Gnosis

Gnosis

Gnosis lezing gehouden op 16 april 2007

De gnosis kunnen wij omschrijven als een bevrijdend, verlossend innerlijk weten, dat een waar inzicht geeft in wat wij God noemen in jezelf en in de kosmos. Een gnostische gedachte is, dat in de diepste ziel van de mensen een vonk van God te vinden is. De aanhangers van de gnosis hebben altijd moeite gehad met de wereld waarin wij leven, die niet beantwoordt aan de goedheid die aan de schepping wordt toegeschreven. Daarom wordt er vaak een onderscheid gemaakt tussen de echte, waarachtige God en een lagere God, die verantwoordelijk is voor de schepping. Wij hebben de gnosis tot 1945 alleen leren kennen uit de geschriften van de kerkvaders uit de eerste eeuwen, die zich hebben verzet tegen de gnosis. Dat gaf natuurlijk een eenzijdig beeld. Daarom mogen wij blij zijn met de vondst van de Nag Hammadi bibliotheek waarin een groot aantal gnostische geschriften werd aangetroffen, dat ons een genuanceerder beeld geeft van het vroege christendom. Het vroege christendom was toch rijker geschakeerd dan wij dachten. Je kunt niet zomaar de gnosis en niet-gnosis van elkaar onderscheiden door zwart en wit. Laten we wel wezen, de Alexandrijnse variant van het christendom, zoals we dat in Egypte aantreffen en dat sterk door de gnostiek is bepaald, is toch een verrijking geweest van het vroege christendom. Daar zijn ook bepaalde leerstellingen naar voren gekomen, die terecht de aandacht vroegen. De gnosis is nooit officieel veroordeeld door een concilie. De gnosis is altijd blijven voortleven binnen en buiten de kerk, denk aan de Katharen, de Rozenkruisers en bepaalde stromingen in het huidige New-Age. De diepste grond van alle zijn, die wij God noemen is onkenbaar, ontoegankelijk transcendent en van alle tijden.

De gnosis leidt ook tot de zogenaamde negatieve theologie. Laten wij bescheiden zijn in het spreken over God, die ontoegankelijk en beeldloos is. Wat dat betreft, kunnen wij nog veel leren van Jacques Derrida, die ons vertelde dat wij alleen maar beschikken over intuïtieve kennis ten aanzien van God. Hij verwijst naar het mooie verhaal van Elia op de Horeb, die God ervoer in de stilte. God is dus onbenoembaar. Deze gedachte is ook verder uitgewerkt in de Oosterse Orthodoxie. Daar lezen wij: “Want Gij zijt een onuitsprekelijk God, niet met het denken te omvatten. Onzichtbaar. Onbegrijpelijk. Altijd zijnde en op dezelfde wijze zijnde. Gij, uw Zoon en uw Geest.” Ook dat zijn onmiskenbare gnostische gedachten in de Oosterse Orthodoxie, die wij in de kerk breed aanvaard hebben. De gnosis gaat nog een stapje verder: “Met mijn diepste kern, met mijn meest wezenlijke zelf, voel ik mij op God betrokken. Mijn zin en Zijn zin vallen samen. Ik moet mij zelf kennen om God te kennen. En ik moet God moet kennen om mij zelf te kennen.” Het gaat dus om de relatie tussen zelfkennis en godskennis. Vanuit het Hebreeuws weten wij dat kennen een relationeel begrip is. God, die een mens kent, zoekt een relatie met die mens. Omgekeerd zal dat ook zo zijn. Het kennen is dus naar mijn stellige overtuiging relationeel van gehalte. De gnosis laat de godskennis en de zelfkennis in elkaar overvloeien. Er vindt een wezensverwantschap plaats tussen de goddelijke geest en mijn menselijk verstandelijk bewustzijn. Daarover zullen wij nog nader met elkaar spreken.

Binnen de antieke gnosis, die zowel joods als niet-joods is, is God geen statisch Zijn, maar een Zijn in beweging. Dat is een gedachte, die wij ook tegenkomen in de omschrijving van de naam van God: God zal er zijn voor de mensen. God komt in beweging voor de mensen. De gnosis wordt vaak gezien als een zelfverwerkelijking, zowel van mijzelf als van God. Waar zelfkennis ontstaat, kun je ook God leren kennen. God is de oerbron van het Al, in wie alles in potentie aanwezig is. Dat wordt binnen de gnosis ook uitgedrukt in de voorstelling van God, die zowel man als vrouw is. Er ligt dus een belangrijke nadruk op het androgyne karakter daarvan. God is niet alleen mannelijk of vrouwelijk, maar Hij is het beide. Op zichzelf is dat een gedachte, die de bijbel ook kent. In het boek Spreuken ontmoeten wij de wijsheid, waarmee God de hemel en de aarde schiep. De wijsheid is vrouwelijk. Een gnostische uitloper vind je ook in de leer van de iconen in de Oosterse Orthodoxie. Iconen zijn tekens waarin de overeenkomst tussen het teken en het betekende overweegt. Ook dat vloeit in elkaar over. De Alexandrijnse kerkvader Valentinus heeft altijd veel nadruk gelegd op het karakter van God naar man en vrouw. Hij was ook een voorstander van de echtvereniging, van de geslachtsgemeenschap. Valentinus heeft ook verklaard dat de seksuele ervaring goed is voor de geestelijke ontwikkeling van de mens. Dat maakt de Alexandrijnse variant van het christendom ook interessant. Er is een minder negatieve stemming ten aanzien van de vrouw. In de kerk van Rome heeft de theologie van Paulus gedomineerd. Paulus drukt de vrouw naar een tweede plan. De vrouw heeft volgens Paulus als eerste gezondigd, etc. Wat dat betreft, was Alexandrië een belangrijke correctie, die het echter niet in de kerkgeschiedenis heeft gehaald. Dat blijft jammer. Een latere gnosticus Bohme zegt dat God niet altijd spreekt met woorden, maar ook door de dingen, de bomen, de stenen, de lichtverschijnselen. Bohme zag achter de gewone werkelijkheid altijd de goddelijke werkelijkheid. Dat is ook weer een heel boeiende gnostische gedachte. God is de drager van ons bestaan. Ik druk het vaak zo uit: “Zoals een wit papier een tekening draagt, zo draagt God ons bestaan.” Wij zijn op elkaar betrokken. Alleen, denk ik, moet je het niet laten samenvallen. Dat is ook mijn grondbezwaar tegen de  radicale orthodoxe gnostiek, die stelt dat wie zichzelf kent, kent het Al, kent God. De zelfkennis gaat direct leiden tot de godskennis. Het zelf en het goddelijk Zijn zijn dan identiek. De goddelijke vonk sluimert in de menselijke ziel. Die goddelijke vonk moet bevrijd worden. Het druppeltje van God in mijzelf moet weer samengaan met de oceaan van het goddelijke. God als een paar, man en vrouw, die één zijn.

Martin Buber heeft fundamentele kritiek op de gnosis gehad. Bij die kritiek sluit ik mij aan. Buber stelt dat de kern van religie een persoonlijke relatie is met iets wat wij ervaren of geloven als een onvoorwaardelijk tegenover ons staand wezen. God en de mens zijn dus samen, maar staan ook tegenover elkaar. God en de mens zijn partners. Buber is in gesprek gegaan met Jung, die hij op dit punt fel bekritiseerde. De kritiek op Jung was, dat de gnostici alleen maar een relatie van het ik instandhouden met de achtergrond van hun eigen ziel. Buber stelt in zijn kritiek dat de ziel dan niet het Du van God ontmoet, maar niets anders ontdekt dan zijn eigen ziel. Buber wil dus een scherp onderscheid maken. Dat deel ik met hem. Jung heeft zich deze kritiek ernstig aangetrokken. Hij was erg teleurgesteld over de kritiek van Buber. Hij heeft later nog eens een toelichting gegeven wat hij eronder verstond. Dan blijkt dat Jung in zijn gnostische gedachte wel een onderscheid maakt tussen God en de mens. Hij laat het niet samenvallen. Maar daarover blijven de meningen verdeeld.

Een beroemd kenner van de Oosterse Orthodoxie was professor Hendrix. Hij had meer oog voor de gnosis als een mysterie. Hij vindt dat in de Oosterse Orthodoxe liturgie wij deelgenoot zijn aan het proces van een hemel op aarde. In de kerk staan wij in de voorhof van de hemel. Wie een icoon kust, kust de hemel. Zo beleven de Oosterse Orthodoxen hun relatie met God. Ongelooflijke boeiend. Toch denk ik dat in de Oosterse Orthodoxie het door Buber gewenste onderscheid blijft bestaan. Veel gnostici kennen dat onderscheid ook, maar er zijn ook gnostici die helemaal eenzijdig doorgaan op die goddelijk vonk. Het  is dan ook begrijpelijk dat men de schepping moeilijker toeschrijft aan God als Schepper. Daarin lag het grote conflict tussen de grote kerkvaders en de gnosis.

Iemand als Irenaeus heeft zich met kracht verzet tegen de gnosis. Hij wenste niet te horen dat wij in onze geest, in ons diepste zelf, één zijn met God. Irenaeus bestreed ook het onderscheid tussen God als Schepper en een lagere godheid die zich bezighoudt met de wereld waarin wij leven. Op dit punt wil ik nog wel begrip opbrengen voor de gnostici. Zij leefden in een wereld die verre van volmaakt was. Er waren oorlogen, ziekten, mensen gingen voortijdig dood. Er heerste onder de mensen vaak een tragisch levensbesef en ze konden niet geloven dat God dat allemaal zo had bedacht. Daarom sprak de leer aan, dat God een vonk in jezelf is die bevrijd moet worden. Deze wereld gaat voorbij, maar God blijft.

Valentinus heeft ook leuke gedachten ontwikkeld over de mens, die zelf God schept. De mens, die zelf de goddelijke openbaring onthult. Ook weer een heel boeiende gedachte, want het is natuurlijk de mens geweest, die in het proces van evolutie geconcludeerd heeft tot het bestaan van god en goden. De mens ervoer in zijn brein, dat er toch een macht is die hem of haar te boven gaat en dat zijn mensen gaan duiden met God.

We komen tot het slot. Ik hoop dat het ieder duidelijk is geworden dat ik gnosis en niet-gnosis niet als zwart en wit wil aftekenen. De gnosis is een belangrijke variant geweest in het vroege christendom. Daar moet serieus kennis van worden genomen. Mijn grondbezwaar tegen de gnosis blijft, dat wie zichzelf wil leren kennen toch niet altijd God zal vinden. Ik maak een onderscheid tussen de zelfkennis en de godskennis, hoewel ik tegelijkertijd weet dat God en mens op elkaar betrokken zijn.

Hans Visser, april 2007

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.