Geloven met mijn brein deel 1

Geloven met mijn brein deel 1

In de jaren zestig toen wij theologie studeerden aan de Universiteit van Utrecht en aanvingen met onze eerste werkzaamheden werden wij sterk beïnvloed door de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer, die beroemd werd om zijn brieven uit de gevangenis waar de NAZI’S hem hadden gedetineerd. Hij kwam niet vrij en werd op 9 april 1945 opgehangen. Zijn brieven werden onsterfelijk. Bonhoeffer gelooft dat wij in dit leven en in al het goede dat wij ontvangen God ontmoeten. We mogen God vinden en liefhebben in wat Hij ons geeft God wil ons laten genieten van het overweldigende aardse geluk. Bonhoeffer gelooft dat God geëerd wordt als wij het leven dat Hij ons gaf  ten volle aanvaarden, uitbuiten en beminnen en dus ook eerlijk en sterk de pijn ervaren om geschonden of verloren levenswaarden. Volgens Bonhoeffer kunnen wij mensen niet langer religieus zijn. Het christendom is altijd uitgegaan van het religieus a priori. Maar zo zegt Bonhoeffer, het a priori bestaat niet. Bonhoeffer kiest voor een a religieuze wereld. Hoe spreken wij over God zonder religie, zonder tijdgebonden vooronderstellingen van metafysica. Religieuze mensen laten God als Deus ex machina opdraven. Zo wordt God een schijnoplossing voor onoplosbare problemen. Bonhoeffer wil van God spreken, niet aan de grenzen maar in het centrum, niet bij zwakheid maar bij kracht, niet bij dood en schuld maar bij het leven en het goede van de mens. Midden in het leven is God transcendent. Naar de mening van Bonhoeffer zijn gerechtigheid en het Rijk van God middelpunt van alles. Het gaat nooit om het hiernamaals maar om deze wereld, hoe wordt deze wereld geschapen, in stand gehouden, aan wetten gebonden, verzoend en vernieuwd. Het Oude Testament is doorslaggevend voor zijn visie op het nieuwe Testament. Volgens Bonhoeffer dragen wij God en de hele wereld in ons. God mag niet gebruikt worden om de lacunes in onze kennis aan te vullen. In wat we kennen moeten we God vinden. God wil begrepen worden in de opgeloste vragen. Mensen leren grote problemen op te lossen zonder terug te vallen op de werkhypothese God. De mondig geworden wereld leeft zonder Gods voogdij. De gelovige mens moet het aardse leven tot de bodem doorleven net als Jezus die riep: “God, mijn God waarom hebt u mij verlaten”?
Volgens Bonhoeffer wil god dat wij mondige mensen leven als degenen die hun leven inrichten zonder God. De God die ons in de wereld doet leven zonder de werkhypothese God, is de God voor wiens aangezicht wij staan. De christen is geen homo religiosus maar gewoon een mens zoals Jezus mens was. Jezus bestaat alleen voor de ander. Dat zijn voor de ander is de beleving van de transcendentie. Geloven is deelnemen aan het bestaan van Jezus. Iedere naaste vlak bij ons is het transcendente. God wordt niet gevonden in het metafysische. In de gekruisigde Christus is God er voor anderen.
Voor ons was de doorbraak bij Bonhoeffer dat God niet valt te vinden in het metafysische. God is in de wereld. Wij dragen God en wereld in ons zelf. God is midden in het volle leven. De transcendentie van God is dat Hij in Jezus met ons samen is. Religie leidt ons af van de wereld. God bemint juist het aardse leven.

Metafysisch verstaan van God

In zijn (Beyond the Big Bang) noemt Drees God  “the principle of otherness”‘ Hij wil God niet verstaan vanuit het eschaton dat berust op een verlangen naar een oneindige toekomst. God brengt ons geen schone toekomst. Dat zou het determinisme van een happy end impliceren. Dat betekent ook dat onze verantwoordelijkheid voor wat nu gebeurt, wordt weggenomen. Wat de Bijbel vertelt over het koninkrijk van God heeft relevantie voor hier en nu:
oordeel over de huidige toestand: het is niet zoals het zou moeten zijn.
oproep tot bekering,tot handelen als antwoord op dat oordeel
troost in situaties van onrecht, falen en lijden.
Drees karakteriseert God als principe van contrast, iets dat in elk  heden, dat heden ook weer te bovengaat.
Taede A Smedes is ten aanzien van het metafysisch naturalisme terughoudend. De werkelijkheid is gesloten. Er zijn geen bovennatuurlijke oorzaken. Het gedrag van mensen wordt herleid tot neuronale processen in onze hersenen. Smedes gaat in confrontatie met hersenwetenschappers als Swaab. Hij stelt dat het niet juist is te veronderstellen dat ons bewustzijn niets meer is wat zich in onze hersenen afspeelt. Hij acht het voorbarig om bewustzijn en fysische processen te identificeren. Van Bonhoeffer heb ik geleerd dat we voor God niet een aparte rol moeten bedenken. Wij onderzoeken, ontleden, vergelijken en concluderen. Smedes is voorzichtig. Een
reductie van werkelijkheid tot het domein wat voor natuurwetenschappelijke operaties toegankelijk is of tot het domein van wat wetenschappelijk kenbaar is levert volgens hem een verlies van werkelijkheid op. Smedes meent dat subject en object niet los van elkaar staan maar op ontologisch niveau nauw op elkaar betrokken zijn of zelfs ontologisch verstrengeld. Smedes is pienter in het ontdekken van vluchtwegen om God veilig te stellen. Hij omschrijft Gods transcendentie (in navolging van Arjan Marcus) als
“Gods being other than the universe in being beyond its limits and limitations”.
God is volstrekt anders dan wij kunnen denken. Op deze wijze wordt Gods transcendentie voor ons ontoegankelijk. We zullen de moeilijkste weg moeten volgen. Wij zijn een product van de evolutie maar zullen deze evolutie aansturen met onze technologie.

Het metafysisch verstaan van God raakt op gespannen voet met onze werkelijkheid voor zover we deze kunnen overzien en verstaan. Metafysisch verstaan van God opent de deur voor bovennatuurlijk ingrijpen in onze werkelijkheid. De wetenschap heeft onze ogen geopend voor het
feit dat allerlei godsdienstige opvattingen over onze werkelijkheid hebben afgedaan. Metaforen die door religies worden gehanteerd blijken niet meer bruikbaar in ons tijdsgewricht. (W.C. van Zijll Langhout). Van Bonhoeffer hebben we geleerd dat de deus ex machina moet worden uitgebannen. Wij mensen moeten onze eigen verantwoordelijkheid nemen zonder God een door ons aangepaste rol toe te kennen. De eerlijkheid betekent dat we onze werkelijkheid accepteren en ons niet afhankelijk maken van een bovennatuurlijke werkelijkheid. Gemakkelijk is dat niet omdat we zo vertrouwd zijn geraakt met bovennatuurlijk ingrijpen.
Drees (Van niets tot Nu) zegt terecht dat we geen vanzelfsprekend metafysisch kader meer hebben. Maar dat betekent volgens mij niet dat God moet worden afgeschreven. Mijn leven lang heb ik me afgevraagd of ik bij machte en in staat ben God weg te laten. Als kind leerden we God als bondgenoot kennen, beeldloos, ondoorgrondelijk en niet grijpbaar. Ik ben mij van mijn eigen eindigheid bewust en ervaar de betrekkelijkheid daarvan. Ik wil niet vluchten in de metafysica. Ik reken God tot grond van mijn werkelijkheid. Ik wil met respect daarover spreken. Charles Misner heeft gezegd: “Te zeggen dat God het heelal geschapen heeft, verklaart noch God noch het heelal maar het houdt ons open voor geheimen van ontzagwekkende majesteit die we anders misschien zouden veronachtzamen”. Mijn werkelijkheid is voor mij een compleet geschenk. God is daarentegen  dragende grond van mijn bestaan. Wij mensen willen graag doelen toekennen. God komt ons vaak goed uit, maar in de evolutionaire ontwikkeling is geen doel te bespeuren. Dingen gebeuren zoals ze gebeuren. Ook mutaties in de evolutie gebeuren, Wij mensen maken geschiedenis en leveren informatie over van generatie op generatie. Daarin kunnen doelen bedacht worden. Wij mensen zijn er eigenlijk bij toeval. De dinosaurussen werden getroffen door een ramp (meteoriet of komeet uit de ruimte). Dat leidde tot de mogelijkheid van onze verschijning als mens van wie Stephen Gould zegt dat de mens “een kleine twijg is aan een onwaarschijnlijke loot van een toevallige tak van een gelukkige boom.”
In de zestiger jaren zijn we gefascineerd geraakt door Teilhard de Chardin. Hij liet wetenschap en geloof convergeren. We leerden de evolutie te aanvaarden. Zoals een wit papier een tekening draagt zo draagt God mijn bestaan. Teilhard zag nog het doel van de evolutie; het punt omega wanneer Christus zijn taak volbracht heeft en God alles in allen wordt. Tijdens mijn verdere leven heb ik Teilhard gecorrigeerd door de Proces Theologie en later door de visie van Drees. Het heeft bevrijdend gewerkt in mij prediking en pastoraat. Ik ontdekte ook dat ik meer in de lijn van Bonhoeffer ging denken. Ik besef dat mijn geloof toevallig Is. God is mij toegevallen. Ik heb God ontdekt of God heeft mij gevonden. Ik zal het nooit weten. Ik weet zeker dat ik zelf geen God ben. De Godsvraag blijft mij fascineren. Vooral mystici als bv Al-Gazali en Eckhart hebben mij geïnspireerd God te blijven zoeken. Maar niet God om de gaten in mijn kennis mee op te vullen.

Mensen als mogelijkheid van materie.

Naar de mening van Drees(De mens: meer dan materie) wordt de concrete samenhang van de wetenschappen het eenvoudigst begrepen als aanwijzing voor constitutief reductionisme. Onze werkelijkheid is een eenheid in die zin dat alle dingen uit de zelfde bouwstenen bestaan. De natuurkunde biedt de beste beschrijving van de bouwstenen en dus van de werkelijkheid op het meest elementaire niveau. Alle verschijnselen komen voort uit natuurlijke processen. In dit verband verkiest Drees de term ontologisch naturalisme. De natuurlijke werkelijkheid is de hele werkelijkheid die wij kennen, die op ons inwerkt en waar wij op inwerken. Binnen onze werkelijkheid toont zich nergens een spiritueel domein los van de natuurlijke werkelijkheid, ook niet in het menselijk denken en beleven. Ik herinner me uit de zestiger jaren dat ik de diepe val meemaakte vanuit het vertrouwde scheppingsverhaal in dit ontologisch naturalisme. God raakte ik kwijt. Ik slingerde de Bijbel vanuit de ene hoek in mijn kamer naar de andere. Ik moest emigreren naar een andere wereld en geloofde dat ik God opnieuw zou vinden. Ik besefte dat God en ik op een andere manier tot elkaar stonden. De vanzelfsprekende kaders vervielen maar ons bestaan bleef toch een mysterie. Ik moest leren God niet binnen het mij vertrouwde kader te beleven. Ik moest de God verliezen die van buiten af ingreep. Maar tegelijkertijd wilde ik God vasthouden als grond van mijn bestaan. De toespraak van Paulus op de Areopagus bleef me fascineren. In God die zich niet door ons mensen laat dienen leven wij, bewegen wij ons en zijn wij. Na mijn emigratie ontdekte ik dat de evolutie mij heeft toegerust tot mogelijkheid van verbeelding. In mijn innerlijk ontdekte ik verlangen naar andere werkelijkheid, naar een andere mogelijkheid. Het joodse profetisme heeft me daarin gesterkt, Mensen blijken zoals Drees het zegt een mogelijkheid van materie die op een heel bijzondere manier is georganiseerd. De mens is een product van de werkelijkheid van de evolutie, van aanleg en opvoeding, van natuur en cultuur. De mens heeft meer de mogelijkheid tot reflectie dan andere ons bekende soorten. Mensen zijn begiftigd met geheugen en communicatieve vaardigheden.
Philip Hefner (De mens: Meer dan materie) spreekt over de bio- culturele fase die is aangebroken in de evolutie. De evolutie heeft een wezen voortgebracht: de homo sapiens, die zin zoekend en zin scheppend is. De mens is drager van vrij en doelgericht gedrag. Volgens Hefner is Jezus Christus de normatieve uitdrukking van het beeld Gods in de schepping. Hefner interpreteert de mens als geschapen medeschepper. De homo sapiens is een knooppunt waar twee informatiestromen samenkomen en naast elkaar bestaan. De ene stroom bestaat uit overgeërfde genetische informatie. De andere stroming bestaat uit culturele informatie. Beide stromen komen samen in het centraal zenuwstelsel. Beide stromen vormen een eenheid. De informatie die we cultuur noemen blijft niet opgeslagen in het menselijk zenuwstelsel. Deze informatie wordt opgeslagen buiten het menselijk lichaam als zogenaamde extra- somatische informatie. De homo sapiens is voortgekomen uit een deterministisch proces dat teruggaat tot de oorsprong van het heelal. Binnet deterministische proces is vrijheid ontstaan. De mens wordt uitgedaagd tot reflectie. Dat betekent dat de mens de omgeving exploreert om passend gedrag te overwegen. De mens overweegt alternatieve beslissingen en gedragswijzen. Relaties met en welzijn van andere individuen worden gerespecteerd. Dat duidt op de biologische grond van waarden. De moraliteit doet intrede. Vrijheid is verbonden met verantwoordelijkheid. De mens beschikt over het vermogen om betekeniskaders te vormen waarbinnen de concrete gegevens van de ervaring en de implicaties daarvan zin krijgen. Moraliteit is in sterke mate afhankelijk van de constructie van zulke kaders. Het menselijk centraal zenuwstelsel is buitengewoon competent in het vormen van deze kaders. Volgens Hefner vormen religies verzamelingen van zulke betekeniskaders.
Volgens Hefner is de homo sapiens geëvolueerd als een wezen dat op zoek is naar zin. Zijn centrale zenuwstelsel is een competent instrument voor het zoeken en beschrijven daarvan. Zoals gezegd onderscheiden we genetische en culturele informatie. Cultuur wordt gedefinieerd als aangeleerde en doorgegeven gedragspatronen en de symboolsystemen die kaders vormen voor dit gedrag.
waarbinnen  het gedrag geïnterpreteerd wordt en gerechtvaardigd. De menselijke hersenen zijn een geschikt orgaan voor een wezen dat cultureel is en dat voor de uitdaging staat zin te zoeken. De menselijke hersenen onderscheiden zich door hun vermogen informatie te verwerken, waaronder ook valt het construeren van kaders die de gegevens interpreteren die de hersenen ontvangen. De kaders en interpretaties die we construeren kennen betekenis toe aan de gegevens van onze ervaring. De mens is ontstaan als een wezen dat zich zelf kan begrijpen en dat zowel de mogelijkheid heeft de natuur en zich zelf te bepalen als om op die bepaling op een verantwoordelijke manier te reageren. In de jaren zestig werd ik heftig beïnvloed door Teilhard de Chardin die de vermenselijking van de natuur en van de evolutie van de natuur op de voorgrond stelde, Hij opende wegen die uiteindelijk ons later gebracht hebben bij Drees en Hefner. In de christelijke theologie stellen we dat de natuur betekenis heeft en dit impliceert dat de natuur uiteindelijk het karakter van de schepper God weerspiegelt. Betekenis draagt een uitzonderlijk karakter. Zonder betekenis is menselijk leven onmogelijk. In theologisch jargon kunnen we volgens Hefner zeggen dat betekenis een geloofsdaad is.
Drees en Hefner helpen ons te ontdekken hoe het mogelijk is met mijn brein te kunnen geloven. Wij mensen kennen de betekenissen toe. Ons geloof speelt zich af in mijn hersenen. Ik kan dan ook de bezwaren van Michel Onfray tegen God begrijpen maar ook weerstaan
(zie zijn Traité d’athéologie).

HET BREIN

Ons brein is complex en niet gemakkelijk te verstaan. Alle cellen in onze hersenen, het gaat om miljoenen, onderhouden connecties met elkaar, ze ontwikkelen zich en verdwijnen weer. Drees (Religion, science and naturalism) onderscheidt diverse subsystemen binnen ons brein:

“The oldest structures, evolutionarily speaking, are located close to the spinal cord. The medulla (brainstem) regulates involuntary functions such as respiration, circulation, and digestion. The cerebellum regulates movement and balance. The hypothalamus has to do with the production of hormones. Hunger and satisfaction are regulated here; uncontrollable eating disorders can be seen as a disturbance at this level. Even though full-fledged emotions are more closely  connected to the next level (the limbic system) this deeper level regulates the expression of many emotions, for example  blushing (even if you do not want to) compulsive laughing or crying and blind anger.

Drees vraagt zich af wat er precies in ons hoofd gebeurt bij religieuze praktijken (meditatie, zang, stilte, branden van kaarsen). We weten dat niet. Men kan zich in navolging van bv Dietrich Ritschl afvragen of religie plaats vond toen de mensen niet langer alleen jaagden maar zich begonnen te vestigen in bewoonbare nederzettingen als dorpen. Religie is dan een levensvorm om te overleven in gemeenschappen. Er doen zich allerlei vragen voor. Mensen zijn subjecten die ervaringen hebben en besluiten nemen. Mensen kunnen in navolging van Martin Buber zich beleven als personen die zich tot God verhouden van IK tegenover JOU. Ik behoef geen plek te zoeken in het brein, Ik ben mijn brein. De biologie van morele en religieuze systemen zijn verweven met de schepping van cultuur. Menselijk altruïsme is gekoppeld aan menselijke cultuur voor de samenwerking tussen de mensen. Religie speelt een rol in de schepping van cultuur. We onderscheiden dus de genetisch gedetermineerde vermogens (brein) en de culturele informatie (taal) Mensen kunnen geen mensen zijn zonder cultuur. Maar cultuur kan er niet zijn zonder brein. Mijn morele intuïties kunnen niet verklaard en gerechtvaardigd te worden met verwijzing naar supernaturelle oorsprong. God is een menselijke vondst die ons leven kan leiden. Religie is een verschijnsel binnen onze werkelijkheid. Religie confronteert ons met de verantwoordelijkheid voor wat wij doen met deze wereld. Wij gebruiken metaforen, concepten en beelden met het oog op een moreel en spiritueel goed leven. De gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan leert ons om te gaan met een vreemdeling uit een andere cultuur. De mens is begiftigd met het vermogen van verbeelding. De mens kan zijn situatie beschouwen vanuit verschillende perspectieven. Drees besluit met de woorden:

”Our knowledge and our capacity for knowledge have arisen in the midst of life, and we are to usehere att all, it will have to be there. They allow us to wonder about that which transcends and sustains our reality but all the time we wander in the reality in which we live, move and have our beinng;to its future we contribute our lives “.

Zo keren we terug naar Bonhoeffer. Geen God meer die als stoplap dient, God is in ons en wij zijn in God te midden van ons leven.
Wij spreken over God. Maar welke God? Adriaanse (in Een beetje Geloven onder redactie van W.B. Drees) stelt dat God ook iets anders zou kunnen zijn, een niet persoonlijk wezen: een alles omvattende samenhang, een allesbepalende kracht, een onachterhaalbare oorsprong van alle dingen, een vonk van inspiratie. Hoewel ik door mijn opvoeding vertrouwd ben geraakt met God in Jezus Christus heb ik toch in relatie met aanhangers van andere godsdiensten die ik heb ontmoet ervaren dat de God in Jezus Christus meer omvattend, boven alles uitgaande is. Ik wil denkend geloven. Adriaanse leert ons aan beiden vast te houden: denken en geloven. We mogen niet voorbijgaan aan de overtuigende resultaten van wetenschappelijk onderzoek. Deze moeten corrigerend werken op de voorstellingswereld van ons geloof. De mens is en blijft materie. Maar, zo zegt Drees (Een beetje geloven) dat haalt ons mensen niet naar beneden maar de materie omhoog. Materie op de juiste wijze georganiseerd kan vliegen, zwemmen en graven maar ook praten, bidden, mediteren en denken. Er zijn geloofsvoorstellingen die een ongeloofwaardige breuk veronderstellen in de natuurlijke processen. We denken dan aan Koninkrijk van God, nieuwe hemel en aarde, de overwinning van de dood. Denken komt in conflict met geloven. Als materie besef ik dat ik kan reflecteren over andere werelden. Hoop kan een motor zijn in mijn reflectie. Mijn werkelijkheid is niet vanzelfsprekend. Mijn wetenschappelijke bevindingen hebben een open eind. God is onze dragende grond in ons werkelijkheidsbeleven. (John Fowles zegt dat zoals de stilte een sonate mogelijk maakt en het witte papier een tekening draagt, zo denk ik over God als de grond van het bestaan, zie zijn The  Aristos). Jezus, optreden is niet te overzien en te verstaan uit de voorafgaande geschiedenis. Jezus, is een mutatie die nieuwe aspecten van onze werkelijkheid toegankelijk maakt. Jezus was een mutatie in de cultuurgeschiedenis. De bovengenoemde reflectie van onze materie sluit niet de wegen af van mutaties. Jezus, trapt vanuit de wereld gevangen in het recht  van de sterkste, de slimste die alles selecteert de deur open naar solidariteit met de minste, de zwakke.
Zoals al gezegd vertonen onze hersenen een indrukwekkende complexiteit. De hersencellen staan in een gigantisch netwerk met elkaar in verbinding. Deze verbindingen komen en gaan. Binnen het zenuwstelsel zijn er verschillende deelsystemen. De hersenen ontstaan als een verdikking aan het eind van het ruggenmerg. Onze hersenlagen corresponderen met de verschillende stadia in de evolutie. De hersenstam regelt onze spijsvertering, onze ademhaling, de hartslag, afscheiding van speeksel en het knipperen van de oogleden. De bij de hersenstam gelegen hypothalamus is betrokken bij de productie van hormonen en ons seksuele gedrag. Ook onze honger, dorst, verzadiging en emoties worden hier geregeld. Dan zijn er de kleine hersenen die een rol vervullen bij het bepalen van houding en evenwicht. We spreken hier van een ontstaansgeschiedenis van circa 500 miljoen jaar geleden. Ruim 200 miljoen jaar geleden ontstond het limbische systeem. Deze liggen rondom de hersenstam. Hier treffen wij de emoties als agressie en liefde, ook de reukzin treft men hier aan. De emoties staan niet helemaal onder bewuste controle. We onderscheiden verder de neocortex of nieuwe hersenschors. De neocortex maakt onze waarneming scherper. Verschillende vormen van waarneming, (zien, horen en tasten) raken op elkaar betrokken. Ook is het de neocortex die het mogelijk maakt om te gaan met symbolische informatie (taal). Dat kwam in 100.000 jaar tot krachtige ontwikkeling. Onze linker hersenhelft stuurt de processen in de rechter helft van ons lichaam. De rechter hersenhelft de linkerkant van ons lichaam. De centra die spreken mogelijk maken worden links ontwikkeld.
De centra die met ruimtelijk inzicht te maken hebben zitten rechts. Drees in zijn (Heelal, mens en God) weet eigenlijk niet wat er gebeurt in onze hoofden bv door religieuze gebruiken, maar dat er wat gebeurd lijkt duidelijk. Onder verwijzing naar Jeremia 20:7-10 stelt de theoloog B. Klein Wassink; de innerlijke communicatie binnen onze hersenen aan de orde. De stem van God zou een rationele beschrijving als van buiten komend zijn van signalen van de rechter aan de linker hersenhelft. We moeten ontkomen aan de tegenstelling van onze eigen autonomie (baas in eigen huis) en heteronomie (God van buiten af werkend). Drees introduceert God als een hypothese waarin uitgedrukt wordt dat er spanning is tussen de werkelijkheid en het wenselijke, waarbij wij op weg in de werkelijkheid ons willen oriënteren op het wenselijke. Voor ons, is God, DE ANDER, die ons uitnodigt tot de wenselijke werkelijkheid. Zo wordt bidden wensen, uitzien naar een identiteit die er nog niet is, verwachten vanuit onvrede met wat is. Drees schept duidelijkheid. God bestaat in ons. Godsvoorstellingen zijn altijd menselijke voorstellingen. God kan als mysterie worden ervaren. God heeft geen andere handen dan de onze maar ook: wij zijn in Gods handen.
Toch wordt ons geloven in ons denken vaak ernstig beproefd. Er gebeuren vreselijke dingen: ziekte, dood, geweld, honger en overstroming. Het fysieke en psychische kwaad wordt door ons maar moeilijk verwerkt. Het roept zoveel vragen op. Darwin was diep bedroefd door de dood van zijn dochtertje Annie. Darwin verloor het geloof in een goedaardige en zorgzame God. In religie kon hij geen troost meer vinden. Haar dood opende Darwins ogen voor de wrede werkelijkheid: de natuur is niet goed of slecht maar afschuwelijk onverschillig. Darwin knapte af op de God als Schepper die overal in voorziet. Een almachtige en liefdevolle God kan niet de sluipwesp scheppen die levende rupsen van binnen uit opeten. Wat wij kwaad noemen ondermijnt ons geloven. Er zijn onderzoekers geweest (vergelijk Chris Buskes in zijn boek Evolutionair denken) die menen dat religie in onze genen zit. Religieuze gevoelens zijn lokaliseerbaar in de neurale structuren van ons brein. Deze hersengebieden wordt met de term God spot aangeduid. Bij religieuze mensen worden verhoogde activiteiten in de frontaalkwab en limbisch systeem waargenomen. De vraag die zich bij deze neurotheologie voordoet is: zijn spirituele ervaringen de oorzaak of het effect van zulke hersenactiviteit. Maakt God de God spot of maakt de God spot God? Buskes wil religie niet weg verklaren. Ontzag voor het hogere en onbegrijpelijke zit in ons allen. Niet gelovigen delen vaak met gelovigen de verwondering over het bestaan. De moraal is niet uit de lucht komen vallen. Deze is stevig verankerd in onze biologie. De evolutie heeft ons uitgerust met functionele emoties die we ons geweten noemen. Zelfzuchtige genen die wij rijk zijn en oprechte betrokkenheid sluiten elkaar niet uit.
In de jaren zestig werd ik geïnspireerd door J.M. de jong die toen rector was van het Seminarie van de Hervormde kerk. Zijn geschriften over geloof en natuurwetenschappen verslonden wij Volgens de Jong gaan geloven en weten wel eigen wegen maar deze wegen convergeren. Zij hebben deel aan de ene volle waarheid van God. (zie het boek Voorrang aan de Toekomst. De natuurwetenschap heeft het verheven gebouw van bovennatuur en metafysica ondermijnt. Bovennatuurlijke factoren zijn overbodig, onwenselijk en storend voor de verklaring van natuurlijke feiten en samenhangen. Volgens Jong (let wel zestiger jaren) zal het spreken over God in metafysische zin, in een zekere ontnuchtering zich tot zwijgen genoopt voelen. De Jong verwijst naar het adagium van Wittgenstein, waarvan men niet kan spreken, daarover moet men zwijgen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.