Zwerven in een verhaal

Zwerven in een verhaal

Zwerven in een verhaal
n.a.v. het promotieonderzoek van Geeske Hoogenboezem: “Wonen in een verhaal – dak- en thuisloosheid als een proces”

Aan het onderzoek van mevr. Hoogenboezem wordt terecht door het Rotterdams gemeentebestuur belang toegekend. Het onderzoek heeft betrekking op het probleem van de dak- en thuisloosheid in Rotterdam.

De Pauluskerk komt vaak ter sprake als opvang van dak- en thuislozen, maar de onderzoekster heeft helaas geen kans gezien om met de Pauluskerk nader van gedachten te wisselen over de achterliggende intenties van de opvang. Dat vind ik jammer, want dan hadden we ook iets kunnen vertellen over de morele codes die wij hanteren. Maar ik besef al te goed, dat elk onderzoek zijn beperkingen heeft. Ik beschouw deze studie als een leerzaam verhaal dat een aantal uitdagingen bevat. In een kort artikel kan men echter nooit recht doen aan een promotieonderzoek. Daarom spreek ik ook over “zwerven in een verhaal”.

Er wordt in de studie een onderscheid gemaakt tussen dakloosheid en thuisloosheid. Bij dakloosheid is er gedurende een bepaalde tijd geen sprake van een gegarandeerde slaapplek. Mensen kunnen overwegend tijdelijk dakloos zijn. Bij thuisloosheid gaat het om een ingrijpender situatie. Het gaat om kwetsbare mensen die geplaagd worden door achterliggende problematiek. Het komt zelfs voor dat ze beschikken over een huis, maar er niet graag vertoeven. Men voelt zich in de samenleving niet lekker en niet thuis. Wanneer men kennis maakt met deze mensen, ziet men veel onopgeloste ellende. De levensloop van sommige mensen is zeer ongelukkig. Het komt dan vaak tot een breuk met de samenleving. De thuisloosheid wordt, naar mijn overtuiging, voor een groot deel bepaald door psychische factoren. Dat neemt niet weg dat er ook sociale factoren in het geding zijn. Er bestaat ook een relatie tussen armoede en dakloosheid. Mensen kunnen hun huis verliezen door schulden en tijdelijk of langer dakloos worden. De samenleving is ingewikkeld waardoor sommige mensen niet in staat zijn om aan alle voorwaarden te voldoen. Ze lopen vast en dat kan betekenen dat ze toetreden tot het leger der thuislozen. Deze mensen geraken ook vaak in de vicieuze cirkel van: geen woning zonder uitkering en geen uitkering zonder woning. Er zijn nog altijd mensen die verstoken zijn van een uitkering en berusten in dakloosheid.

Interessant in deze studie is dat de politiek der levensvragen aan bod komt. Mensen staan voor keuzes. De vraag is soms of mensen vrij kunnen kiezen. Vraag is ook of mensen zicht hebben op hun keuzes. Het is zelfs de vraag of er überhaupt iets te kiezen valt. De samenleving gaat er gemakshalve vanuit dat wij allen autonoom zijn en onze eigen koers kunnen bepalen. Maar de realiteit confronteert ons met het feit dat er mensen verdwalen, dat mensen bang zijn keuzes te maken, dat zij die keuzes uit de weg gaan. Jammer is dat de auteur geen kennis heeft genomen van de studie van Andries Baart, van zijn theorie van de presentie. We hebben daar in de Pauluskerk met name de afgelopen jaren veel aandacht aan geschonken. Zijn theorieën ten aanzien van presentie en interventie kunnen ons beschermen tegen een hulpverlening, waarin de agenda door de hulpverlener wordt opgelegd aan de hulpvrager. Het gaat in deze studie om een zorgvuldig luisteren naar de mensen en de bereidheid om te accepteren dat sommige problemen onoplosbaar zijn. Dat kan er toe leiden dat mensen niet gemarginaliseerd worden en het symbolisch geweld in de hulpverlening daalt erdoor. Naar mijn overtuiging moet de theorie van de presentie van Andries Baart vooral binnen het maatschappelijk werk veel meer aandacht krijgen.

Mevr. Hoogenboezem onderscheidt verschillende groepen onder de dak- en thuislozen. In de eerste plaats de zorgmijders uit keuze; dat zijn mensen die dus heel doelbewust geen zorg wensen, daar ook voor kiezen. Ik schat dat ongeveer een kwart van de Pauluskerkbevolking behoort tot de zorgmijders: ze nemen niet deel aan activiteiten, ze kloppen niet aan bij de hulpverlening, gaan hun eigen weg. In de tweede plaats is er de groep van de zogenaamde zorgwekkende zorgmijders. Hier is geen sprake van een keuze. Het zijn mensen die volstrekt verdwaald zijn en een gebrek aan inzicht hebben. Ze tollen rond in vicieuze cirkels en worden vaak uiteindelijk onbereikbaar. Verder onderscheiden we de groep van de zorgzoekers, die weer in drie subgroepen uiteen valt. De eerste groep wordt gevormd door de cynici. Zij beschikken over een bepaald inzicht, doen keuzes en maken zich afhankelijk van hulpverlening. Een tweede groep betreft de zogenaamde instellingsdaklozen. Dat zijn mensen die zich schikken in de hulpverlening en daar ook langdurig verkeren. En dan is er de derde subgroep van de zorgwekkende zorgzoekers. Dat zijn mensen die geen inzicht hebben in hun problemen, ook verdwalen, die zich afhankelijk maken van hulpverlening, maar niet in staat zijn tot onderhandelingen. Deze groep baart veel zorgen, is niet altijd makkelijk bereikbaar en wordt uitgestoten. En dan zijn er nog de uitstromers: de mensen die vanuit de daklozenopvang via begeleide kamerbewoning terechtkomen in een eigen woning.

In de Pauluskerk maakt ongeveer 50% van de mensen gebruik van de hulpverlening. Zoals hierboven reeds aangegeven, schatten wij dat ongeveer 25% de zorg uit vrije keus mijdt. Maar ik schat dat eveneens 25% behoort tot de zorgwekkende zorgzoekers. Het zijn mensen die het wel eens proberen bij de hulpverlening maar ze stoten hun neus, raken teleurgesteld, nokken af, gaan soms ook shoppen, proberen het nog eens een keer, mislukken weer, raken gefrustreerd. Onder de 50% zorgmijders uit keuze en zorgwekkende zorgzoekers bevindt zich natuurlijk ook een vaak wat onzichtbare categorie van zorgwekkende zorgmijders die we niet altijd scherp kunnen onderscheiden. Het kan gaan om mensen die lijden onder ernstige psychische kalen of psychiatrische ziekten. De meeste ervaring wordt in de hulpverlening opgedaan met de zorgzoekers, met name de subgroepen cynici en instellingsdaklozen. Het komt ook voor dat er uitstromers zijn. Niet ontkend kan worden dat hulpverleners in de Pauluskerk ook vaak zullen redeneren vanuit hun eigen referentiekaders. Die bevatten een aantal morele principes die mensen willen motiveren tot het door de hulpverlener gewenste gedrag. Het lijkt allemaal zo mooi, maar de praktijk valt tegen. Daaraan geeft het onderzoek veel aandacht. Er wordt niet altijd correct, juist en relevant onderhandeld tussen zorgzoekende en hulpverleners. Wat is eigenlijk het gewenste gedrag? Is het nou echt noodzakelijk dat alle mensen een leven leiden van ‘huisje, boompje, beestje’? Kan het niet zo zijn dat een bepaalde groep mensen ervoor kiest om goedkoop, in groepsverband, te leven? Ik zal nooit vergeten dat ik jaren geleden een dakloze man ontmoette die op mij de indruk maakte redelijk gelukkig te zijn. Ik kon me dat moeilijk voorstellen maar ik probeerde te luisteren naar zijn geluksverhalen. Hij had groot medelijden met mij, want zei hij, ik denk dat u zucht onder het betalen van uw hypotheek, dat u veel zorgen heeft over uw huis, over de inrichting, dat u wellicht ook een auto moet onderhouden. Al deze ellende gaat aan mij – als dakloze – voorbij; wat ben ik daarin een gelukkig mens. Ik geef toe: dat is een heel eenzijdig verhaal, maar het is toch interessant. Want niet alle mensen leven overeenkomstig de door mij gewenste principes die moeten leiden tot gewenst gedrag. Daarom stelt de auteur ook terecht dat normatieve uitgangspunten vaak tot uitsluiting leiden.

Op pagina 186 in de studie komt een interessante passage voor over de Pauluskerk. Het gaat hier om de dakloze Ronald. Deze kan zich goed verplaatsen in de belevingswereld van de hulpverleners die zijn pad kruisen en hij geeft dan ook een analyse van hun motivatie en uitgangspunten. Hij geeft ook commentaar. En dan zegt hij: “Ja, dat zeggen ze ook bij de Pauluskerk. Er komt pas een kamer leeg als er een jongen vast komt te zitten. Dan denk ik ook van: waar zijn we hier nou mee bezig? Want dan komt iemand vast te zitten en zit hij weer in hetzelfde cirkeltje. Dan kom je een keer vast te zitten, omdat je misschien nog uit 1989 of 1994 een bekeuring hebt staan. Dan kom je weer buiten en is je kamer weg en dan is het cirkeltje weer rond. Dan kun je weer terug naar de Pauluskerk. Dat schiet allemaal niet op. Dat begrijpen ze zelf niet, geloof ik. Of ja, ze begrijpen het wel maar ze willen er gewoon niks aan doen. Ze moeten niets iets opbouwen wat een cirkeltje blijft. Nee, ze moeten iets opbouwen wat zó loopt (en dan tekent Ronald een opwaartse spiraal in de lucht.) En dan nog liefst met trappetjes, dat je ook niet meer naar beneden kunt glijden. Want als je verder in de modder zakt en je steekt je hand naar buiten en je roept: Hulp, hulp, hulp, dan zijn er altijd mensen en hulpinstanties die je helpen. Ze pakken je handje beet, ze trekken je zóver (Ronald wijst daarbij op zijn middel), ze halen je eruit en ze laten je hand weer los. Maar dan ben je er maar tot zóver uit en dan zak je er weer in. Ja, dat heeft geen zin natuurlijk.”

In de onderhandelingen die plaatsvinden tussen hulpverlener en zorgzoeker gaat het natuurlijk om een uitwisseling en afstemming van doelen. Dat is altijd een moeilijk verloop. Wie heeft eigenlijk de regie in het gesprek? Uit het bovenstaande wordt duidelijk dat een zorgzoeker zich meewerkend kan opstellen, maar dat hij eigenlijk helemaal niets opschiet. Daarom is het ook interessant om ons binnen de Pauluskerk en de woonbegeleiding af te vragen: wat willen we nu eigenlijk bereiken? Wat is ons gemeenschappelijke doel? Wat is de inbreng van de dakloze of de bewoner van de begeleide kamerbewoning zelf? Weten we wel precies tot welke categorie iemand behoort? Maatschappelijk werkers zijn geen psychiaters, geen verpleegkundigen, ze hebben een beperkt inzicht om mensen bij te staan. Maar juist in de wereld van de dak- en de thuisloosheid zijn meer disciplines geboden. Vandaar ook dat wij er  in de Pauluskerk aan hechten dat de inbreng vanuit de medische sector krachtiger wordt. Mensen die echt psychisch ziek zijn moeten goed als zodanig herkend worden en dus beter kunnen worden geholpen dan nu.

Wat de auteur van de studie niet ter sprake brengt is, dat alle hulpverleningsinstellingen een toegangsbeleid hebben dat vaak niet wordt bepaald door de hulpverleners. Dat wordt wel eens vergeten. Er zijn allerlei mensen – bewakers, portiers – die een heel cruciale rol spelen. Zij laten zich leiden tot programma’s die samenhangen met openbare orde en veiligheid. Zij worden juist in deze tijd opgejaagd door het veiligheidsbeleid, ook van de gemeente Rotterdam. Er mag geen overlast zijn voor de woonomgeving etc. etc. Dat betekent in de praktijk dat een aantal mensen geweigerd wordt en dat vooral de categorie van de zorgwekkende zorgmijders en zorgwekkende zorgzoekers buiten de boot valt. Zij komen niet eens in de directe omgeving van een hulpverlener, zij zijn bij wijze van spreken al gesneuveld voordat de strijd begint. Daarom is een pleidooi voor een zo laagdrempelig mogelijke opvang altijd geboden, maar dan moet je goed samenwerken met de politie, die in staat is om in de woonomgeving orde op zaken te stellen. Juist dat is nog altijd een uiterst zwak punt in Rotterdam. De politie patrouilleert met een zekere regelmaat, maar op allerlei kritieke ogenblikken ontbreekt ze in de openbare ruimte. Dat betekent dat instellingen een eigen beleid moeten volgen om vooral de woonomgeving te vriend te houden. Dan worden inderdaad ook mensen geweigerd die eigenlijk hulp behoeven.

De auteur stelt terecht het symbolisch geweld aan de orde. Niet ontkend kan worden dat ook de hulpverleners in de Pauluskerk zich bij tijd en wijle schuldig zullen maken aan symbolisch geweld. Er wordt uitgegaan van de verantwoordelijkheid van de cliënt voor zijn eigen zaak. Op zichzelf is daar niks mis mee want verantwoordelijkheid is wezenlijk voor mens-zijn, maar de harde werkelijkheid is dat een aantal mensen niet in staat is om verantwoordelijkheid te dragen. Dat wil niet zeggen dat ze in het geheel geen verantwoordelijkheid kennen, maar hun verantwoordelijkheid is aangetast door een psychiatrische ziekte, door een psychische kwaal, door een ernstige sociale achterstand. De mensen redden het net niet. Ze komen niet op tijd, ze houden zich niet aan afspraken, ze worden weer uitgestoten. Ze worden met zichzelf geconfronteerd: jij werkt niet mee dus dan rot je maar op. Dat is een vorm van symbolisch geweld. Dat geldt ook voor alle regels die gehanteerd worden. Persoonlijk ben ik altijd voorstander geweest van het hebben van zo weinig mogelijk regels, want een overmaat aan regels brengt mensen in de problemen. Merkwaardig is echter dat hulpverleners dol zijn op regels. Zij kunnen zich daarachter verschuilen, ze kunnen zich beroepen op regels. Ze kunnen zich schoon praten. Ze hebben altijd gelijk. De zorgzoeker wordt pijnlijk getroffen en verlaat het strijdtoneel. Opnieuw verloren.Ik denk dat wij in de Pauluskerk – vooral ook in het beraad met de bewaking, de portiers, de kosters – hierop eens ernstig moeten letten. Is het niet zo dat wij sommige mensen eigenlijk duperen door ze resoluut weg te sturen? Ik geef toe dat hier veel problemen liggen. In een tijd, waarin veiligheid dominant is, wordt alles daar ook aan getoetst, wordt alles daaraan afgemeten. Iedereen, ook de meest kritische hulpverlener, wordt daar een beetje ziek van. De klant moet zich in de openbare ruimte goed gedragen; de klant mag niet bedelen; de klant mag geen blikje bier drinken op een bankje; de klant moet zich houden aan wat de samenleving geaccepteerd vindt. Maar in diezelfde samenleving kunnen de mensen met een volle portemonnee gewoon in een bar een biertje gaan drinken; ze hoeven niet te bedelen. Het is allemaal wel eens wat onwaarachtig. Op zichzelf vind ik het heel boeiend dat het Rotterdams gemeentebestuur juist nu aandacht vraagt voor deze dissertatie. Maar de Rotterdamse overheid moet zich tegelijkertijd realiseren dat ze een beleid voert dat vaak haaks staat op de grondgedachten in deze studie.

We blijven er van uitgaan dat mensen eigen keuzes mogen maken, ook al zijn er wel eens keuzes bij die wij niet wenselijk achten. Het heeft geen zin als hulpverleners in hun eigenwijsheid de eigen agenda van de mensen gaan frustreren. Ze zullen dan misschien wel ja zéggen, maar niet doen. Er zijn ook mensen die zich afhankelijk maken van de hulpverlening. Ze schikken zich, ze zijn gehoorzaam. De hulpverlener is verheugd, maar het is de vraag of de hulpverlening ooit aankomt in de haven.De auteur zegt terecht dat in de relatie tussen een hulpverlener en een hulpzoeker sprake moet zijn van een gedeelde kennis. Niet alleen de kennis van de hulpverlener is interessant, ook de kennis van de betrokken hulpzoeker is interessant. Is het mogelijk om een bruggetje te slaan tussen de kennis van de hulpverlener en de kennis die de hulpzoeker op tafel legt? Gedeelde kennis is het begin van een succes. 

De auteur van de studie steunt op de theorieën van Giddens. Die kunnen heel kort, in één zin, worden samengevat: geen rechten zonder verantwoordelijkheid. Dat spreekt beleidsmakers, politici krachtig aan. Dat is stoere taal die populair is, zelfs in linkse partijen. Opnieuw vind ik het heel boeiend dat het Rotterdamse gemeentebestuur deze studie promoot, want de auteur zet een vraagteken bij deze visie van Giddens. Sommige mensen kunnen die gewenste verantwoordelijkheid namelijk niet opbrengen. Is het dan zo dat ze van rechten verstoken zullen zijn? Wordt de Sociale Dienst op deze manier een instelling die mensen opspoort die uitgesloten moeten worden van rechten? Gaat het alleen om sancties of is er ook een bekommernis om mensen die verdwalen, die de weg niet meer weten, die wanhopig raken? Zelf neig ik meer tot het standpunt van Zijderveld die ook in de studie ter sprake komt. Zijderveld gaat er vanuit dat mensen een bepaald recht hebben op dakloosheid, dat de dakloze zich wel aanpast – maar dat is een aanpassing die wat afwijkt van wat wij dan normaal vinden (anomie of versterving). Als je dat zo leest, zou je je kunnen afvragen: bekommert Zijderveld zich eigenlijk wel om die mensen? Jawel, maar het is net iets anders dan bij Giddens. Ik denk ook dat dakloosheid moet worden geaccepteerd, dat het nooit opgeheven kan worden. Dat wil niet zeggen dat je erin moet berusten. En Zijderveld geeft ook aan dat er grenzen zijn. Mensen kunnen zó gestoord raken, zó de weg kwijt raken dat een ingreep geboden is. Ik denk aan mensen die in de Pauluskerk kwamen op blote voeten, in hun ondergoed. Dan is er een moment dat er ingegrepen moet worden. Of als mensen een te grote overlast betekenen voor anderen omdat ze al dan niet verbaal geweld gebruiken etc. Dat maakt de discussie noodzakelijk over drang, dwang en bemoeizucht. Persoonlijk blijf ik een tegenstander van dwangmaatregelen. Bemoeizucht, drang – daar kan ik me iets bij voorstellen. Je moet altijd aan de mensen blijven uitleggen wat misschien een betere oplossing is. Je moet daar ook overleg over plegen, daarover onderhandelen. Je moet erop aan dringen. En dan de hoop koesteren dat die drang toch iets teweegbrengt bij de hulpzoeker, dat hij op zeker moment wellicht toch het licht ziet aan het eind van de tunnel.

Ik vind het jammer dat de auteur aan het slot van haar studie wat aanleunt tegen het nieuwe beleid van Bouman/Delta. Dan wordt er gesproken over het overnemen van verantwoordelijkheid. Juist hier begin ik te steigeren. Juist hier val ik Zijderveld bij: geef de mensen het recht om een weg te gaan die niet de onze is. Stellig, te gestoord of te veel overlast is een grens die niet overschreden mag worden. Maar ga niet de verantwoordelijkheid overnemen. Ga die dakloze niet zo programmeren, zo instrueren, zo indoctrineren, bijna zo hersenspoelen, dat hij accepteert wat de beste levenswijze is. Dat loopt uit op een grote teleurstelling. We weten allemaal dat de SOV uiteindelijk niet het gewenste succes zal opleveren. Twintig procent zal wellicht het einddoel bereiken. Maar vele mensen zullen toch verslaafd blijven aan drugs, zullen in de toekomst toch weer dakloos worden en zich wellicht weer schuldig maken aan kleine criminaliteit. Dat er veel in het werk wordt gesteld om dat te voorkomen, dat moet vooral geschieden in projecten waar drang en bemoeizucht op een goede manier georganiseerd zijn, waarbij de kennis wordt gedeeld, waarbij goed wordt onderhandeld en de agenda niet door de hulpverlener wordt gefrustreerd.

Hans Visser,juli 2003

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.