Johannes 8:1-11

Johannes 8:1-11

Gerrit Achterberg was een vooraanstaand dichter van christelijke huize die zeer gewaardeerd werd door zijn collega’s. Hij had een bewogen leven. Hij leefde van 1905 tot 1962. Helaas vermoordde hij zijn hospita in 1937. Hij wordt opgenomen in een psychiatrische inrichting. Hij was geestelijk niet in orde. Gelijktijdig was hij hoog begaafd. Na de oorlog gaat het wat beter met hem. Hij trouwt.  Zijn werk bloeit op. Hij ontvangt daarvoor de P. C.Hooftprijs en de Constantijn Huygens prijs. Hij bereiktr daarmee het absolute hoogtepunt van de literatuur. Achterberg was bijbels goed onderricht. Het gaat om de betekenis van het WOORD. In de beginne was het Woord van de Schepping dat vlees werd in de mens van Nazareth. Het woord heeft het eerste en het laatste woord. Daartussen valt een ideaal aan scherven. Achterberg onderzoekt de relatie tussen God en Jezus en de Geest. De mens is voor een tijd een plaats van God. God gaat verder, zwenkend van hem heen in zijn miljoenen. God is nooit alleen. Wij zijn voor hem een vol benzinevat, dat hij achterlaat. Hij moet het kwijt al de afval, met zijn wezen in strijd. Wij gingen dood en liggen langs het pad. Wanner niet Christus, koopman in oud roest, ons juist in zo’n conditie vinden moest, alsof hij met de Vader had gesmoesd. In de ballade van de gasfitter staat hij bij het graf van directeur Jansen. Hij ligt in de grond en rust in God. De aarde dekt hem toe.
Jezus schreef in het zand. De Farizeen stellen Jezus voor om een op heterdaad betrapte vrouw (overspel) te stenigen. Hoe gaat Jezus met dit voorstel om? Volgens Mozes moet de vrouw gestenigd worden. Jezus schrijft met zijn vinger op de grond. We weten niet wat hij schrijft. Jezus spreekt de woorden: “Wie zonder zonde is werpe de eerste steen”.  En Jezus schrijft weeer op de grond. Deze woorden hebben Gerrit Achterbeg getroffen en geinspireerd. Nu blijkt dat alle mensen afdruipen. Niemand voelt zich zondeloos. Jezus spreekt tot de vrouw. Ik veroordeel u niet, ga naar huis en zondig net meer. Achterberg voelt de barmhartigheid van God. Achterberg kent de weg uit ellende. Hij schreef over de Jabbok. Toen ik het einde had bereikt van mijn verdorvenheden stond God op uit het slijk en weende. Ik stond naast Hem, ziende neder op een verloren eeuwigheid. En God zei: je had geen gelijk maar dat is nu voorbij, van heden tot aan die andere eeuwigheid is maar een schrede. God geeft nooit op. Achterberg weet zich gered door God. Zijn schip gaat voorbij de laatste stad. Hij passeert de dood. Dat bemoedigt Achterberg. God is barmhartig en reikt de hand. Hij laat ons niet alleen. God vergezelt ons door de dood hen. God vergeeft de zonde en deelt in het dragen van de last van zijn drankprobleem en zijn zwakke psychische toestand.

Reageren is niet mogelijk.