Geloven met mijn brein deel 4

Geloven met mijn brein deel 4

In de zestiger jaren…..GELOVEN MET MIJN BREIN (DEEL 4)

TENSLOTTE

In de jaren zestig werden we gefascineerd door Camus (hij kwam om het leven in 1960) Na de tijd van de religieus metafysische illusies volgt de absurditeit. Het absurde wordt geboren uit de confrontatie tussen de menselijke roepstem en de onredelijke stilte van de wereld. We ervaren in ons een dwingende eis de wereld betekenis te geven. We willen erin een overkoepelende zin in ontdekken. Maar de aanspraken op vervulling en betekenis worden door een onverschillig universum ontkend. Het ontluikende besef van betekenis staat voor een raadsel dat elke overkoepelende zin onmogelijk maakt. De pogingen tot zingeving worden gefrustreerd. Dat noemt Camus absurd. Toch vraagt Charles Taylor in zijn (Een seculiere tijd) zich af of in onze doorleefde ervaring het verlangen naar betekenis niet onuitroeibaar is. Betekenis verlangen is geen houding waarvoor je kunt kiezen. Het staat in ons mens-zijn centraal. Betekenisgeving is ons toevertrouwd. Taylor vertelt van Václav Havel die tijdens gevangenschap een bijzondere ervaring had. Hij raakt overtuigd van een diepe en duidelijke betekenis. Hij kijkt naar de kruin van een boom. Hij neemt prikkeldraad, tralies en wachttorens waar. Hij voelt zich uitstijgen boven de coördinaten van zijn kortstondige bestaan. Hij ervaart verzoening en ziet onder ogen, wat onder ogen moest worden gezien.
Hij raakt verbijsterd over de soevereiniteit van het Zijn. Hij beleeft mysterie. Hij ervaart tomeloze vreugde. Hij voelt zich aan de rand van het oneindige Geluk, harmonie en liefde.

Wij mensen kennen en beleven een werkelijkheid. God is de dragende grond van ons bestaan. We zijn in God die met ons in (zoals gedemonstreerd in Jezus). We hebben de
betoverde wereld van geesten, demonen, goden en bovennatuurlijke metafysische krachten. De door ons geprojecteerde God ter verklaring van alle dingen die van bovenaf ingrijpt, voor goed verlaten. Onze eigen geest blijft over. We zijn genetisch bepaald maar zijn ook cultuurdragers. We zijn lot en daad. Op grond van de Gods ervaring in mijn werkelijkheid ken ik betekenissen toe aan de dingen die ik meemaak en ontwerp. Het leven is mooi maar ook huiveringwekkend. Ik houd aan God vast die mij draagt. Hij lijdt mee maar berust niet in wat mensen kapot maakt. We ontvangen power en kennis om onze rol van medeschepper naast God te aanvaarden. Als protestant houd ik in mijn grenzeloze pogingen betekenissen toe te kennen vast aan DE BETEKENIS, het WOORD van God overgeleverd in mij cultuur. Ik weet dat God vanuit het verleden mij is overgeleverd in verhalen die ik moet ontmythologiseren en vertalen. In mijn geest spreek ik met God. Ik kijk in het donker uit over de Maas voor mijn huis. De radarpost geeft me het zekere gevoel dat we op de schepen niet de weg kwijt raken. Ik besef vaak goed de ongerijmdheden in deze wereld en ik bakkelei met God die ook in de absurde ongerijmdheden present is. God is mijn Vader, Moeder, Vriend, Bondgenoot, en Metgezel. Ik draag God met me mee in het vertrouwen dat hij mij draagt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.