De ambivalente dominantie van het orgel in de kerkdienst

De ambivalente dominantie van het orgel in de kerkdienst

De ambivalente dominantie van het orgel in de kerkdienst

Laat er volstrekte duidelijkheid bestaan: tegen het orgel als muziekinstrument bestaat geen enkel bezwaar. Mijn bezwaar richt zich tegen de dominante positie van het orgel in de kerkdienst. De geschiedenis van het orgel is op zichzelf reeds veelzeggend. Voor de jaartelling kennen wij het waterorgel, dat zich na de jaartelling ontwikkelt tot het windorgel. Ik denk dat de eerste echte orgels er zo ongeveer in de 9e eeuw zijn. In de 14e eeuw doet het orgel haar intrede als muziekinstrument in de kerkdienst. Het orgel ontwikkelt zich steeds verder. Omstreeks 1500 zijn er vele nieuwe registers. In de geschiedenis van het orgel speelt Bach natuurlijk een belangrijke rol, en zeker niet de geringste. Zijn verdienste zijn onmiskenbaar. In de 20ste eeuw wordt het orgel gebouwd volgens de industriële normen. In 1918 bespeelt Mobach zijn eerste orgel. Het is een boeiende geschiedenis, maar daaruit blijkt reeds direct dat het orgel vanaf den beginne niet vanzelfsprekend is.

Laten wij eens even kort de muziekgeschiedenis doornemen. Muziek is vanaf den beginne populair geweest onder mensen. Gaan we na hoe de situatie was in het Nabije Oosten, dan kunnen we zien dat er reeds vroeg sprake is van muziek. Cadans is hoofdzaak. Muziek speelt vaak een rol bij profetische extases. De oudste muziek die wij kennen is de Sumerische muziek. De Sumeriërs gebruikten lange rieten fluiten, wat kortere pijpen (hobo’s), harpen, trommels, de zogenaamde sistra’s (ratels) en uiteraard de hoorns van dieren. Wat betreft de Israëlitische muziek worden we natuurlijk geconfronteerd met het gebrek aan afbeeldingen, die eigenlijk niet overeenkomstig de wet waren, maar we weten nu zeker dat de Israëlieten de lier en de trompet kenden, de harp en de fluit. Zij zongen liederen – denk bijvoorbeeld aan het lied van Deborah. Waarschijnlijk zal de tempelmuziek na-exilisch zijn, hoewel er toch vaak een terugprojecteren plaatsvindt van muziek na de ballingschap tot David, en het is niet uitgesloten dat David muzikaler was dan wij mogen veronderstellen. De inwijding van de tempel vond plaats met muziekinstrumenten. We ontmoeten in het boek Habakuk ook muziekinstrumenten, dus zij spelen toch een belangrijke rol in de geschiedenis van Israël. We onderscheiden dan ook de tempelmuziek na de ballingschap. Deze kent de trompet, de cimbaal, over en weer vinden beurtzangen plaats, de fluit, de bazuin, de zogenaamde lofar was een ramshoorn die later ook in de synagoge werd gebruikt en nog gebruikt wordt, de kinor, de lier of de harp, de nebel, de tamboerijn, de trommel. De Israëlitische muziek, tot uitdrukking komend in de tempelmuziek, was dus rijk gevarieerd; veel instrumenten, veel klanken.

Wat betreft het Nieuwe Testament kunnen wij vaststellen dat fluitmuziek alom bekend was, zoals wij lezen in de evangeliën: “Wij hebben voor u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst” (Matthéüs 11:17). Jezus nam ook deel aan de lofzangen. Paulus’ positie ten aanzien van het hele muzikale gebeuren is niet helemaal bekend. In I Corinthiërs 14:7 “Hoe toch zal men zelfs bij onbezielde dingen, die geluid geven, fluit of citer, als zij geen verschil in toon doen horen, weten wat op de fluit of de citer gespeeld wordt? Immers, indien de bazuin een onduidelijk geluid geeft, wie zal zich gereed maken tot den strijd?”

Muziek acht ik van belang voor de kerkdienst. Muziek kan betekenis hebben voor mij door wat zij in mij oproept en met mij doet. Muziek kan de taal van het hart worden. Het geluid van muziek is een beweeglijk proces in ruimte en tijd. Muziek is een taal die wij spreken en verstaan, maar die we niet kunnen vertalen. Muziek en stilte horen bijeen. De stilte in een kerkdienst zal de muziek mogelijk maken. Er is ook altijd een slingerbeweging tussen geluid en stilte. “Music is inscribed between noise and silence.” Kenners zullen weten dat er identiteitscriteria zijn voor muziek: wat maakt de muziek tot wat het is?

Interessant is om na te gaan hoe bij Pythagoras de muziek wordt verstaan op de wijze waarop getallen bestaan. De hemellichamen bewegen in een wiskundige verhouding en brengen onhoorbare hemelse muziek voort, en de aardse muziek is een afspiegeling van de hemelse muziek. Zo is het allemaal eens begonnen. Laten we wel wezen, we zullen nooit weten wat muziek werkelijk is als we geen rekening houden met de functie die muziek in het dagelijks leven heeft. De Franse filosoof Derrida heeft altijd gesproken over het kader dat muziek heeft. Hij bedoelde de grens tussen muziek en niet-muziek. Ook dat is heel interessant. Er zit in een kerkdienst ook een niet-muziekgehalte, naast de stilte. Het Woord is van groot belang. Paulus was daarvan reeds een schoon voorbeeld. Zoals ik reeds eerder zei, is de stilte een mogelijkheidsvoorwaarde voor muziek. De stilte kan overgaan in muziek.

Het orgel is een van de vele instrumenten. Ik heb nooit begrepen waarom het nou niet mogelijk is om een kerkdienst te vieren met alle instrumenten: fluiten, cimbalen, harpen, trompetten, trommels. Dat zou de kerkdienst verlevendigen. Dat zou mensen trekken. Ik hou van klassieke muziek, maar ook van popmuziek. Maak er een rijke variatie van. Laat niet altijd dat orgel zo dominant aanwezig zijn. Het orgel behoeft niet te verdwijnen uit de kerk. Het mag er zijn, maar het hoeft niet. In de Pauluskerk hebben we in het begin nog geprobeerd om een muzikale groep te maken, een klein orkestje. Dat is mislukt. Jammer, maar wat niet is kan nog komen.

Hans Visser juni 2007

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.