Etty Hillesum

Etty Hillesum

Preek Kruispuntdienst over Etty Hillesum op zondag 6 maart 2005

Vandaag gedenken we Etty Hillesum, geboren op 15 januari 1914 te Middelburg, gedood in Auschwitz op 30 november 1943 op negentwintigjarige leeftijd. Etty Hillesum was een vrouw, een mens van vlees en bloed. Ze leefde in haar tijd niet volgens de conventies. Ze was rijkelijk non-conformistisch. Ze ging haar eigen weg en dat is natuurlijk heel verrassend voor een vrouw zestig jaar geleden. Zij studeerde rechten, Slavische talen en psychologie. Ze leefde in een moeilijke tijd waarin ze als jodin doorhad dat haar geen lang leven zou worden vergund. Nazi-Duitsland was natuurlijk een verschrikking voor de joden. Maar ze wilde nooit langer depressief zijn dan een half uur, want uiteindelijk wilde ze genieten van het leven.

Erotiek en religie waren voor Etty Hillesum erg belangrijk. Ze heeft enkele mannen verslonden, “want”, zei ze, “ik ben erotisch doorgewinterd”. Maar ze had er ook wel eens last van. Dan zei ze: “Kan ik niet beter non worden of monnik in een groot klooster? Dan kan ik de lusten van het vlees beter bedwingen. Dan zwelg ik niet langer in de erotiek want ik wil eigenlijk maar één man.” Maar zo ging het niet. Zij ontmoette in het leven Julius Spier, een hulpverlener, een wetenschapper. In onze tijd zou hij aan de paal worden genageld door de inspectie van volksgezondheid, want een hulpverlener mag natuurlijk in een machtssituatie geen relatie hebben met zijn patiënten. Nou, dat was Etty een worst. Ze hield van die man, ze had een goede relatie met hem, maar tegelijkertijd wist ze ook weer dat S. ook een relatie had in Londen. Zij had ook nog een andere relatie. En toch werden ze naar elkaar toe gedreven. Soms gaf dat haar ook wel eens het gevoel: ben ik nou een straathoer? Kan ik niet beter een heilige worden? Wordt de vriendschap niet bedorven door de erotiek?

Ze leefde in een spannende tijd. Het werd voor de joden steeds moeilijker. Ze kwam terecht in Westerbork en later op transport naar Auschwitz. Je had geen grip op de geschiedenis. Je kon niks tegen Hitler ondernemen zoals wij niks tegen Bush kunnen ondernemen. Dan zijn mensen maar holle vaten, waar de geschiedenis doorheen spoelt. Maar dat geeft wel eens aanleiding om na te denken over de zin van het leven. Etty Hillesum had het goed gezien: die zin komt niet aanwaaien, die overkomt je niet, die zin moet je bevechten. Je moet de zin zoeken, die zin géven aan je leven. Daarbij speelt religie een belangrijke rol, hoewel God wel eens zoek kan zijn. Ik zei u al: mystiek, religie, erotiek – het hangt allemaal met elkaar samen, het zoeken van God, het zoeken van een man. ‘Ik wil eigenlijk maar door één man begeerd worden’, zegt ze op zeker moment, ‘om dan in mijn vrouwzijn te worden bevestigd. Het is wel erg moeilijk om met God en met je onderlichaam op gelijke voet om te gaan. Is het niet beter dat ik niet langer meer in een vuilnisbak verkeer, maar dat ik een kloostercel verkies?’Je ziet dus dat Etty voortdurend in haar geschriften zoekt naar een rechtvaardiging van haar eigen handelen, maar geen genoegen neemt met goedkope oplossingen. Is het eigenlijk allemaal wel nuttig wat ik doe? Ben ik wel ergens ingeschakeld? Ze weet dat ze als jodin op een dood spoor wordt gezet. Ik zei u al, ze leefde niet volgens de normen van de gemiddelde mens. Soms, zegt ze, zit God in een diepe put in mijzelf en die put is overdekt met gruis en steen. Dan moet je God weer uitgraven. En dat deed ze van harte, want de stem van haar geweten, de stem van God zou niet mogen verstommen. Zeker niet als ze weer midden in het raadsel man zat. Ze kan ook genietend een driehoeksverhouding beschrijven als ze samen met een vriendin een man bemint. Ach, zegt Etty, dat is helemaal niet pervers, ik heb ervan genoten. Natuurlijk, als ik er lang over nadenk, denk ik wel eens: zou één man niet beter zijn? Maar ach, dat overkomt mij niet. Het lukt me niet.
Filosofisch dacht ze na over de bekende woorden van Descartes: ‘cogito ergo sum’ (ik denk en daarom ben ik er), maar ze dacht ook na over de woorden ‘credis ergo non es’ (je gelooft en daarom ben je er niet). Maar tot die laatste conclusie kwam ze niet. Voor Etty was het zo: je gelooft, je denkt en daarom ben je er. God neemt je aan je hand en je gaat gewoon braaf mee; niet moeilijk zitten doen.

Gemakkelijk is het leven niet als je twee mannen hebt, want bij de een verlang je weer naar de ander. Maar ook dat heeft ze in haar leven niet als een geweldig noodlot ervaren. Ze wilde überhaupt niet geloven in het noodlot want, zei ze altijd: ‘Hoe men zich innerlijk stelt tot de gebeurtenissen in het leven, dat bepaalt je lot.’ Er gebeurt van alles in een mensenleven. Je reageert er op een bepaalde manier op en dat bepaalt nou juist je lot. Zo probeerde Etty anderen te begrijpen. Ze probeerde ook in haar omgeving sociaal te zijn. Ze had te doen met mensen. Vooral haar Westerbork-fase bewijst dat. En dan kan ze wel eens wat nadenken over het leven: ‘Ach, de erotiek was wel belangrijk in mijn leven, maar een goed gesprek met iemand, je eigen gedachten verwoorden in poëzie of proza, dat schept toch meer bevrediging.

Het was natuurlijk een verschrikkelijke tijd, vooral in Westerbork wanneer het begin van het einde aanbreekt: de oorlogsdreiging, de vliegtuigen in de lucht, mensen die opgepakt worden, de dreigende dood. Maar, zei Etty altijd: ‘Alle catastrofes komen uit onszelf voort.’ Ze had geen enkele behoefte om God een verwijt te gaan maken. Het geloof bracht haar ook nooit tot vertwijfeling want, zou ze zeggen: zelf ben je de oorzaak van een hele hoop misère in de wereld. Mensen kunnen repressief en hard met elkaar omgaan. We kunnen elkaar naar het leven staan, elkaar vermoorden met gedachten woorden en daden. Natuurlijk loopt een mens wel eens weg uit machteloosheid en je wordt geconfronteerd met de macht van Nazi-Duitsland om te doden. Maar, zei Etty, ik heb wel eens van iemand gehoord die zei: Ik heb de macht om gedood te worden. In Westerbork ervaart ze dat er dingen gebeuren die niet meer met het gezonde verstand voor mogelijk werden gehouden. Verschrikkelijk, zo’n kampement met barakken waar mensen als ratten in een riool leven. Toch zegt ze: Wij kunnen het leven op deze aarde leefbaar houden wanneer we vasthouden aan de liefde die Paulus beschrijft in 1 Kor. 13 : ‘Het leven is goed’. Aan God zal het niet liggen. Als wij maar voorzichtig zijn, als we ons oefenen in de liefde die alles verdraagt. Als het scheef gaat, dat ligt dat aan onszelf.

Ze was ook geboeid door de woorden van Jezus in Matth. 6: ‘Maak u niet bezorgd over de dag van morgen. Iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen zorgen, aan zijn eigen kwaad.’ Het leven is een samenspraak met God. Natuurlijk maakt een mens zich allerlei zorgen: eten, drinken, kleding, huur, de was doen. Maar elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. Zelf schrijft ze:’Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. Dat is de enige instelling waaronder men het leven hier aankan. Ik leg dan ook met een zekere gemoedsrust iedere avond mijn vele aardse zorgen maar aan de voeten van God. Het zijn heel triviale zorgen, bijv. hoe ik het klaar moet spelen met de was voor de familie en dit soort zaken meer. De grootste zorgen zijn helemaal geen zorgen meer, die zijn al geworden tot een Schicksal, een lot waarmee men vergroeid raakt. Het gaat er voor ons, geloof, niet meer om dat men leeft maar hoe men ingesteld is op de ondergang. Kijk, uit deze woorden blijkt opnieuw de manier waarop Etty het lot ondergaat. Er gebeuren dingen, zoals de geschiedenis gaat door holle vaten. Tegelijkertijd neem je een bepaalde houding aan. Je praat er met God over. Je weet, deze weg wordt doodlopend, hij voert naar de ondergang. En dan toch blijven vasthouden aan het leven zolang je er bent.

Uiteindelijk, op 7 september 1943 wordt ze op transport gesteld. Vlak bij Nieuwe Schans gooit ze nog een kaartje uit de trein. Het is het laatste levensteken. De inhoud van het kaartje luidt: ‘Christien, ik sla de bijbel open op een willekeurige plaats en vind dit: “De Heer is mijn hoog vertrek.” Ik zit midden in een volle goederenwagon op mijn rugzak. Vader, moeder en Mischa zitten enige wagons verder. Het vertrek kwam toch nog vrij onverwacht. Plotseling bevel voor ons, speciaal uit Den Haag. We hebben zingende dit kamp verlaten. Vader en moeder zeer flink en rustig; Mischa eveneens. We zullen drie dagen reizen. Dank voor al jullie goede zorgen. Achtergebleven vrienden schrijven nog naar Amsterdam. Misschien hoor je iets? Ook van mijn laatste, lange brief? Tot ziens van ons vieren, Etty.

In het boek ´In memoriam’worden de honderdduizend joden herdacht die in de Tweede Wereldoorlog zijn omgekomen. Hierin vinden wij de aantekening: Hillesum, Esther, 15 januari 1914 geboren te Middelburg, gedood in Auschwitz 30 november 1943. Haar leven voortijdig afgebroken. Joden reageerden verschillend op de naderende dood. De een verloor zijn geloof en de ander behield het. Etty bleef vasthouden aan God. Misschien waren haar laatste woorden ‘sh’ma  Israël’.   Wij bidden ten slotte het Kaddisj-gebed: ‘Laat de grootheid en heiligheid van Zijn Grote Naam vermeld worden in de wereld, die Hij geschapen heeft volgens Zijn wil. En moge Hij Zijn koningschap vestigen tijdens uw leven en tijdens het leven van heel het huis Israël, spoedig en binnenkort. Zegt nu: Amen. Moge Zijn grote Naam geprezen zijn in alle eeuwigheid, moge geprezen met hulde, roem en hoogachting vermeld, verheven, verheerlijkt en met extatische lof bezongen worden de Naam van de Heilige, die geprezen is boven alle uitingen van prijzen, gezang, hulde en troost die er in de wereld geuit worden. Zegt nu: Amen. Moge er veel vrede uit de hemel komen en leven. Voor ons en voor heel Israël. Zegt nu: Amen. Die vrede sticht in Zijn hoge sferen, moge ook vrede brengen voor ons en voor heel Israël. Zegt nu: Amen’.
Hans Visser

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.