Religieus geweld

Religieus geweld

Om de achtergrond van religieus geweld te begrijpen, is het noodzakelijk om na te gaan hoe het Jahwisme zich in de geschiedenis van Israël heeft ontwikkeld. Het Jahwisme betekent: het geloof, gekoppeld aan de naam van God, Jahwe, die betekent: Ik zal er zijn voor u. Wij kunnen aannemen dat de geschiedenis van het volk Israël die valt te verifiëren, ongeveer aanvangt tijdens de profeten-eeuwen: achtste en zevende eeuw voor Christus. De geschiedenis daaraan voorafgaand is meer een compositie van latere redacteuren geweest. Zo nemen we aan dat het volk Israël aanvankelijk heeft bestaan uit allerlei stammen, die vanuit de woestijn opgerukt zijn naar het huidige Palestina, dat vroeger Kanaän heette. Deze stammen zijn met elkaar verenigd tot het volk Israël. Zo nemen we aan dat er een stam was van Levi, die in Egypte heeft verbleven, zich heeft losgemaakt van de Egyptische slavernij, naar de Sinaïtische woestijn getrokken is. Daar duikt de persoon Mozes op. Mozes heeft de ervaring met de brandende braamstruik, waar hij de godsnaam te horen krijgt. De God om wie het gaat, die het volk Israël wil bevrijden uit Egypte, dat is de God die heet: Ik zal er zijn voor de mensen. Na een zwervend bestaan in de woestijn zijn de stammen opgetrokken naar Kanaän, hebben nog een tijdje geleefd als half-nomaden, maar vestigen zich uiteindelijk dus in het land Kanaän. Daar zijn mensen die geloven in allerlei goden. Een van de belangrijkste is El, die gezien wordt als de schepper van hemel en aarde, als de voorzitter van alle goden en als de onderdrukker van de machten. De Israëlitische stammen die kennis hebben gemaakt met Jahwe – die hen bevrijd heeft uit Egypte en hen een nieuw land heeft gegeven – wordt nu vereenzelvigd met deze El. Jahwe is dus de El van de Israëlitische stammen. Maar dat gebeurt niet met andere goden. Een hele populaire god was Baäl, een landbouwgod, die grote aantrekkingskracht uitoefende op de mensen, die allemaal van de landbouwactiviteiten afhankelijk waren en zich graag hielden aan allerlei cultusgebruiken en religieuze voorschriften die een oogst garandeerden. Baäl was dus zeldzaam populair.

Wat wij waarnemen in de geschiedenis is, dat er in de achtste en zevende eeuw voor Christus een strijd ontstaat tussen Jahwe en Baäl. Aanvankelijk hebben al die stammen – ook de Israëlitische stammen – geloofd in Baäl en andere goden, maar dan komt het tot een confrontatie, met name onder Elia. Elia stelt de vraag: Wie is nou de echte God? Is dat Jahwe of is dat Baäl? Elia laat een offer brengen en de echte God zal het vuur ontsteken op het altaar. De Baäl-priesters slagen er niet in. Elia wel, en dan weet iedereen dat de beeldloze God, Jahwe, de echte is. Elia besluit om de vierhonderd Baäl-priesters te doden. Dit is natuurlijk een duidelijke vorm van een gigantisch religieus geweld. Maar laten we wel wezen: het gaat hier om een strijd op leven en dood tussen Jahwe en Baäl.

Men zou kunnen zeggen dat de profeten in de zevende en achtste eeuw voor Christus de basis hebben gelegd voor het monotheïsme. Aanvankelijk hebben al die stammen geloofd in meerdere goden. Jahwe, die El was, was dan wel zo’n beetje de baas van alle goden, maar ook aan andere goden werd nog waarde gehecht. De profeten in de zevende en achtste eeuw maken daaraan een eind. Er is maar één God en dat is Jahwe. Deze God kiest partij voor de mensen in de verdrukking – denk aan Egypte – en Hij wil hen bevrijden. Zo is Jahwe aanvankelijk gewoon een stamgod. Hij vecht aan de zijde van de stammen die Hij heeft verkozen tegen de andere stammen die hen kwaad berokkenen. De Amelekieten bijvoorbeeld, vallen de joden aan in de rug. Dat vindt God zó gemeen, dat hij besluit om die Amelekieten uit te roeien. Het gaat vaak om defensieve oorlogen, maar ook offensieve oorlogen. De strijd tussen al die afgoden en Jahwe is een strijd waarin God zich gaat ontwikkelen als een universele God, die niemand naast zich duldt. Wat dat betreft is God eigenlijk jaloers. Hij wil geen liefde delen met andere goden. Dat is ook de kern van het monotheïsme dat Israël voorstaat. De ene God is uniek, enig in zijn soort, universeel en hij is ook één. Wat dat betreft zijn jodendom, christendom en islam met elkaar verbonden. Dat is eenzelfde religieuze grondslag.

Er zit in de heilige boeken van bijbel en koran veel gewelddadigheid. Die kunnen wij uit de religieuze achtergronden in die tijd wel verklaren, maar het is niet de bedoeling dat deze teksten gaan dienen om later in de geschiedenis geweld goed te gaan praten of te rechtvaardigen. Je kunt dus niet met een beroep op bijbelteksten gaan zeggen: “Het is terecht dat de Amerikanen in Afghanistan vachten of Irak.” Dat is baarlijke nonsens. Natuurlijk zijn er veel bijbelteksten die het geweld rechtvaardigen. Er worden volkeren in de pan gehakt. Israël zelf verdwijnt in ballingschap, omdat Israël een aanhanger was van de afgoden en dan heeft God er eigenlijk niet zo veel zin meer in. Maar uiteindelijk nokt God nooit af. Hij blijft trouw aan Israël en de conclusie van Israël is uiteindelijk geweest: die God is uniek, enig en universeel. God is een Bevrijder, maar hij is ook een Schepper. Hij is ook geïnteresseerd in andere volkeren. Je ziet dat de grote profeten heel langzamerhand de deur gaan openen naar die volkeren, dat ook steeds duidelijker wordt dat wie zich toewijdt aan God, wie gehoorzaam is aan God, wie de thora van God uitvoert, dat die ook vrede zal krijgen. Ik denk aan II Kronieken 15, waar staat geschreven dat de Judese Koning Asa gehoorzaam is aan de thora, de afgoden vernietigt, vrede ervaart. Tijdens zijn regering is er 35 jaar lang geen oorlog. Dat is op zichzelf veelzeggend. God zoekt de oorlog niet, maar hunkert naar de sjaloom. Mensen moeten wel trouw blijven.

Men zou kunnen zeggen dat de komst van Jezus een definitieve doorbraak is naar alle volkeren. Jezus staat in de joodse traditie, sluit ook aan bij de thora en de profeten, maar maakt de poort open naar de andere volkeren. Hij zegt tegen de discipelen: “Maakt alle volkeren tot mijn discipelen.” Jezus benadrukt de geweldloosheid. Kwaad moet met goed worden beantwoord.

God is de God van alle volkeren. God heeft bemoeienis met alle volkeren. Paulus zal dat later in zijn contact met de Grieken ook benadrukken. God is geïnteresseerd in elk volk. Hij gaat met ieder volk een eigen weg. Alle mensen, ook andere volkeren, stammen van God af. God is uiteindelijk degeen in wie wij ons bestand vinden. Uit en door hem zijn wij. Er is dus een ontwikkelingslijn van een stamgod die kiest voor een klein stammetje tot een universele God die andere volkeren niet wil laten verdwalen. Dat betekent ook dat er een strijd is om de waarheid. Er zit in het geloof in God een uiting van waarheidsbesef. Daarom zullen mensen opkomen voor mensenrechten. Er moet respect zijn voor mensen. Er moet niet gejat worden of bedrogen of gedood. Mensen moeten worden lief gehad. Er is vrijheid van geloof en geweten. Mensen mogen zeggen wat ze denken. De waarheid is dat God uniek is en enig. Daar zetten wij ook al onze kaarten op.

Wie God zoekt, doet de thora recht en de thora wordt altijd aangepast bij de tijd. In onze tijd is dat het milieu, de duurzaamheid, de ontwikkelingssamenwerking, de bestrijding van de armoede, het zich aantrekken van het lot van vluchtelingen, het tolerant zijn ten opzichte van andersdenkenden, etc., want sjaloom betekent dat er geen oorlog is. Wij leven in een tijd waarin mensen nog altijd hun eigen afgoden creëren: geld, macht, prestige, bezit, maar er zijn ook talloze mensen die God overbodig achten. God is uitgestoten, God wordt dood verklaard, God is een illusie of een droom. Maar een gelovig mens is natuurlijk ook tolerant ten opzichte van de waarheid van deze unieke God, die barmhartig is en rechtvaardig, de God die ervaren wordt als de grond van het bestaan en daarom zal een gelovig mens het ook niet pikken als anderen God menen belachelijk te moeten maken of God zomaar afschrijven. Maar voorzichtigheid is geboden, want laten we wel wezen, gelovigen roepen zelf ook vele misverstanden op. Soms kan het beter zijn om te zwijgen, maar het kan noodzakelijk zijn om voor de waarheid uit te komen, om te protesteren, om verzet aan te tekenen tegen baarlijke nonsens die over God wort uitgesproken. Maar wie streeft naar sjaloom wordt geleid door wijsheid en de wijsheid die Jezus ons leerde was ook: heb je vijanden lief. Dat betekent niet alleen respect voor je eigen soortgenoten en geloofsgenoten, maar ook respect voor de mensen die er zo totaal anders over nadenken en jou vijandig gezind zijn.

Hans Visser, mei 2007

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.