Archief
Maand: november 2014

Een vlucht regenwulpen

Een vlucht regenwulpen

Maarten ’t Hart
Ter gelegenheid van de actie Nederland Leest

Maarten vangt aan met de Heidelberger catechismus: wat verstaat gij door de voorzienigheid Gods?Antwoord is dat is de almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods door welke Hij hemel en aarde,mitsgaders alle schepselen gelijk als met zijn hand nog onderhoudt en alzo regeert dat loof en gras,regen en droogte,vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede en alle dingen niet bij geval maar van zijn vaderlijke hand ons toekomen. Het gaat hier om formuleringen van bijna 5 eeuwen geleden. Waar het om gaat is dat droogte,onvruchtbaarheid,ziekte en armoede ook van God komen.Hij staat daar niet buiten. Maar God maakt in de bijbel duidelijk dat hij droogte, onvruchtbaarheid, ziekte en armoede eigenlijk niet wil. Jezus is daarvan een bewijs. God heeft de hand in dingen die Hij niet wil. Dat maakt het begrijpen van God niet gemakkelijk. Maarten ’t Hart brengt ons in vervoering over de natuur. Hij doet ons daarvan in zijn beschrijvingen genieten. Maarten beschrijft zijn verliefdheid op Martha,haar zuster en meisjes die op Martha lijken.Maar het doel in deze verliefdheden wordt niet bereikt. Op school maakt hij kennis met de hoofdonderwijzer die kapitein in het leger is.Hij beschouwt God als Generaal. Hij wil het geloof doen ontbranden als kruitdamp in een kanon,dat op de dienaren van Satan wordt afgeschoten. Hij bidt: bewaar ons voor oorlog,niet omdat we het verdienen maar alleen uit genade. Hier raken we aan onwaarachtigheid waarop het geloof van Maarten stuk breekt. Maarten kan niet accepteren dat zijn moeder overlijdt aan keelkanker.Ze lijdt daaronder. Maarten neemt dat God kwalijk.Hij ziet God als een beul die mensen veracht. Maarten zucht onder dwangedachten. Hij denkt dat hij dood zal gaan. Deze gedachten staan niet los van het geloof.

Maarten verliest het geloof wat zijn moeder jammer vindt Hij voelt zich eenzaam.Op school munt hij uit wat ook zijn eenzaamheid verdiept. Hij begrijpt niet dat moeder die als Henoch met God wandelde zo erg moet lijden. Maarten verliest God maar wordt gelijktijdig getroffen door het goudgeel van de paardenbloemen die een wonderlijke rust geven in de weilanden.Aangrijpend is de beschrijving van het bezoek van twee ouderlingen.Maarten ziet hen aankomen op het jaagpad.Twee fladderende jassen tegen de wind in fietsende monsters. Het betreft twee herenboeren die zijn doodzieke moeder komen bezoeken. Hij ontwaart in hun gezichten de gevolgen van jenevergebruik. Voor deze mensen is het calvinisme uitgedacht,deze mannen met hun dunne lippen,varkensogen en rode wangen. De jongere ouderling memoreert het overlijden van vader en meent dat God kracht naar kruis geeft. Marten merkt op dat een snelle pijnloze dood een godsgeschenk is. De andere ouderling ontkent dat.Wie snel dood gaat kan zich niet voorbereiden op de dood,op de ontmoeting met de levende God. De ouderlingen ontfermen zich nu over moeder en zij vangen aan met het zingen van een psalm.Moeder kan door de keelkanker niet meezingen.Dat begrijpen de ouderlingen niet.Moeder huilt.Een van de ouderlingen spreekt Maarten aan op zijn afwezigheid in de kerkdiensten. De ouderlingen vergelijken Maarten met zijn grootvader die gold als verstokte zondaar. Maarten deelt mede dat hij nooit belijdenis zal doen. De ouderlingen roepen nu de aandacht op voor het hellevuur. Voor wijzen en verstandigen is het heil verborgen. Ze richten zich nu tot moeder over wat zij verkeerd heeft gedaan. Nu wordt Maarten kwaad:dat gaat u geen bliksem aan. Moeder zegt dat ze tegen de Heilige Geest heeft gezondigd. Moeder wil dat de ouderlingen vertrekken. De ouderlingen maken bezwaar.Ze moeten rapport uitbrengen bij de kerkeraad. Moeder en zoon moeten wellicht afgesneden worden van de gemeente. Moeder persisteert:er is geen vergeving.De ouderlingen gaan bidden,ook voor Maarten opdat hij zal terugkeren tot God. Nu ontvlamt Maarten in woede.Hij valt de ouderlingen aan.Hij schopt ze de deur uit. Hij deelt een pak ransel uit.Met een pook,handen en voeten werkt hij de ouderlingen de deur uit. Hij gooit een van de ouderlingen in het water maar haalt hem er weer uit.Hij moet huilen.Het christendom is bedrog. Het leven is een laaghartige leugen.God lacht satanisch om het lijden.Die God van de Heidelberger catechismus heeft de keelkanker voor zijn moeder uitgevonden. Dan hoort Maarten zijn moeder zingen:dan ga ik op tot Gods altaren,mijn God de bron van vreugd. Moeder gaat sterven. Maarten ziet een zeldzame vlucht regenwulpen boven het donkere riet.Deze gedachte opgeroepen door de regenwulpen die bij het sterven van zijn moeder overvliegen troost hem.Hij houdt zich bezig met theologische lectuur. Hij leent boeken van de studentendominee. Voor Maarten is de kernvraag:is Jezus inderdaad de zoon van de bestaande God. Om een meisje in wit en zwart terug te zien woont Maarten kerkdiensten bij aan de Bloemcamplaan. Hij geraakt in de worsteling tussen het krampachtig proberen het geloof te behouden en het krampachtig proberen het geloof te verliezen.
Maarten worstelt regelmatig met zijn verliefdheden. Wil hij toch liever alleen zijn en isolement koesteren? Is het zo dat Maarten wil verbergen dat hij net zo is als alle anderen die ook allemaal als beren willen neuken. De eenzaamheid van de waterspreeuw lijkt authentieker,onaantastbaarder,een vogel op eigen kracht thuis in alle elementen. In het slot van het boek komt Maarten terecht in Zwitserland waar hij een conferentie met studiegenoten bijwoont.Daar ontmoet hij Adrienne met wie het niet lukt tot een relatie te geraken. Maarten vindt doodgaan onverdragelijk omdat anderen blijven leven. De Zwitserse bergen brengen hem Psalm 121 in herinnering.”IK sla mijn ogen op naar de bergen,vanwaar zal mijn hulp komen. God zal niet toelaten dat uw voet wankelt,uw Bewaarder zal niet sluimeren. Het lijkt wel of nu het ongeloof vermorzelt tot een belachelijke hersenschim. Het lijkt wel of Maarten Gods eeuwenlang zwijgen,Zijn onbewogenheid,Zijn slapeloosheid begrijpt. Maarten komt ten val.Hij wordt naar beneden meegesleurd en probeert zich aan richels vast te houden.Zou hij nu dood gaan?Adrienne spreekt hem als zijn moeder moed in.Zijn lichaam komt tot stilstand.Eindelijk rust hij in het gras.God heeft wel toegelaten dat zijn voet wankelde. Maar God doet hem nu nederliggen in grazige weiden. Maarten beseft dat hij nog nooit zo dichtbij de dood was. Maarten had nog een afspraak lopen met de zuster van Martha. Hij schrijft haar af.Hij moet alleen blijven.Hij maakt zich los van dromen en dwanggedachten. Een vredig gevoel maakt zich van hem meester