als partner in onvoorspelbaarheid en chaos. Evolutie en geschiedenis hangen van chaos aan elkaar. Als de wereld Gods lichaam is dan beseffen wij dat die wereld niet af, onvoltooid, onvolmaakt, ondoorzichtig is. Er is licht en er is duister. Heering (vergelijk zijn De God die niet meer nodig is) zegt dat we niet van onszelf zijn. De mens bestaat uit de gegevens van anderen. De mens bestaat uit stof waaruit de gehele natuur is opgebouwd.
Kaufman (in zijn Theology for a nuclear age) formuleert het als volgt:

“God should today be conceived in terms of the complex of physical,biological, and historico-cultural condtions which have made  human existence possible,which continueto sustain it,and which may draw it out to a fuller humanity and humaneness.”

Jansen staat stil bij de theoloog Pannenberg, zie zijn (Naar een oecumenische hermeneutiek). Heel de werkelijkheid heeft zijn oorsprong, zijn betekenis en zijn waarheid vanuit, door en in relatie tot God. Pannenberg gaat uit van de idee van God als de allesbepalende werkelijkheid. Stoker staat stil bij Duintjer. Zie Stoker in (Cultuur als partner van de theologie) Duintjer spreekt over het alomvattende Zelf. In ons oorspronkelijke zelf is er nauwe verbondenheid met het Eeuwige Zelf. Dit Eeuwige Zelf is hier het allesomvattende Zelf, dat voorbij ons ego, onze identiteit zoals opgebouwd in de maatgevende kaders ligt.
Er is distantie tussen ons zelf en het goddelijke zelf. God wordt ervaren als de Ander die aanwezig is in de menselijke ziel. We sluiten dit hoofdstukje af.
De wereld als Gods lichaam. Zoveel metaforen voor God, metgezel, bondgenoot, vader, moeder, vriend, vriendin, partner etc. Dat wil zeggen dat wij mensen in deze wereld geroepen zijn elkaars metgezel te zijn en te delen in elkaars zorgen en verdriet. De barmhartigheid van God (de liefde van een moeder voor haar kind) is de basis van ons bestaan: barmhartigheid bewijzen aan de ander.

Geloven met mijn brein deel 1

Geloven met mijn brein deel 1

In de jaren zestig toen wij theologie studeerden aan de Universiteit van Utrecht en aanvingen met onze eerste werkzaamheden werden wij sterk beïnvloed door de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer, die beroemd werd om zijn brieven uit de gevangenis waar de NAZI’S hem hadden gedetineerd. Hij kwam niet vrij en werd op 9 april 1945 opgehangen. Zijn brieven werden onsterfelijk. Bonhoeffer gelooft dat wij in dit leven en in al het goede dat wij ontvangen God ontmoeten. We mogen God vinden en liefhebben in wat Hij ons geeft God wil ons laten genieten van het overweldigende aardse geluk. Bonhoeffer gelooft dat God geëerd wordt als wij het leven dat Hij ons gaf  ten volle aanvaarden, uitbuiten en beminnen en dus ook eerlijk en sterk de pijn ervaren om geschonden of verloren levenswaarden. Volgens Bonhoeffer kunnen wij mensen niet langer religieus zijn. Het christendom is altijd uitgegaan van het religieus a priori. Maar zo zegt Bonhoeffer, het a priori bestaat niet. Bonhoeffer kiest voor een a religieuze wereld. Hoe spreken wij over God zonder religie, zonder tijdgebonden vooronderstellingen van metafysica. Religieuze mensen laten God als Deus ex machina opdraven. Zo wordt God een schijnoplossing voor onoplosbare problemen. Bonhoeffer wil van God spreken, niet aan de grenzen maar in het centrum, niet bij zwakheid maar bij kracht, niet bij dood en schuld maar bij het leven en het goede van de mens. Midden in het leven is God transcendent. Naar de mening van Bonhoeffer zijn gerechtigheid en het Rijk van God middelpunt van alles. Het gaat nooit om het hiernamaals maar om deze wereld, hoe wordt deze wereld geschapen, in stand gehouden, aan wetten gebonden, verzoend en vernieuwd. Het Oude Testament is doorslaggevend voor zijn visie op het nieuwe Testament. Volgens Bonhoeffer dragen wij God en de hele wereld in ons. God mag niet gebruikt worden om de lacunes in onze kennis aan te vullen. In wat we kennen moeten we God vinden. God wil begrepen worden in de opgeloste vragen. Mensen leren grote problemen op te lossen zonder terug te vallen op de werkhypothese God. De mondig geworden wereld leeft zonder Gods voogdij. De gelovige mens moet het aardse leven tot de bodem doorleven net als Jezus die riep: “God, mijn God waarom hebt u mij verlaten”?
Volgens Bonhoeffer wil god dat wij mondige mensen leven als degenen die hun leven inrichten zonder God. De God die ons in de wereld doet leven zonder de werkhypothese God, is de God voor wiens aangezicht wij staan. De christen is geen homo religiosus maar gewoon een mens zoals Jezus mens was. Jezus bestaat alleen voor de ander. Dat zijn voor de ander is de beleving van de transcendentie. Geloven is deelnemen aan het bestaan van Jezus. Iedere naaste vlak bij ons is het transcendente. God wordt niet gevonden in het metafysische. In de gekruisigde Christus is God er voor anderen.
Voor ons was de doorbraak bij Bonhoeffer dat God niet valt te vinden in het metafysische. God is in de wereld. Wij dragen God en wereld in ons zelf. God is midden in het volle leven. De transcendentie van God is dat Hij in Jezus met ons samen is. Religie leidt ons af van de wereld. God bemint juist het aardse leven.

Metafysisch verstaan van God

In zijn (Beyond the Big Bang) noemt Drees God  “the principle of otherness”‘ Hij wil God niet verstaan vanuit het eschaton dat berust op een verlangen naar een oneindige toekomst. God brengt ons geen schone toekomst. Dat zou het determinisme van een happy end impliceren. Dat betekent ook dat onze verantwoordelijkheid voor wat nu gebeurt, wordt weggenomen. Wat de Bijbel vertelt over het koninkrijk van God heeft relevantie voor hier en nu:
oordeel over de huidige toestand: het is niet zoals het zou moeten zijn.
oproep tot bekering,tot handelen als antwoord op dat oordeel
troost in situaties van onrecht, falen en lijden.
Drees karakteriseert God als principe van contrast, iets dat in elk  heden, dat heden ook weer te bovengaat.
Taede A Smedes is ten aanzien van het metafysisch naturalisme terughoudend. De werkelijkheid is gesloten. Er zijn geen bovennatuurlijke oorzaken. Het gedrag van mensen wordt herleid tot neuronale processen in onze hersenen. Smedes gaat in confrontatie met hersenwetenschappers als Swaab. Hij stelt dat het niet juist is te veronderstellen dat ons bewustzijn niets meer is wat zich in onze hersenen afspeelt. Hij acht het voorbarig om bewustzijn en fysische processen te identificeren. Van Bonhoeffer heb ik geleerd dat we voor God niet een aparte rol moeten bedenken. Wij onderzoeken, ontleden, vergelijken en concluderen. Smedes is voorzichtig. Een
reductie van werkelijkheid tot het domein wat voor natuurwetenschappelijke operaties toegankelijk is of tot het domein van wat wetenschappelijk kenbaar is levert volgens hem een verlies van werkelijkheid op. Smedes meent dat subject en object niet los van elkaar staan maar op ontologisch niveau nauw op elkaar betrokken zijn of zelfs ontologisch verstrengeld. Smedes is pienter in het ontdekken van vluchtwegen om God veilig te stellen. Hij omschrijft Gods transcendentie (in navolging van Arjan Marcus) als
“Gods being other than the universe in being beyond its limits and limitations”.
God is volstrekt anders dan wij kunnen denken. Op deze wijze wordt Gods transcendentie voor ons ontoegankelijk. We zullen de moeilijkste weg moeten volgen. Wij zijn een product van de evolutie maar zullen deze evolutie aansturen met onze technologie.

Het metafysisch verstaan van God raakt op gespannen voet met onze werkelijkheid voor zover we deze kunnen overzien en verstaan. Metafysisch verstaan van God opent de deur voor bovennatuurlijk ingrijpen in onze werkelijkheid. De wetenschap heeft onze ogen geopend voor het
feit dat allerlei godsdienstige opvattingen over onze werkelijkheid hebben afgedaan. Metaforen die door religies worden gehanteerd blijken niet meer bruikbaar in ons tijdsgewricht. (W.C. van Zijll Langhout). Van Bonhoeffer hebben we geleerd dat de deus ex machina moet worden uitgebannen. Wij mensen moeten onze eigen verantwoordelijkheid nemen zonder God een door ons aangepaste rol toe te kennen. De eerlijkheid betekent dat we onze werkelijkheid accepteren en ons niet afhankelijk maken van een bovennatuurlijke werkelijkheid. Gemakkelijk is dat niet omdat we zo vertrouwd zijn geraakt met bovennatuurlijk ingrijpen.
Drees (Van niets tot Nu) zegt terecht dat we geen vanzelfsprekend metafysisch kader meer hebben. Maar dat betekent volgens mij niet dat God moet worden afgeschreven. Mijn leven lang heb ik me afgevraagd of ik bij machte en in staat ben God weg te laten. Als kind leerden we God als bondgenoot kennen, beeldloos, ondoorgrondelijk en niet grijpbaar. Ik ben mij van mijn eigen eindigheid bewust en ervaar de betrekkelijkheid daarvan. Ik wil niet vluchten in de metafysica. Ik reken God tot grond van mijn werkelijkheid. Ik wil met respect daarover spreken. Charles Misner heeft gezegd: “Te zeggen dat God het heelal geschapen heeft, verklaart noch God noch het heelal maar het houdt ons open voor geheimen van ontzagwekkende majesteit die we anders misschien zouden veronachtzamen”. Mijn werkelijkheid is voor mij een compleet geschenk. God is daarentegen  dragende grond van mijn bestaan. Wij mensen willen graag doelen toekennen. God komt ons vaak goed uit, maar in de evolutionaire ontwikkeling is geen doel te bespeuren. Dingen gebeuren zoals ze gebeuren. Ook mutaties in de evolutie gebeuren, Wij mensen maken geschiedenis en leveren informatie over van generatie op generatie. Daarin kunnen doelen bedacht worden. Wij mensen zijn er eigenlijk bij toeval. De dinosaurussen werden getroffen door een ramp (meteoriet of komeet uit de ruimte). Dat leidde tot de mogelijkheid van onze verschijning als mens van wie Stephen Gould zegt dat de mens “een kleine twijg is aan een onwaarschijnlijke loot van een toevallige tak van een gelukkige boom.”
In de zestiger jaren zijn we gefascineerd geraakt door Teilhard de Chardin. Hij liet wetenschap en geloof convergeren. We leerden de evolutie te aanvaarden. Zoals een wit papier een tekening draagt zo draagt God mijn bestaan. Teilhard zag nog het doel van de evolutie; het punt omega wanneer Christus zijn taak volbracht heeft en God alles in allen wordt. Tijdens mijn verdere leven heb ik Teilhard gecorrigeerd door de Proces Theologie en later door de visie van Drees. Het heeft bevrijdend gewerkt in mij prediking en pastoraat. Ik ontdekte ook dat ik meer in de lijn van Bonhoeffer ging denken. Ik besef dat mijn geloof toevallig Is. God is mij toegevallen. Ik heb God ontdekt of God heeft mij gevonden. Ik zal het nooit weten. Ik weet zeker dat ik zelf geen God ben. De Godsvraag blijft mij fascineren. Vooral mystici als bv Al-Gazali en Eckhart hebben mij geïnspireerd God te blijven zoeken. Maar niet God om de gaten in mijn kennis mee op te vullen.

Mensen als mogelijkheid van materie.

Naar de mening van Drees(De mens: meer dan materie) wordt de concrete samenhang van de wetenschappen het eenvoudigst begrepen als aanwijzing voor constitutief reductionisme. Onze werkelijkheid is een eenheid in die zin dat alle dingen uit de zelfde bouwstenen bestaan. De natuurkunde biedt de beste beschrijving van de bouwstenen en dus van de werkelijkheid op het meest elementaire niveau. Alle verschijnselen komen voort uit natuurlijke processen. In dit verband verkiest Drees de term ontologisch naturalisme. De natuurlijke werkelijkheid is de hele werkelijkheid die wij kennen, die op ons inwerkt en waar wij op inwerken. Binnen onze werkelijkheid toont zich nergens een spiritueel domein los van de natuurlijke werkelijkheid, ook niet in het menselijk denken en beleven. Ik herinner me uit de zestiger jaren dat ik de diepe val meemaakte vanuit het vertrouwde scheppingsverhaal in dit ontologisch naturalisme. God raakte ik kwijt. Ik slingerde de Bijbel vanuit de ene hoek in mijn kamer naar de andere. Ik moest emigreren naar een andere wereld en geloofde dat ik God opnieuw zou vinden. Ik besefte dat God en ik op een andere manier tot elkaar stonden. De vanzelfsprekende kaders vervielen maar ons bestaan bleef toch een mysterie. Ik moest leren God niet binnen het mij vertrouwde kader te beleven. Ik moest de God verliezen die van buiten af ingreep. Maar tegelijkertijd wilde ik God vasthouden als grond van mijn bestaan. De toespraak van Paulus op de Areopagus bleef me fascineren. In God die zich niet door ons mensen laat dienen leven wij, bewegen wij ons en zijn wij. Na mijn emigratie ontdekte ik dat de evolutie mij heeft toegerust tot mogelijkheid van verbeelding. In mijn innerlijk ontdekte ik verlangen naar andere werkelijkheid, naar een andere mogelijkheid. Het joodse profetisme heeft me daarin gesterkt, Mensen blijken zoals Drees het zegt een mogelijkheid van materie die op een heel bijzondere manier is georganiseerd. De mens is een product van de werkelijkheid van de evolutie, van aanleg en opvoeding, van natuur en cultuur. De mens heeft meer de mogelijkheid tot reflectie dan andere ons bekende soorten. Mensen zijn begiftigd met geheugen en communicatieve vaardigheden.
Philip Hefner (De mens: Meer dan materie) spreekt over de bio- culturele fase die is aangebroken in de evolutie. De evolutie heeft een wezen voortgebracht: de homo sapiens, die zin zoekend en zin scheppend is. De mens is drager van vrij en doelgericht gedrag. Volgens Hefner is Jezus Christus de normatieve uitdrukking van het beeld Gods in de schepping. Hefner interpreteert de mens als geschapen medeschepper. De homo sapiens is een knooppunt waar twee informatiestromen samenkomen en naast elkaar bestaan. De ene stroom bestaat uit overgeërfde genetische informatie. De andere stroming bestaat uit culturele informatie. Beide stromen komen samen in het centraal zenuwstelsel. Beide stromen vormen een eenheid. De informatie die we cultuur noemen blijft niet opgeslagen in het menselijk zenuwstelsel. Deze informatie wordt opgeslagen buiten het menselijk lichaam als zogenaamde extra- somatische informatie. De homo sapiens is voortgekomen uit een deterministisch proces dat teruggaat tot de oorsprong van het heelal. Binnet deterministische proces is vrijheid ontstaan. De mens wordt uitgedaagd tot reflectie. Dat betekent dat de mens de omgeving exploreert om passend gedrag te overwegen. De mens overweegt alternatieve beslissingen en gedragswijzen. Relaties met en welzijn van andere individuen worden gerespecteerd. Dat duidt op de biologische grond van waarden. De moraliteit doet intrede. Vrijheid is verbonden met verantwoordelijkheid. De mens beschikt over het vermogen om betekeniskaders te vormen waarbinnen de concrete gegevens van de ervaring en de implicaties daarvan zin krijgen. Moraliteit is in sterke mate afhankelijk van de constructie van zulke kaders. Het menselijk centraal zenuwstelsel is buitengewoon competent in het vormen van deze kaders. Volgens Hefner vormen religies verzamelingen van zulke betekeniskaders.
Volgens Hefner is de homo sapiens geëvolueerd als een wezen dat op zoek is naar zin. Zijn centrale zenuwstelsel is een competent instrument voor het zoeken en beschrijven daarvan. Zoals gezegd onderscheiden we genetische en culturele informatie. Cultuur wordt gedefinieerd als aangeleerde en doorgegeven gedragspatronen en de symboolsystemen die kaders vormen voor dit gedrag.
waarbinnen  het gedrag geïnterpreteerd wordt en gerechtvaardigd. De menselijke hersenen zijn een geschikt orgaan voor een wezen dat cultureel is en dat voor de uitdaging staat zin te zoeken. De menselijke hersenen onderscheiden zich door hun vermogen informatie te verwerken, waaronder ook valt het construeren van kaders die de gegevens interpreteren die de hersenen ontvangen. De kaders en interpretaties die we construeren kennen betekenis toe aan de gegevens van onze ervaring. De mens is ontstaan als een wezen dat zich zelf kan begrijpen en dat zowel de mogelijkheid heeft de natuur en zich zelf te bepalen als om op die bepaling op een verantwoordelijke manier te reageren. In de jaren zestig werd ik heftig beïnvloed door Teilhard de Chardin die de vermenselijking van de natuur en van de evolutie van de natuur op de voorgrond stelde, Hij opende wegen die uiteindelijk ons later gebracht hebben bij Drees en Hefner. In de christelijke theologie stellen we dat de natuur betekenis heeft en dit impliceert dat de natuur uiteindelijk het karakter van de schepper God weerspiegelt. Betekenis draagt een uitzonderlijk karakter. Zonder betekenis is menselijk leven onmogelijk. In theologisch jargon kunnen we volgens Hefner zeggen dat betekenis een geloofsdaad is.
Drees en Hefner helpen ons te ontdekken hoe het mogelijk is met mijn brein te kunnen geloven. Wij mensen kennen de betekenissen toe. Ons geloof speelt zich af in mijn hersenen. Ik kan dan ook de bezwaren van Michel Onfray tegen God begrijpen maar ook weerstaan
(zie zijn Traité d’athéologie).

HET BREIN

Ons brein is complex en niet gemakkelijk te verstaan. Alle cellen in onze hersenen, het gaat om miljoenen, onderhouden connecties met elkaar, ze ontwikkelen zich en verdwijnen weer. Drees (Religion, science and naturalism) onderscheidt diverse subsystemen binnen ons brein:

“The oldest structures, evolutionarily speaking, are located close to the spinal cord. The medulla (brainstem) regulates involuntary functions such as respiration, circulation, and digestion. The cerebellum regulates movement and balance. The hypothalamus has to do with the production of hormones. Hunger and satisfaction are regulated here; uncontrollable eating disorders can be seen as a disturbance at this level. Even though full-fledged emotions are more closely  connected to the next level (the limbic system) this deeper level regulates the expression of many emotions, for example  blushing (even if you do not want to) compulsive laughing or crying and blind anger.

Drees vraagt zich af wat er precies in ons hoofd gebeurt bij religieuze praktijken (meditatie, zang, stilte, branden van kaarsen). We weten dat niet. Men kan zich in navolging van bv Dietrich Ritschl afvragen of religie plaats vond toen de mensen niet langer alleen jaagden maar zich begonnen te vestigen in bewoonbare nederzettingen als dorpen. Religie is dan een levensvorm om te overleven in gemeenschappen. Er doen zich allerlei vragen voor. Mensen zijn subjecten die ervaringen hebben en besluiten nemen. Mensen kunnen in navolging van Martin Buber zich beleven als personen die zich tot God verhouden van IK tegenover JOU. Ik behoef geen plek te zoeken in het brein, Ik ben mijn brein. De biologie van morele en religieuze systemen zijn verweven met de schepping van cultuur. Menselijk altruïsme is gekoppeld aan menselijke cultuur voor de samenwerking tussen de mensen. Religie speelt een rol in de schepping van cultuur. We onderscheiden dus de genetisch gedetermineerde vermogens (brein) en de culturele informatie (taal) Mensen kunnen geen mensen zijn zonder cultuur. Maar cultuur kan er niet zijn zonder brein. Mijn morele intuïties kunnen niet verklaard en gerechtvaardigd te worden met verwijzing naar supernaturelle oorsprong. God is een menselijke vondst die ons leven kan leiden. Religie is een verschijnsel binnen onze werkelijkheid. Religie confronteert ons met de verantwoordelijkheid voor wat wij doen met deze wereld. Wij gebruiken metaforen, concepten en beelden met het oog op een moreel en spiritueel goed leven. De gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan leert ons om te gaan met een vreemdeling uit een andere cultuur. De mens is begiftigd met het vermogen van verbeelding. De mens kan zijn situatie beschouwen vanuit verschillende perspectieven. Drees besluit met de woorden:

”Our knowledge and our capacity for knowledge have arisen in the midst of life, and we are to usehere att all, it will have to be there. They allow us to wonder about that which transcends and sustains our reality but all the time we wander in the reality in which we live, move and have our beinng;to its future we contribute our lives “.

Zo keren we terug naar Bonhoeffer. Geen God meer die als stoplap dient, God is in ons en wij zijn in God te midden van ons leven.
Wij spreken over God. Maar welke God? Adriaanse (in Een beetje Geloven onder redactie van W.B. Drees) stelt dat God ook iets anders zou kunnen zijn, een niet persoonlijk wezen: een alles omvattende samenhang, een allesbepalende kracht, een onachterhaalbare oorsprong van alle dingen, een vonk van inspiratie. Hoewel ik door mijn opvoeding vertrouwd ben geraakt met God in Jezus Christus heb ik toch in relatie met aanhangers van andere godsdiensten die ik heb ontmoet ervaren dat de God in Jezus Christus meer omvattend, boven alles uitgaande is. Ik wil denkend geloven. Adriaanse leert ons aan beiden vast te houden: denken en geloven. We mogen niet voorbijgaan aan de overtuigende resultaten van wetenschappelijk onderzoek. Deze moeten corrigerend werken op de voorstellingswereld van ons geloof. De mens is en blijft materie. Maar, zo zegt Drees (Een beetje geloven) dat haalt ons mensen niet naar beneden maar de materie omhoog. Materie op de juiste wijze georganiseerd kan vliegen, zwemmen en graven maar ook praten, bidden, mediteren en denken. Er zijn geloofsvoorstellingen die een ongeloofwaardige breuk veronderstellen in de natuurlijke processen. We denken dan aan Koninkrijk van God, nieuwe hemel en aarde, de overwinning van de dood. Denken komt in conflict met geloven. Als materie besef ik dat ik kan reflecteren over andere werelden. Hoop kan een motor zijn in mijn reflectie. Mijn werkelijkheid is niet vanzelfsprekend. Mijn wetenschappelijke bevindingen hebben een open eind. God is onze dragende grond in ons werkelijkheidsbeleven. (John Fowles zegt dat zoals de stilte een sonate mogelijk maakt en het witte papier een tekening draagt, zo denk ik over God als de grond van het bestaan, zie zijn The  Aristos). Jezus, optreden is niet te overzien en te verstaan uit de voorafgaande geschiedenis. Jezus, is een mutatie die nieuwe aspecten van onze werkelijkheid toegankelijk maakt. Jezus was een mutatie in de cultuurgeschiedenis. De bovengenoemde reflectie van onze materie sluit niet de wegen af van mutaties. Jezus, trapt vanuit de wereld gevangen in het recht  van de sterkste, de slimste die alles selecteert de deur open naar solidariteit met de minste, de zwakke.
Zoals al gezegd vertonen onze hersenen een indrukwekkende complexiteit. De hersencellen staan in een gigantisch netwerk met elkaar in verbinding. Deze verbindingen komen en gaan. Binnen het zenuwstelsel zijn er verschillende deelsystemen. De hersenen ontstaan als een verdikking aan het eind van het ruggenmerg. Onze hersenlagen corresponderen met de verschillende stadia in de evolutie. De hersenstam regelt onze spijsvertering, onze ademhaling, de hartslag, afscheiding van speeksel en het knipperen van de oogleden. De bij de hersenstam gelegen hypothalamus is betrokken bij de productie van hormonen en ons seksuele gedrag. Ook onze honger, dorst, verzadiging en emoties worden hier geregeld. Dan zijn er de kleine hersenen die een rol vervullen bij het bepalen van houding en evenwicht. We spreken hier van een ontstaansgeschiedenis van circa 500 miljoen jaar geleden. Ruim 200 miljoen jaar geleden ontstond het limbische systeem. Deze liggen rondom de hersenstam. Hier treffen wij de emoties als agressie en liefde, ook de reukzin treft men hier aan. De emoties staan niet helemaal onder bewuste controle. We onderscheiden verder de neocortex of nieuwe hersenschors. De neocortex maakt onze waarneming scherper. Verschillende vormen van waarneming, (zien, horen en tasten) raken op elkaar betrokken. Ook is het de neocortex die het mogelijk maakt om te gaan met symbolische informatie (taal). Dat kwam in 100.000 jaar tot krachtige ontwikkeling. Onze linker hersenhelft stuurt de processen in de rechter helft van ons lichaam. De rechter hersenhelft de linkerkant van ons lichaam. De centra die spreken mogelijk maken worden links ontwikkeld.
De centra die met ruimtelijk inzicht te maken hebben zitten rechts. Drees in zijn (Heelal, mens en God) weet eigenlijk niet wat er gebeurt in onze hoofden bv door religieuze gebruiken, maar dat er wat gebeurd lijkt duidelijk. Onder verwijzing naar Jeremia 20:7-10 stelt de theoloog B. Klein Wassink; de innerlijke communicatie binnen onze hersenen aan de orde. De stem van God zou een rationele beschrijving als van buiten komend zijn van signalen van de rechter aan de linker hersenhelft. We moeten ontkomen aan de tegenstelling van onze eigen autonomie (baas in eigen huis) en heteronomie (God van buiten af werkend). Drees introduceert God als een hypothese waarin uitgedrukt wordt dat er spanning is tussen de werkelijkheid en het wenselijke, waarbij wij op weg in de werkelijkheid ons willen oriënteren op het wenselijke. Voor ons, is God, DE ANDER, die ons uitnodigt tot de wenselijke werkelijkheid. Zo wordt bidden wensen, uitzien naar een identiteit die er nog niet is, verwachten vanuit onvrede met wat is. Drees schept duidelijkheid. God bestaat in ons. Godsvoorstellingen zijn altijd menselijke voorstellingen. God kan als mysterie worden ervaren. God heeft geen andere handen dan de onze maar ook: wij zijn in Gods handen.
Toch wordt ons geloven in ons denken vaak ernstig beproefd. Er gebeuren vreselijke dingen: ziekte, dood, geweld, honger en overstroming. Het fysieke en psychische kwaad wordt door ons maar moeilijk verwerkt. Het roept zoveel vragen op. Darwin was diep bedroefd door de dood van zijn dochtertje Annie. Darwin verloor het geloof in een goedaardige en zorgzame God. In religie kon hij geen troost meer vinden. Haar dood opende Darwins ogen voor de wrede werkelijkheid: de natuur is niet goed of slecht maar afschuwelijk onverschillig. Darwin knapte af op de God als Schepper die overal in voorziet. Een almachtige en liefdevolle God kan niet de sluipwesp scheppen die levende rupsen van binnen uit opeten. Wat wij kwaad noemen ondermijnt ons geloven. Er zijn onderzoekers geweest (vergelijk Chris Buskes in zijn boek Evolutionair denken) die menen dat religie in onze genen zit. Religieuze gevoelens zijn lokaliseerbaar in de neurale structuren van ons brein. Deze hersengebieden wordt met de term God spot aangeduid. Bij religieuze mensen worden verhoogde activiteiten in de frontaalkwab en limbisch systeem waargenomen. De vraag die zich bij deze neurotheologie voordoet is: zijn spirituele ervaringen de oorzaak of het effect van zulke hersenactiviteit. Maakt God de God spot of maakt de God spot God? Buskes wil religie niet weg verklaren. Ontzag voor het hogere en onbegrijpelijke zit in ons allen. Niet gelovigen delen vaak met gelovigen de verwondering over het bestaan. De moraal is niet uit de lucht komen vallen. Deze is stevig verankerd in onze biologie. De evolutie heeft ons uitgerust met functionele emoties die we ons geweten noemen. Zelfzuchtige genen die wij rijk zijn en oprechte betrokkenheid sluiten elkaar niet uit.
In de jaren zestig werd ik geïnspireerd door J.M. de jong die toen rector was van het Seminarie van de Hervormde kerk. Zijn geschriften over geloof en natuurwetenschappen verslonden wij Volgens de Jong gaan geloven en weten wel eigen wegen maar deze wegen convergeren. Zij hebben deel aan de ene volle waarheid van God. (zie het boek Voorrang aan de Toekomst. De natuurwetenschap heeft het verheven gebouw van bovennatuur en metafysica ondermijnt. Bovennatuurlijke factoren zijn overbodig, onwenselijk en storend voor de verklaring van natuurlijke feiten en samenhangen. Volgens Jong (let wel zestiger jaren) zal het spreken over God in metafysische zin, in een zekere ontnuchtering zich tot zwijgen genoopt voelen. De Jong verwijst naar het adagium van Wittgenstein, waarvan men niet kan spreken, daarover moet men zwijgen.