Toeval en schepping

Toeval en schepping

De Griekse filosoof Aristoteles heeft grondig nagedacht over het begrip toeval. Opvallend is dat wat hij toen gezegd heeft, door alle filosofen na hem is overgenomen. Aristoteles onderscheidt een drietal vormen van toeval. In de eerste plaats het accidentele toeval. Dat is iets wat bijkomstig is en niet wezenlijk. Ik heb bijvoorbeeld bruine ogen, maar dat zegt verder niets over wie ik ten diepste ben. Dat is een bijkomstig verschil; in de tweede plaats onderscheidt Aristoteles de contingentie. Hier gaat het om mogelijkheden: iets wat niet onmogelijk is, maar ook weer niet volstrekt noodzakelijk. Toeval betekent: het had ook anders kunnen zijn. Daarvan is de wereld natuurlijk vol: het proces van evolutie, de geschiedenis van mensen, ons eigen leven. Het feit dat ik besta is uiterst toevallig in de zin dat zich van de duizenden zaadcellen nu juist deze ene cel zich heeft versmolten met de toen aanwezige eicel; in de derde plaats kennen we het toeval dat bepaald wordt door het lot. Mensen hebben wel eens het gevoel dat er noodlotsmachten zijn die op onvoorspelbare wijze het menselijk handelen beïnvloeden. We hebben daar geen greep op. Een onverwachte ziekte die een jong kind doet sterven. Ook onze geboorte is natuurlijk een stom toeval, de meest ondemocratische daad die er bestaat: niemand heeft mij gevraagd of ik geboren wilde worden.

Zoals gezegd, staan we in een proces van evolutie, in een geschiedenis van mensen waarin niet alles is gedetermineerd. We zouden het misschien wel prettig vinden als alles volgens regels verliep die we allemaal konden achterhalen, maar zo is het niet. Inmiddels is in een aantal wetenschappen de chaostheorie ontwikkeld: er gebeuren ook onvoorspelbare dingen. Wij mensen proberen alles te controleren en te beheersen en we willen eigenlijk greep krijgen op het toeval. We willen niet dat dingen zomaar toevallig gebeuren. Maar toch, het toeval lijkt de beheersing als een schaduw te volgen. In deze wereld is bijvoorbeeld de malaria bedwongen. Miljoenen mensen hebben het leven gelaten door de malaria. Nu zijn er plotseling te veel mensen, die weer een probleem krijgen met honger. Zo zie je: er is weer iets nieuws dat we niet hadden verwacht. De moderne technologie in de wereld heeft veel zegen gebracht, maar tegelijkertijd een ecologische catastrofe veroorzaakt. Ook dat hadden we niet direct door.

Wij mensen maken deel uit van dezelfde werkelijkheid. Wij spelen daarin onze eigen rol. Die werkelijkheid kun je benaderen door geloven, door weten en door kennen. In den beginne heeft de mens veel gehecht aan het geloof, omdat het kennen nog onvoldoende was. Je zou kunnen zeggen dat er in de late Middeleeuwen een onderscheid gaat ontstaan. Mensen beginnen dingen te weten die wel eens wat strijdig zijn met het geloof en dat leidt ook tot conflicten. Dat conflict is voor een deel wel opgeheven, maar voor een deel duurt het nog voort. Het is altijd goed om een onderscheid te maken tussen geloven en weten. Zo kan ik zeggen dat ik weet uit onderzoek dat er sprake is van een betrekkelijke evolutie. Ik weet er nog niet alles van, er zijn nog veel gaten in onze kennis, maar we kunnen toch een bepaald zicht krijgen daarop. Tegelijkertijd zeg ik: ik geloof dat God de wereld bedacht heeft en geschapen. Je zou kunnen zeggen: dan is het geloof meer een duiding van de werkelijkheid, een interpretatie van de werkelijkheid. Ik heb in een vorige preek daarvan wel eens een voorbeeld gegeven: de broers, die jaloers zijn op Jozef, verkopen hun broer. Ze hebben een hekel aan hem. Jozef wordt altijd voorgetrokken door zijn vader. Jozef belandt in Egypte, waar hij later zijn eigen broers weer zal redden van de hongersdood. Maar in de bijbel staat rustig geschreven dat God Jozef naar Egypte zond, terwijl iedereen natuurlijk wist dat hij door zijn broers was verkocht. Dat is nou een duiding van de geschiedenis. Zo is Genesis 1, het scheppingsverhaal, niet een of ander handboek voor evolutie of een natuurkundeboekje, nee, dat is gewoon een belijdenis geweest van een Joodse priester, omstreeks 500 voor Christus. Hij kende allerlei scheppingsverhalen en heeft getracht om het unieke karakter in zijn verhaal te benadrukken.

Wij interpreteren en wij beleven de kosmos als schepping, maar dat geschiedt binnen het kader van een symbolisch universum: het geheel van voorstellingen en ervaringen en structuren dat het beeld van de werkelijkheid voor een mens vormt. Wij mensen kunnen niet zonder symbolen – let op de kunst, de religie, romans, poëzie etc. Het gaat om idealen, dromen, metaforen, verhalen, gelijkenissen, belevenissen, fascinaties, obsessies, Aha-Erlebnisse. Met symbolen kun je natuurlijk heel veel kanten uit. De Franse filosoof Monod gaat uit van een volstrekte, blinde doelloosheid. De werkelijkheid heeft iets weg van een nachtmerrie. Mensen spelen in een zigeunerorkestje, ergens in de randen van ons melkwegstelsel, en niemand luistert naar hen. Wat heeft het allemaal voor zin? De theoloog van Holk zei eens: “Hoe zwijgender de ruimte, hoe levenlozer het spel van lichten en krachten, hoe toevalliger het leven van de mensen; de mens staat alleen. Hij moet zich scherp zetten om zich te kunnen handhaven. In dit uitdijende universum met miljarden, miljarden sterren, kunnen wij ons als mensen op die aarde toch eenzaam voelen. Wat gebeurt er allemaal om ons heen? Is het waar wat Monod zegt, of zal ik mij schrap zetten om te overleven en mij te handhaven? De keuze die ik maak is dat ik kies voor de bijbelverhalen als symbolen voor de duiding van de werkelijkheid en dat doe ik omdat ik kennelijk in mijn hart door datgene wat ik als God beleef, overtuigd raak. Dan ga ik opnieuw letten op het toeval. Dan is het toeval als een radar van God die glijdt langs alle mogelijke pijlpunten in mijn bestaan.

Het toeval schept ook verrassing; er kan iets nieuws komen. Toeval kan een teken van vrijheid zijn. We kunnen zelfs spreken over de genade van het toeval. Mij valt iets toe als een groot geschenk. In die bijbelverhalen leren wij God kennen als een bevrijder, een verlosser. Uit al die verhalen blijkt duidelijk dat er bevrijd wordt van componenten in de werkelijkheid die mensen kapot maken: ziekten, rampen, oorlogen, honger, blinde doelloosheid. Er zijn natuurlijk altijd mensen die zeggen: “Ik leer God kennen in de natuur.” Natuurlijk, de natuur kan indrukwekkend zijn; de wandeling door een mooi bos, door de duinen, langs het strand, op de bergen in Zwitserland. Maar die natuur is toch te mooi, te grillig en te wreed. Ik leer daar God toch niet kennen. Ik loop toch vast in een moeras. Ik verblijf in een wereld die niet afgemaakt is, een wereld in wording. Zelfs het scheppingsverhaal in Genesis 1 maakt duidelijk dat in den beginne alles woest en ledig was, er was duisternis en water. God maakt daar geen eind aan. Hij schept alleen een leefbare situatie voor mensen. Hij scheidt licht van donker en land van water, maar de chaotische krachten blijven. De schepping is in die zin nooit afgemaakt. De wereld is in wording en in dat proces van wording spelen mensen een rol. God is daarin verborgen. Onze godsvoorstellingen zijn dan ook volstrekt ontoereikend. Wij kunnen slechts spreken in metaforen. Einstein, iemand die het universum goed kende, was van mening dat wat hij onderzocht, het godsgeloof bevestigde. Hij vond de werkelijkheid zo fantastisch in elkaar zitten dat hij zei: ”Daar moet God achter zitten.” Hij kreeg een conflict met de grondlegger van de kwantummechanica, waarin juist alles weer onzeker begint te worden. Einstein wilde daar niet van weten: “God dobbelt niet.” Toch moeten we zeggen dat de kwantummechanica in bepaalde opzichten gelijk heeft gehad. Er is sprake van een principiële onzekerheid. Niet alles is voorspelbaar. Een mens blijft zich rot zoeken. Niets is zeker. Die chaostheorie doet zich overal voor en bovendien is het zo dat ik als subject door de mij omringende wereld wordt beïnvloed en dat ik op mijn beurt die wereld beïnvloed. Subject en object zijn niet van elkaar te scheiden, maar beïnvloeden elkaar. Daarom wil ik altijd graag weten over welke god we het hebben.

Ik heb u voorgelezen uit Hebreeën 1. Daar staat dat God vele malen op velerlei wijze tot de vaderen gesproken heeft. En dan gaat het over Abraham, Izak, Jakob, Mozes en alle andere profeten. Allemaal verhalen die handelen over bevrijding, het wegtrekken, het op weg gaan. Ze gaan ook over de schending van de thora, die nou juist bedoeld was om een leefbaar leven te kunnen leven. Het gaat over een nieuwe en een andere wereld die er moet komen.

“Tenslotte”, zegt Hebreeën, “wordt God ook nog eens zichtbaar in die onvergetelijke mens, Jezs, die eigenlijk, zoals Johannes zegt, het mens geworden Woord is. Het Woord waarmee God de dingen heeft geschapen in Genesis 1. God sprak: ”Er zij licht en er was licht.” Dat Woord wordt zichtbaar in Jezus. Vandaar ook dat Hebreeën zegt: “God schept ook door het Woord, God schept ook door Jezus als een soort middelaar.” Let wel, Jezus is en blijft mens, deel van onze eigen werkelijkheid. Dat is natuurlijk iets heel verrassends in de christelijke religie, dat je bij andere godsdiensten nauwelijks tegenkomt, dat het goddelijke zó diep afdaalt in het menselijke, en dan wordt ook nog duidelijk dat het gaat om barmhartigheid, om compassie, bekommernis, rechtvaardigheid. Jezus is ook een soort fellow-suffering. De God van Abraham en Mozes komt ons nabij.

In deze Jezus als vlees geworden Woord, vinden alle dingen hun bestand. Let wel: goed en kwaad. Wat mensen aan kwaad bedreven hebben, hun verraad; hun ontrouw wordt vergeven. Het kwaad zal ook worden uitgeroeid. Natuurlijk deugt er veel niet in deze wereld, maar het zal voorbij gaan. In tegenstelling tot professor Van der Beek versta ik de wereld niet vanuit het kruis, maar ik wil hem verstaan vanuit de God die we hebben leren kennen in die oud-testamentische verhalen. Die oud-testamentische God die afdaalt in onze werkelijkheid, die ook een goede herder wordt genoemd, die dat ene schaap zoekt dat kwijtraakt. Uiteindelijk belandt Jezus aan het kruis. “Maar”, zo zegt het Nieuwe Testament: “Ons staat een nieuwe wereld te wachten.” Jezus staat op uit de dood. Dat is een symboolverhaal. Het is niet te fotograferen, het is niet met een camera op te nemen. Het zit aan de rand. Het is een symbool dat verwijst naar een werkelijkheid die ons verstand ver te boven gaat. Maar het gaat om een nieuwe wereld. Jezus keert ook niet terug in het oude leven. Jezus geeft een beeld van een nieuw leven. We staan op in een nieuwe wereld. Ook dat is natuurlijk heel interessant in dit universum, dat er een idee is van een nieuwe wereld. Symbolen geven dus altijd te denken: hoe zal het allemaal zijn? Natuurlijk ben ik een product van contingentie. Ik ben op deze wereld geworpen. Ik sta daar alleen. Maar toch word ik geroepen om in mijn eenzaamheid mijzelf te aanvaarden als een medeschepper naast God, want dat heeft God voor ogen: dat die mens met hem meeschept, meedoet, ook denkt over die toekomst, dat hij ook de roeping voelt om naar een ander om te zien en dat hij wil werken aan een wereld zoals God die droomt voor ons; een droom waarin ik mee mag dromen en die ik mee mag realiseren.

Hans Visser, februari 2006

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.