Filosofische grondslagen van het kapitalisme

Filosofische grondslagen van het kapitalisme

In de achttiende en negentiende eeuw hebben filosofen als William Paley, Adam Smith, Jeremy Bentham en John Stuart Mill bijgedragen aan de filosofische grondslagen van ons kapitalisme, dat sedert de kredietcrisis op zijn grondvesten trilt. Paley formuleert zijn stelling :”Wat nuttig is,is goed”. Prive-geluk is het motief van ons handelen. Paley was nog godsdienstig en hechtte aan een schoon geweten, waarin Gods wil korrigerend zou kunnen optreden. Adam Smith,een van de voorlopers van de vrije markt dacht ook in deze lijn. Het summum van geluk is dat een mens gezond is, geen schulden heeft en een schoon geweten heeft. Hij geloofde in de vrije markt waar alle mensen hun persoonlijke geluk konden nastreven. Wel vond hij het noodzakelijk dat de overheid voor het onderwijs verantwoordelijk was en korruptie fel bestreed. Deze filosofen wilden het menselijk egoisme beteugelen. Volgens Bentham streeft ieder mens zijn eigen belang na. Hij wil zoveel mogelijk voordeel,genot en geluk verkrijgen. Hij kiest voor een economie van geluk. Ook hij wil het eigenbelang begrenzen met sancties. Mill hecht aan het sociale element in de menselijke natuur. Hij stelt:het grootste geluk voor het grootste aantal mensen. Dat is de droom van het kapitalisme. Maar de inspiratoren van deze droom hebben gewaarschuwd.De kapitalisten,die alleen weten te graaien,bonussen te ontvangen,abnormaal veel verdienen,gokken om zoveel mogelijk rendement te verkrijgen en door hun gedragingen anderen werkeloos en arm maken,zij allen worden door bovengenoemde filosofen uitgescholden voor varken en dwaas. De regie van de vrije markt is in handen van de overheid.

Hans Visser

10 maart 2009

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.