Habitat

Habitat

Lezing voor studenten van de HRO in Las Palmas op maandag 21 mei 2007 

Habitat 

Habitat is het natuurlijke woongebied, waarin sprake is van een complex van milieufactoren. De mens is het natuurlijke woongebied toegewezen. De oermens, de homo sapiens, is bij toeval verschenen toen meteorieten de aarde troffen en het leven van dinosaurussen onmogelijk maakten. Wij behoren tot de aapachtige. Denk aan de gorilla van Blijdorp, deze gorilla is van ons een broertje in de evolutie. Maar wij, mensen, zijn onze eigen gang gegaan. Op een dag sprongen wij uit de bomen van de jungle en betraden het savannegebied in Afrika, want daar liggen onze sporen. Wij gingen op twee benen staan, dat leek ons handiger. Wij ontwikkelden ons niet tot grote en sterke dieren zoals de gorilla, die wel 180 kilo kan wegen. Nee, bij ons was het zo dat de hersenen zich ontwikkelde, hoewel andere aapachtige ook best een hoge intelligentie kunnen hebben. Er zijn apen die je zeshonderd woorden kunt leren. Maar wij, mensen, hebben ons op dit punt uitermate goed ontwikkeld. De aarde is uiteindelijk volgelopen met mensen en we moesten zelfs onze groei gaan beïnvloeden.  

De Habitatconferenties werden gehouden in de jaren zeventig en negentig. In Habitat I vroegen wij ons af hoe wij de watervoorraden en het sanitair in de wereld konden verbeteren. Ik kan mij nog altijd de situatie herinneren in Indonesië, waar ik stammen in het binnenland bezocht die gebruik maakten van de rivier om hun behoeften te doen en om te douchen. In een heel dun bevolkt gebied is dat ook ideaal, maar zodra een gebied dichter bevolkt raakt, zijn sanitaire voorzieningen noodzakelijk. Habitat I onderschreef ook het recht op huisvesting, want te veel mensen in deze wereld leefden nog onder afdakjes en in bizar slechte woningen. 

In Habitat II ging het om de noodzaak van participatie van een community in programma’s van acties voor duurzame ontwikkelingen op lokaal niveau; een typische conferentiezin. Waar ging het nu precies om? Mensen moeten horen. Mensen willen gehoord worden. Mensen willen meepraten, meeluisteren, meedoen en meedenken. Dat is van belang. Je moet daarvan niet uitgesloten worden. Participatie en verantwoordelijkheid, daar gaat het om. De mens behoort recht te kunnen antwoorden. Wij denken aan het verhaal van Adam en Eva, die afweken van de afspraken. De Here God kwam gezellig op bezoek en miste de mensen. Hij riep: “Adam, waar ben je”, want die had zich inmiddels verborgen. Adam besefte dat hij zich niet aan de afspraak had gehouden, maar hij was slim en verschool zich achter de vrouw. De vrouw was ook slim en zij verschool zich achter de slang, die gesproken had. Zo zijn wij mensen: nooit recht bekennen, maar ons achter een ander verschuilen. Verantwoordelijkheid wordt aangetast. De Duitse filosoof Habermas heeft gesproken over de kolonisering van het leven. Hij zette uiteen dat regels, wetten, experts en organisaties door dringen in het privé-leven van mensen, zodat er bijna geen verantwoordelijkheid meer overblijft. De mensen kunnen alleen hier en daar nog wat voorgeschreven rolletjes vervullen. Daarom roep ik altijd mensen op om te denken aan het creatieve anarchisme, anarchisme als het zelfregulerend vermogen om het kostbare goed van vrijheid in te vullen in verantwoordelijkheid voor de mensen met wie je leeft. Natuurlijk leven wij in een wereld waarin dit zelfregulerend vermogen niet wordt bevorderd, waarin het ook vaak onvoldoende wordt gerespecteerd. In hiërarchische systemen wordt van bovenaf geregeerd en worden regels opgelegd. Overal doemen mensen op die mijn vrijheid willen beperken of zo mogelijk te niet doen. 

In zijn schilderij ‘Avond in de Karel-Johanstraat’ uit 1892 gaat Edvard Munch in op deze anarchistische levenswijze. Munch gebruikt de grote boulevard in het centrum van de stad Christiania als toneel voor zijn drama van eenzaamheid, angst en vervreemding. Wij zien het deel van de boulevard dat op het parlementsgebouw uitkomt. Doordat Munch de voorste personen van brede stroom voetgangers op de stoep aan de onderste rand op borst- of taillehoogte laat beginnen, weet hij op overtuigende wijze de indruk te wekken van een benauwende mensenmassa. Munch bekijkt de burgerlijke maatschappij met de ogen van bohémien: de mannen marcheren met hoge hoeden op, de vrouwen dragen elegante hoofddeksels. Ondanks het feit dat ze hun ogen wijd opengesperd hebben, zijn hun gezichten gesloten. Opgesloten in de dwangbuis van de burgerlijke normen veroorzaken ze een klimaat een moralistische onderdrukking. Bijna symbolisch kijkt het parlementsgebouw, waar immers de wetten en de orderegels afgekondigd worden, met zijn felverlichte gele en witte vensters als met ogen op het gekrioel neer als bewaker en hoogste vertegenwoordiger van deze maatschappij. Pas nu herkennen wij de eenzame figuur die we op de rug zien en die alleen op de weg loopt, langs de stroom mensen heen of liever gezegd: er tegenin. De betekenis laat zich raden. De dagboeken van Munch bevestigen ons vermoeden. Alle voorbijgangers zagen hem zo vreemd en zonderling aan en hij voelde dat ze hem ook zo aankeken – aanstaarden – al die gezichten – bleek in het avondlicht. Hij wilde een gedachte vasthouden, maar het lukte hem niet. Hij had het gevoel dat zijn hoofd hol was – en toen probeerde hij zijn blik op een raam ergens boven te vestigen – en weer kwamen de voorbijgangers er tussen. Hij trilde over zijn lichaam, het zweet brak hem uit.  

Je probeert als mensen tegen de stroom in te roeien, tegen de draad in te gaan. Soms lukt het, soms mislukt het.Saul Alinsky heeft gezegd dat wij de krachten zullen moeten bundelen om macht uit te oefenen over ons eigen leven. Daartoe is het noodzakelijk om in opstand te komen, te demonstreren, burgerlijk ongehoorzaam te zijn, je te verzetten, oppositie te plegen. Zeer onlangs mocht ik met een anarchistische kraakgroep een pand kraken. Dat is op zichzelf al een belevenis. Je slaat toe. De politie verschijnt. Er vindt overleg plaats. De machten slaan toe. Allerlei dure advocaten verschijnen en weten je te vertellen dat jij ongelijk hebt. Men gaat druk uitoefenen op autoriteiten. Er vindt een juridisch steekspel plaats. Toch is het plezierig om te merken waarin mensen zich verenigd voelen: het belang van hen die geen ruimte hebben. Wij leven in de postmoderne stad. Die stad is een smeltkroes geworden. De heterogeniteit is sterker dan ooit. Er is minder common sense. De intolerantie is groter geworden. Het individualisme is sterker dan ooit en heeft ook negatieve kanten: minder samenwerking, minder sociale controle, minder solidariteit. Dat alles kan weer leiden tot een onveilig gevoel in de openbare ruimte.  

Wanneer wij het over habitat hebben is het cruciaal wat de verhouding is tussen het private, de privacy en de publieke ruimte, de openbare ruimte, de overheid. Naar mijn stellige overtuiging moet er altijd sprake zijn van een balans tussen het private en het publieke. Je wordt niet alleen op je privacy afgerekend, maar ook op je gedrag in de straat want daar woon je ook. De openbare ruimte is immers een bijdrage aan integratie, inburgering. Het is een plek van ontmoeting. Daar ontwikkelen wij met elkaar de social city. Hoe kan een vrouw leven zonder de blik van de man, de gretige toeschouwer van haar leven? Je kunt ook zeggen: Hoe kan een vrouw leven zonder de uitstraling van een man die haar ziel bemint? U voelt het verschil. 

Wij zullen nooit de openbare ruimte moeten opgeven. Dat is fataal. Wij zullen zelf zin moeten geven aan de stad. Laten wij daarom geen ruimte geven aan fascistoïde krachten van bloed en bodem, repressie en terreur. De social city moet worden bevochten. De verleiding is thans groot en het proces is reeds begonnen om de openbare ruimte te privatiseren. Wij stichten liever home territories met camera’s, slagbomen, politie en security. We vergeten dat het veiligheidsgevoel afgeleid wordt uit het sociale gevoel. Veiligheid is een doel op zichzelf geworden. Wij bouwen meer gevangenissen, plaatsen overal camera’s, meer mensen komen op één cel, de identificatieplicht wordt ingesteld. Je wordt overal gecontroleerd – zoals ik onlangs op Schiphol meemaakte, zelfs tot in je kruis. Toen ik bezwaar maakte, kwam er een hoofd die zei dat daar ook explosieven kunnen zitten. Wat wij doen in deze openbare ruimte is onszelf drukken op de ander. 

Ik besef dat er in de publieke ruimte zeker sprake is van risico’s, onzekerheden en kwetsbaarheid. Er is iets als een delicate balans tussen de intieme anonimiteiten. Er heerst ook wel eens een zekere onverschilligheid. Er is ook sprake van een onderlinge afhankelijkheid op afstand. Zo gaan wij met elkaar om in de openbare ruimte. Eigenlijk zouden wij elkaar op natuurlijke wijze moeten surveilleren, maar het is helaas niet goed gegaan. Vroeger kenden wij de stadsmuren, nu kennen wij de bewaakte vestigingen, bewaakte ingangen. Warenhuizen en discotheken worden ook bewaakt. Wij bouwen huizen, waarin wij de eigen onderlinge gezelligheid nog proberen hoog te houden en met kleine raampjes zien wij uit op de openbare ruimte waar de grote gevaren dreigen. De stedelijkheid wordt aangetast, want stedelijkheid betekent datgene wat een stad aantrekkelijk maakt, zodat ik mij er thuis kan voelen: in een restaurant, een shop, een boetiek, een warenhuis, een schouwburg, een discotheek of de Kunsthal. Habitat impliceert dat een stad je moet opwinden en uitdagen. Economische, sociale, culturele en ecologische dimensies integreren met elkaar. De stad wordt een netwerk dat een alliantie sluit met allen, ook met de verslaafde hoeren, vrouwen met boerka’s en gestoorden. Zij allen horen erbij, want stedelijkheid is gebaseerd op een gedeeld belang. Er mag nooit sprake zijn van een dominante taal of een dominantie religie. Dan hebben we het weer over bloed en bodem. Dan scheppen wij tegenstellingen in de samenleving, zoals anti-islam of antibuitenlander. Laten wij niet vergeten dat armoede een ernstig etnisch gekleurd probleem is. Wij weten dat de helft van de Marokkanen beneden de armoedegrens leeft. Je kunt ook zeggen: De helft van die Marokkanen leeft boven de armoedegrens. Prachtig. Ja, inderdaad prachtig. Toch zullen we ons het lot moeten aantrekken van die andere helft. Armoede is niet alleen een probleem dat met weinig inkomen samenhangt, maar het is ook afhankelijk van bepaalde bestedingspatronen. Er zijn culturele factoren in het geding. Een buitenlander die hier woont, wil graag met zijn familie bellen. Dat betekent hogere telefoonkosten. Hij wil die familie ook wel eens bezoeken als dat kan. Dat kost ook geld. Bovendien wordt hij geacht de familie in zijn eigen land financieel te steunen.  

Er is veel gedroomd over habitat. Men heeft in Brazilië eens de stad Brazil ontwikkeld. Een prachtige, centralistische stad, maar toch wat kil. Hotels in het centrum, veel gelegenheid om te werken. De rijken en de armen wonen wat ver weg. Eigenlijk is er in zo’n stad geen sprake van echt leven. Daarom zijn er ook mensen die de stad willen afschaffen en een anarchistisch  communistische samenleving stichten. Laten we het particuliere eigendom afschaffen. Het geld moet er gewoon uit. Er moet geen verschil meer zijn tussen de stad en het platteland. We stichten overal parken met hier en daar huizen. We rijden allemaal op elektriciteit, zodat er geen stank en vervuiling meer is. Er is wel eens geprobeerd om tuinsteden te vestigen. Ook daar is gedroomd over een huwelijk tussen de stad en het platteland: elektrische taxi’s, minibusjes, fietsen, fonteinen, beelden, prachtige tuinbanken en kiosken. Je kunt er eindeloos over dromen. Duidelijk is dat in de postmoderne stad waarin wij thans leven het uiteindelijk gaat om een personal construction of order. Helaas worden wij vaak gedreven door de krachten van de commercie; de verstikkende reclame begeleidt ons leven. Het nihilisme van de globaliserende vrije markt slaat toe. Deze is fataal voor de armen in de wereld. Er worden mensen uitgesloten, die vluchten in criminaliteit, nationalisme en fundamentalisme. Laten wij van de stad weer een vrijplaats maken. Laat het een plek mogen worden van bescherming en een leefruimte voor mensen. Laten we letten op de autonomie van de mensen. 

Rotterdam is een plek om te zijn. Onze stad draagt een plat arbeidersimago, maar je kunt hier ook naar de zonnebank of op koopzondag gaan winkelen. Wij houden van opgestroopte mouwen: geen woorden, maar daden; leve Feijenoord. Er is van die stad natuurlijk meer te maken, maar laten we beginnen waar we zijn. Ik wil graag een solidaire samenleving, want solidariteit is het cement van de samenleving. Solidariteit als bewustzijn van saamhorigheid, dat is een belangrijk bindmiddel van de samenleving. Natuurlijk, de mens moet vele rollen vervullen: de rol van vader, echtgenoot, vriend, werknemer, hobbyist, staatsburger, etc. Dat vraagt om identitymanagement. Je wilt je eigen identiteit in elke rol hoog houden. Je wilt daarin ook eerlijk zijn. Vaak staan we voor keuzes: een verantwoordelijk leven, een hedonistisch leven. De consumentencultuur is vrij hedonistisch. Onze lusten kunnen hier en nu bevredigd worden. Ik denk dat we beter aan vrijplaatsen kunnen werken, waar plek is voor mensen die misschien niet consumeren, maar die er wel willen zijn. Laten we in de stad ook hier en daar een rafelrand openlaten, want niet iedereen kan leven zoals wij. Thans zitten we midden in onze zapcultuur. Daarin gaat het om diversiteit, snelheid, eigenheid, indringendheid. Ik kijk wel eens even met interesse naar de muziekzenders op televisie. Je ziet het dan ook, het is divers, het gaat allemaal snel en haastig, het heeft iets eigens en het is heel indringend. Soms zou je behoefte hebben aan een zachte erotische film waarin de liefde wordt opgebouwd, maar nu is het direct bloot en daadgericht. 

De habitatlevenswijze is van belang. Wij weten wat de determinanten van onze gezondheid zijn: biologische en fysieke factoren, de maatschappelijke omgeving en de leefwijze. Maar laten wij onze ogen ook openen voor onze emoties. Wij hebben angsten. Bespreken wij dat met onze medemensen? Wij hebben behoefte aan lucht, eten, drinken, rust en ruimte, maar wij moeten nog veel doen aan achterstallig emotioneel onderhoud. Emoties moeten worden vertolkt, verwerkt, beredeneerd en zonodig worden uitgeleefd. Daarom is het verstandig om in de habitat ook een reis te maken door je eigen psychische landschap. Natuurlijk, er kan ook territoriumangst zijn. Ook dat zullen we met elkaar in een onderling dialoog moeten bespreken. Al die groepen in de samenleving, zo heterogeen samengesteld, zijn op elkaar aangewezen. Je kunt geen mens zijn zonder een ander: er zijn andere religies, andere visies. Laten we met elkaar proberen die samenleving op te bouwen. Daarom is het goed om in de politiek met open deuren te werken, zodat alles transparant is. Laten we met elkaar de belan3grijke topics vaststellen. Laten we goede teams samenstellen om de juiste targets te bepalen en te halen. Habitat is een uitdaging die vraagt om jullie beantwoording. 

Hans Vissermei 2007

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.