Een hulpzoeker is nog geen hulpvrager

Een hulpzoeker is nog geen hulpvrager

notitie over de hulpverlening in de Pauluskerk

In deze notitie wil ik proberen om alle soorten van hulpverlening in de Pauluskerk onder een gemeenschappelijke noemer te brengen. Tot op heden hebben we vaak allerlei vormen van hulpverlening onderscheiden. Ik wil nu komen tot een meer uniforme benadering, waarin voldoende plaats is voor een eigen invulling door iedereen die daarbij betrokken is. Uniform betekent natuurlijk nooit kant en klaar. Het gaat nu echter om een visie op hulpverlening waarin allen elkaar zouden kunnen vinden. Globaal gezien kunnen we zeggen dat in de Pauluskerk de volgende groepen zich met hulpverlening bezighouden: de maatschappelijke dienstverlening/ diaconale hulpverlening, de medische hulpverlening, de kosterij, de vrijwillige medewerkers, allen die werkzaam zijn in de pastorale sector van de kerk en bovendien ook alle bezoekers zelf, die elkaar van dienst kunnen zijn en elkaar hulp verlenen. Al deze groepen zijn in de Pauluskerk niet voldoende met elkaar in gesprek. Er bestaat zelfs wel eens een zachte concurrentie, waarin sommigen menen het beter te doen dan anderen. Zo kom je in de Pauluskerk officiële hulpverlening tegen, maar ook officieuze. Er is soms legale hulpverlening, maar vaak ook illegale. Onder legaal wordt dan verstaan: in overeenstemming met geldende regels. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Iemand die zich geroepen voelt om hulp te verlenen doet dat toch vaak. Daarom is het goed om eens aandacht te schenken aan wat nu eigenlijk in hulpverlening plaats vindt.

Hulpverlening betekent dat je je blootstelt aan datgene wat de ander – dat kan een bezoeker zijn in de Pauluskerk , jou aandoet. Dat aandoen kan positief zijn, negatief of ook neutraal. De hulpverlener is bereid zich te dompelen in de wereld van de ander. De hulpverlener laat zich niet leiden door zijn eigen vooronderstellingen en vooroordelen. Hij probeert bij wijze van spreken te emigreren naar de wereld van de ander om die ander zo goed mogelijk te kunnen verstaan. Dat betekent niet dat de hulpverlener alles wat de ander doet moet goedkeuren, moet beamen. Nee, het gaat om het verstaan van de ander. De hulpverlener moet derhalve terughoudend zijn in het interpreteren van de situatie van de ander op grond van zijn eigen ervaringen, op grond van zijn eigen kennis, opleiding of alles wat hij gelezen heeft in mooie boeken. Het gaat er misschien wel om dat je probeert meer geïnteresseerd te raken in de mens dan in de druggebruiker, de crimineel of de gestoorde. Het is helemaal niet kwaad als je eens een keer bedrogen wordt door iemand. Je kunt beter bedrogen worden dan vervreemd raken van de ander op basis van jouw eigen vooroordelen. Juist in de Pauluskerk, waar wij veel geconfronteerd worden met bezoekers die leven in een gecriminaliseerde wereld, zullen wij ons juist in het kwade, in het kapotte, in het gestoorde en het zieke moeten verbinden met de ander. Dat is, naar ik denk, de beste hulpverlening, de ander zoveel mogelijk nabij zijn.

Hulpverlening is altijd een langdurig proces. In dit proces is het aanvankelijk geboden om uit te gaan van een non-problem-solving-attitude. Het kan zijn dat het noodzakelijk is om langdurig in deze houding te volharden totdat, in het beraad met de ander, zich een uitweg voordoet, die zou kunnen leiden tot een gedeeltelijke of volledige oplossing van het probleem. Hulpverlening betekent dat je door de bril van de ander naar de wereld kijkt en niet alleen door je eigen bril. Hoe ziet de wereld van de drugsgebruiker, de gestoorde, de crimineel er uit vanuit het perspectief van de ander? De hulpverlener die zo te werk gaat, is bereid om ook geraakt te worden door de pijn, de schuld, de schaamte van de ander. De hulpverlener zal daarvan niet geheel ondersteboven raken. Hij probeert zich, op basis van eigen veerkracht en visie op het leven, overeind te houden. Hij kan verdrietig zijn over de donkere zijde van iemand, maar hij kan zich ook verblijden over de vreugdevolle kanten van het leven van de ander. Humor is nooit uitgesloten. Een mens moet blijven lachen, ook als het donker wordt in het leven.

In de Pauluskerk werken wij met mensen van diverse komaf. Zeer merkwaardig is dat uit kringen van de professionele werkers, de betaalde krachten, en uit de kring van de vrijwillige krachten, betrekkelijk weinig mensen participeren in het kerkelijk circuit van de Pauluskerk, waar een stukje spiritualiteit wordt beleefd. Dat komt omdat mensen tot andere kerkgenootschappen behoren of niet of anders gelovig zijn. In het kerkelijk circuit ontmoeten wij eigenlijk het merendeel van de bezoekers, die naar mijn stellige overtuiging op hun manier hulpverlenen. Toch is bezinning op de eigen spiritualiteit altijd noodzakelijk. Dat bepaalt je grondhouding. Het is goed als alle hulpverleners in de kerk het eens kunnen zijn over bepaalde universele grondwaarden, zoals respect hebben voor de ander, niet berusten in armoede, rechtvaardig handelen, geen wraak nemen, extra omzien naar verdrukten, niet geloven in het recht van de sterkste, de slimste en gezondste, maar ruimte geven voor compassie en solidariteit. Het geloof van de Pauluskerk is gebaseerd op de joods-christelijke traditie, waarin het gaat om een barmhartige God. God is barmhartig zoals een moeder, die omziet naar haar jonge kind. God biedt bescherming, protectie. God zoekt het verlorene, het afgewezene. Hij doet mensen opstaan uit schuld en dood. Zijn genade is zomaar om niet. Vooral die gratuite spiritualiteit is voor de door ons geschetste hulpverlening zo noodzakelijk. Dat betekent dat we geen verborgen agenda’s hebben of geheime verwachtingen. Dat bewaart ons ook voor manipulaties in de hulpverlening, waardoor we proberen mensen daar te krijgen waar wij ze willen hebben, omdat we denken dat dat goed voor hen is. Wie zich hecht aan de ander, zal soms ook wel eens God kwijt raken in het leven. God beluistert niet alle gebeden en soms is God zoek, wat niet wil zeggen dat God in het verborgene afwezig is, maar wij weten dat nooit zeker.

In de hulpverlening zijn nu twee wegen mogelijk. De eerste weg duiden wij aan met het woord ‘maken’. Dat wil zeggen dat de hulpverlener in het beraad met de bezoeker bepaalt wat de doelen zijn. De hulpverlener bepaalt ook de duur en de aard van de relatie die hij of zij onderhoudt. En de hulpverlener mikt op wat er uit moet komen. De tweede weg duiden we aan met het woord ‘laten’. Nu is het zo dat de ander bepaalt wat het doel wordt. De ander maakt uit wat de duur en aard van de relatie zullen zijn met de hulpverlener. De ander maakt duidelijk wat de uitkomst moet zijn. Maken en laten kunnen natuurlijk in het beraad tussen een hulpverlener en een hulpzoeker/hulpvrager samengaan. Men dient wel altijd goed te onthouden dat niet iedere hulpvrager een hulpzoeker is. Een hulpzoeker wordt in de hulpverlening vaak gebombardeerd tot hulpvrager. Er wordt al direct aangevangen met een intakegesprek zodat de hulpzoeker zich bespioneerd voelt als door het slot van een deur. Globaal gezien zou je kunnen zeggen dat de hulpverlener die zich meer wil hechten aan de persoon die hij of zij ontmoet, meer zal kiezen voor de weg van het ‘laten’, en de hulpverlener die zich wil oefenen in de zelfredzaamheid, wellicht in het beraad zal kiezen voor het ‘maken’.

De meeste bezoekers van de Pauluskerk verkeren aan de zelfkant van de samenleving. Ze zijn door de bank genomen economisch arm, sociaal arm en cultureel arm. Armoede is een rekbaar begrip. Economische armen tobben vaak met een te laag of een te onregelmatig inkomen. Niet vergeten moet worden dat veel arme mensen lijden onder het onvermogen om met besteedbaar geld om te gaan. Armen worden vaak uitgesloten. Ze worden naar de marge verdrongen. Kinderen van arme mensen doen het vaak niet geweldig goed op school. Vaak is de woonomgeving niet zo geweldig of uitgesproken beroerd. Soms is er een te hoge huurprijs, een onveilige buurt, waar de leuke mensen soms wegtrekken. Veel arme mensen hebben geen inzicht in allerlei voorzieningen en regels. Zij begrijpen de ambtelijke taal niet en voelen zich vaak van het kastje naar de muur gestuurd. Ook in de kringen van arme mensen schiet verslaving vaak wortel: verslaving aan medicamenten, verslaving aan drank, verslaving aan drugs. Arme mensen zijn vaker ziek en gaan eerder dood. Ze kunnen ook emotioneel instabiel zijn. Ze voelen vaak dat ze met wantrouwen worden bejegend. Ze worden eindeloos gecontroleerd in onze samenleving. Men ondervindt weinig respect. Over het algemeen zullen velen van onze bezoekers zich sociaal overbodig voelen in onze samenleving. Eigenlijk tellen zij niet mee. De bezoekers van de Pauluskerk lijden vaak onder een psychische gestoordheid, een psychische handicap, een verslaving, armoede, schulden, dreigende straffen, etc.

Ik denk dat de hulpverlener zal moeten ontdekken dat de gemiddelde bezoeker van de Pauluskerk uiteindelijk lijdt onder een diepe eenzaamheid die resulteert uit zijn lijden aan verslaving, schulden, afwijzing etc. De hulpverlener zal zich betrokken voelen bij de ander. Die betrokkenheid zal moeten worden vertaald in beleid, en juist in deze vertaling gaat er vaak veel mis want we kunnen waarnemen in onze samenleving dat maatschappelijke uitsluiting soms gepaard gaat met een bureaucratisch bemiddelde insluiting door hulpverleners. De gemiddelde bezoeker van de Pauluskerk maakt in onze samenleving natuurlijk kennis met nog meerdere soorten hulpverlening buiten de kerk: de verslavingszorg, de sociale dienst, het maatschappelijk werk, de reclassering, etc. etc. In de praktijk zien we dat de bureaucratisch bemiddelde insluiting leidt tot een vergaande administratie. Er is behoefte om alle mensen op te slaan in computers. Mensen moeten gevolgd worden. Er moet nauw overleg zijn met andere instellingen. Er dient toezicht te zijn. Er moet vooral controle worden uitgeoefend. Mensen mogen vooral niet shoppen. Mensen raken daardoor natuurlijk geïsoleerd. Ze worden vaak ook letterlijk opgeborgen in de dossiers. In de bureaucratisch bemiddelde hulpverlening, die overwegend sociaal-technisch van aard is, speelt het productdenken een belangrijke rol. Het productdenken wordt aangewakkerd door de markt. Geld moet goed worden besteed. Zoveel geld voor de verslavingszorg moet leiden tot het product van zoveel mensen die afkicken en geen overlast meer geven. Het leidt ook tot aangescherpte intake-voorwaarden. Instellingen kunnen ook onbuigzame regels hanteren, waardoor mensen weer worden uitgesloten. Soms zie je dat onze bezoekers een barre woestijntocht moeten maken door de talloze instituties van onze stad. Ze worden gelabeld, geanalyseerd, onderzocht. Maar al die hulpverleners elders in de stad en in de kerk, dat waren toch allemaal mensen die zich betrokken voelden bij hun klanten, bij hun mensen? Kennelijk is de vertaalslag in beleid niet gelukt. Ook in de Pauluskerk moeten wij ons ernstig afvragen of bij ons die vertaalslag altijd lukt.

Het gevaar dat elke hulpverlener loopt, is dat hij een zogenaamde deskundige wordt die het levensverhaal van de ander beter gaat begrijpen dan de betrokkene zelf. Onze interpretatie van het levensverhaal van de ander is eigenlijk niet langer het verhaal van de persoon die wij ontmoeten. Het is ons verhaal geworden. Eigenlijk wordt het verhaal van de ander onteigend. De hulpzoeker zoekt een slaapplaats, hij wacht niet op een ingewikkelde intake om te gaan vertellen wie hij precies is en wat zijn problemen zijn. Een hulpvrager kan vragen of hij geassisteerd kan worden bij zijn geldbeheer omdat hij daar zelf niet in slaagt. Hij wordt steeds geconfronteerd met zijn onvermogen om met geld om te gaan. Het geld gaat op aan drugs en drank. De hulpverlener moet zich steeds herinneren dat mensen zich moeten laten zien zoals ze echt zijn. Laten zij de ander erkennen als mens. Laten we hem of haar een bestaan geven voor onze ogen. Laten we mensen helpen om hun eigen identiteit te zoeken, te ontdekken wie zij eigenlijk zijn en wat het unieke van henzelf is. Zodat ze misschien opbloeien en opknappen en meer zelfvertrouwen krijgen.

Het negatieve van hulpverlening is vaak dat de hulpzoeker/hulpvrager in het beraad met de hulpvrager de regie gaat verliezen over het proces waarin die hulpverlening plaatsvindt. Daarom hecht ik meer aan het normatieve karakter van hulpverlening dan aan de sociaal-technische kant. Laten we eerlijk zijn: een aantal problemen is onoplosbaar. Laten we dat erkennen en eerlijk voor uitkomen. Hulpverleners moeten geen troost bieden waarin bij wijze van spreken een verdwijntruc wordt toegepast ten aanzien van de oorzaken van het lijden. Het zal er veel meer om gaan om in het beraad met de ander zover te komen dat er een dragelijke houding kan worden ontwikkeld ten opzichte van het lijden dat de mens treft. Soms kan hulpverlening steun bieden om het net uit te houden, om het hoofd boven water te houden. De hulpverlener moet grondig begrijpen dat de behoefte van de ander het aanbod bepaalt. De werkelijkheid is nog wel eens zo dat ons aanbod de behoefte van de hulpvrager en de hulpzoekende bepaalt. Juist het normatieve karakter van de hulpverlening laat ons meer en meer geïnteresseerd zijn in de medemens die wij ontmoeten in de ander, die wij nabij willen zijn en waaraan we ons willen hechten. Met hem of haar willen wij zin zoeken in het leven. We stellen ons de vragen waarom en waartoe zijn we hier? We proberen mensen tot hun recht te laten komen, zodat ze ook zichzelf mogen zijn. We stuiten in de hulpverlening natuurlijk op raadselachtige momenten bij de ander. We kunnen die niet wegmoffelen. We zullen daar aansluiting bij moeten zoeken. Ik gebruik in deze notitie dan ook het woord beraad. Hulpverlening is het beraad dat een hulpverlener en een hulpzoeker/hulpvrager aangaan. In dat beraad participeren beiden. Dat is ook het aantrekkelijke van sociocratie. Er wordt niet over degene die hulp vraagt en zoekt heengewalst. Wij proberen met elkaar uit te vinden wat de beste weg is. Daarbij hebben we dus lak aan het zogenaamde productdenken. We hechten geen waarde meer aan productiviteit, want wie zich hecht aan de ander, weet dat de ander de agenda bepaalt, de tijd bepaalt. Tijd moet betekenis krijgen door de manier waarop hulpverlener, hulpvrager en hulpzoeker met elkaar omgaan. Ik heb de filosofie van de Pauluskerk altijd kort samengevat door te zeggen: “ De persoon Jezus kwam van God in de wereld om de gesjochte mens te zoeken en te vinden.” De kerk is het lichaam van deze Jezus in de wereld. Daarom moet van een kerk verlangd worden dat ze open staat voor de gesjochte mensen in de samenleving. Opdat ze zich thuis mogen voelen, opdat ze het gevoel hebben dat er naar hen geluisterd wordt, opdat ze het gevoel hebben dat ze weer op eigen benen mogen staan.

In het licht van het bovenstaande zouden alle groepen van mensen die zich bezighouden met hulpverlening elkaar ook mogen bevragen. Soms merk ik wel eens dat vragen irritaties oproepen. Natuurlijk zijn er talloze bezoekers die kritiek hebben op de hulpverlening van de Pauluskerk. Ik kan niet beoordelen of die kritiek terecht is of niet. Maar wordt die kritiek ook gehoord? Ik beluister bij de kosterij/bewaking vragen ten aanzien van hulpverlening. Zij begrijpen sommige beslissingen niet, maar worden geconfronteerd met negatieve gevolgen waarvoor zij weer moeten opdraaien. De diaconale, de pastorale en de maatschappelijke dienstverleners in de kerk wekken wel eens de indruk zich niet helemaal begrepen te voelen. En tussen de bedrijven door gaan vrijwilligers vaak hun eigen gang. Daarom zou het, dacht ik, misschien wel goed zijn als we het met elkaar in alle geledingen op alle fronten eens kunnen worden waar het nou precies om gaat in die hulpverlening. In de jaren tachtig heb ik het hulpverleningsmodel van de Pauluskerk wel eens omschreven als het ggd-model: de g van ga op weg, de g van geef vertrouwen en de d van doe wat in je vermogen ligt. Het is een simpele redenering maar het voert dicht tot de waarheid ten aanzien van hulpverlening die ik in deze notitie tracht te benaderen.

Hans Visser,26 september 2001

Voor het maken van deze notitie is o.m. dankbaar gebruik gemaakt van band 1 en 2 van prof. Andries Baart over een “Theorie van de presentie”, uitg. Lemma b.v. Utrecht, 2001.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.