Archief van
Categorie: Discussie

Provoceren van het oog

Provoceren van het oog

Laat uw oog  provoceren………
Bij de opening van expositie Galerie Medea op 12 maart 2011
Tegenwoordig is er veel belangstelling voor het brein.Wij zijn het brein,zegt Swaab.De werking van ons brein is zeer complex.Onze geest,ons bewustzijn,ons denken speelt zich af in die materiele wereld van onze hersenen.
Kunst wordt geboren in ons brein maar met die kunst kunnen we het brein van anderen provoceren.Bij schilderkunst speelt ons oog een beslissende rol.

Met onze perceptie interpreteren wij de werkelijkheid.In onze perceptie speelt ons brein een belangrijke rol maar ook de cultuur,onze omgeving,onze opvoeding, onze opleiding.
Riley zei eens dat de natuur niet het landschap is maar de dynamiek van visuele krachten. Het gaat hier om een gebeuren.
Soms wordt onze perceptie verstoord door tegengestelde beelden.Onze ogen worden geprovoceerd. Het lijkt wel of de kunstenaar mijn oog geen rust gunt. Het kan zelfs zover komen dat je begint te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de perceptie. We geraken compleet in de war. Onze perceptie kan het niet meer aan.
Wat ziet veen mens niet allemaal: kleuren, lijnen, vlakkenverwevingen, patronen, kortom alle coordinaten van onze fascinatie.
De kunstenaar wil bv zijn vlakken laten vibrteren, hij nodigt ons oog uit dat ook te zien.er wordt een zwaar beroep gedaan op onze perceptie.Onze ogen kunnen het soms niet meer verdragen. We kijken onze ogen uit.
Er ontstaat een wisselwerking tussen onze ogen, ons brein, onze perceptie en het kunstwerk. Het kunstwerk provoceert ons brein maar ons brein bepaalt de dynamiek van het kunstwerk. (Zie Kunst van de 20e eeuw, deel 1 van Ruhrberg e.a.)
Laat u thans provoceren!

Hezbolla

Hezbolla

Joden, christenen en moslims behoren tot de partij van God (=Allah) (HEZBOLLA)

Joden,christenen en moslims verkondigen ons de eenheid van God. Hoor Israel,de Heer uw God is een,enig in zijn soort,uniek. Ten tijde van de profeet Mohammed waren er christenen die verklaarden dat Jezus gelijk was aan God en dat Maria de Moeder van God was. Voor Mohammed was dit een blasfemie.

Profeten waken over het Woord van God. Dat Woord gaat van God uit en keert niet ledig tot Hem terug maar volbrengt waartoe God het Woord zond. De profeet duidt de geschiedenis,spelt de gebeurtenissen,openbaart en ontmaskert. De profeet is vaak een onruststoker. Hij neemt de geestelijkheid en politici onder de loupe.

Het gaat de profeet om de God wiens Naam luidt:IK ZAL ER VOOR U ZIJN. God trekt zich het lot aan van mensen in nood. De Islam erkent Mozes en Jezus als profeten. De vraag doet zich voor waarom wij Mohammed niet willen erkennen als profeet. In bijbel en Koran wordt gezegd dat Jezus en Mohammed de Thora bevestigen d.w.z. van kracht maken. Joden en Christenen zijn mensen van het boek. We moeten leren letten op de samenhang van de boodschappen in bijbel en koran.

De mens is rentmeester,als plaatsbekleder van God op aarde. Eigenlijk zijn we allemaal leden van HEZBOLLA(De Partij van God). Prof dr Anton Wessels schreef hierover een boeiend boek:Thora,Evangelie en Koran.

De profeet Amos haalt een streep door de exclusiviteit van Israels verkiezing. Israel verbeeldt zich in de uitverkoren positie van Gods volk. Maar God is de God van alle volken. God leidde niet alleen Israel uit Egypte maar leidde ook de Filistijnen uit Kreta,de Arameers uit Kir.hij ziet om naar de Kushieten,de Ethiopiers,de zwarte mensen op deze aarde. God houdt van alle mensen. Dat brengt de vraag met zich mee hoe God zich verhoudt tot de moslims. Hij leidt ook de moslims aan Zijn hand in de geschiedenis.

Maar zult u zeggen:de Koran (SURA 4:157) ontkent toch de kruisdood van Jezus. We willen hierbij stilstaan.De Koran spreekt wel van Jezus sterven. God neemt Jezus tot zich. Deze verheffing is zijn sterven. God heeft hierin de hand. Denk aan de rol van God in het leven van Jozeph.Deze wordt verkocht door zijn broers aan handelaren om later als onderkoning Isrsael te redden.Dan leert de bijbel: God heeft Jozeph geroepen.

In het Johannes Evangelie wordt Jezus sterven met verheffing vergeleken. Mozes verhoogt de slang zodat de mensen die daarnaar kijken behouden worden. Zo wordt Jezus verheven tot God. Het sterven is dus verheffing.

Niet altijd zijn profeten te doorgronden. Denk bv aan het optreden van de profeet Samuel die namens God koning Saul verwerpt. Een wreed verhaal dat afloopt met de dood van Saul. Aan Martin Buber werd gevraagd wat hij dacht van het optreden van Samuel. Hij antwoordde: wat is Gods Woord, wat is een mensenwoord???Daar komen we nooit goed achter.

Waar het uiteindelijk omgaat is om welke God gaat. De God die barmhartig is. Dat is de kern van Jodendom,Christendom en Islam.
Vaak wordt de Islam als gewelddadig afgeschilderd. Duidelijk is dat niet alleen moslims maar ook joden en christenen zich schuldig gemaakt hebben aan geweld/. De Barmhartige God(=Allah) staat niet achter dit geweld. De Koran leert dat een misdrijf met iets beters moet worden beantwoord. Jezus leert ons de vijand lief te hebben.

In het prachtige verhaal over Eliza wordt verteld dat het Aramese leger wordt afgevoerd naar Samaria. De soldaten zijn niet langer verblind. De koning van Samaria wil hen doden. Maar Eliza nodigt hen allen uit voor de maaltijd die verbondenheid schept. De soldaten mogen terugkeren naar hun land. Ik denk weleens waarom organiseren we geen maaltijden met Taliban,Hamas en Hezbolla. We zoeken de dialoog om gezamenlijk vrede te zoeken. Het heeft geen zin kwaad met groter kwaad te beantwoorden. Laten we leven in de geest van Jezus. We koesteren het vertrouwen dat we allen , joden, christenen en moslims behoren bij de partij van God (HEZBOLLA). Zijn barmhartigheid leidt ons bestaan.

Pedofilie is geen ziekte maar een geaardheid

Pedofilie is geen ziekte maar een geaardheid

Pedofilie is geen ziekte maar een geaardheid
Hans Visser, emeritus predikant PKN te Rotterdam, verbonden aan Stichting Ondersteuning Stemlozen, die bezoek van vrijwilligers aan pedofielen ondersteunt − 19/02/11, 00:00
Pedofielen moeten hulp krijgen. Wie leert ze met respect om te gaan met kinderen? Nu kunnen ze nergens terecht.
Pedofielen moeten seksuele grenzen leren verstaan, met het oog op de kwetsbaarheid van kinderen. (FOTO ANP)
In zijn studie ’Wij zijn ons brein’ zet neurobioloog Dick Swaab uiteen dat de oorzaak van de fascinatie voor kinderen bij pedofielen gezocht moet worden in de hersenontwikkeling in de baarmoeder en de vroege ontwikkeling na de geboorte. De seksuele oriëntatie wordt bepaald door onze genetische achtergrond en de zich voor de geboorte ontwikkelende hersenen. Deze genetische verklaring van pedofilie zou ik willen relativeren.
Psychiater Frank van Ree schreef dat er stellig genetische factoren zijn, maar een ding is duidelijk: genen zijn volgens Van Ree niet meer dan de tekst van een toneelstuk. Hoe dat stuk gespeeld wordt, verschilt per voorstelling.
Het taboe op pedofilie heeft geleid tot volstrekte afwijzing ervan. Met als gevolg dat mensen met een pedofiele geaardheid aan hun lot worden overgelaten. De overheid beschouwt pedofilie als een gestoorde seksuele geaardheid. Pedofielen kunnen nergens terecht en worden geacht zelf hun problemen op te lossen. Wat het volk wil, is doorslaggevend geworden. Hier en daar klinkt de roep om pedofielen chemisch te castreren.
Het is te gemakkelijk pedofilie als stoornis weg te wuiven. Ik bepleit het zoeken van het smalle pad tussen de twee onwenselijke situaties. Er is een middenweg nodig tussen enerzijds de vrije autonomie van mensen die zich de vrijheid voorbehouden om te doen wat ze lekker vinden met kinderen, en anderzijds de volstrekte afwijzing van de pedofiel, door de samenleving.
We moeten eerlijk zijn. Voor iedereen is seksualiteit een drift die niet zomaar bestuurbaar is met moralistische regelgeving. Mensen zoeken nu eenmaal mogelijkheden om aan deze drift vorm en inhoud te geven. Zelfs kinderen hebben erotische gevoelens. Zij zoeken warmte en genegenheid. Een pedofiel moet die gevoelens echter niet met grotemensenseks beantwoorden, en hij moet scherp naar kinderen luisteren. Pedofielen hebben daarbij steun en advies nodig. De samenleving moet hen niet aan hun lot overlaten.
De samenleving moet leren zo verstandelijk mogelijk om te gaan met mensen die een andere seksuele geaardheid hebben. Emotioneel leeft men wellicht op grote afstand van deze mensen. Maar het zijn medeburgers, die zich vaak verantwoordelijk gedragen.
Uiteraard zal pedoseksualiteit waarbij het kind als object wordt behandeld binnen het kader van volwassen seksualiteit, schadelijk kunnen zijn. Nu wordt deze schade soms overdreven en gedramatiseerd. Een kind wordt automatisch als slachtoffer beschouwd en behandeld, wat leidt tot een self-fulfilling prophecy. Het kind zal het slachtoffer worden dat het geacht wordt te zijn.
Onlangs zijn we in de Amsterdamse zedenzaak geconfronteerd met verdachte Robert M. Duidelijk is dat deze man zijn boekje te buiten is gegaan. Zorgvuldig onderzoek is vereist. Maar de reacties van autoriteiten zijn soms wel buitenproportioneel. Het woord ’monster’ wordt gehanteerd. Hoe staat het dan met een man die zijn vrouw in bijzijn van de kinderen bijna doodslaat? Hoe staat het met de homo die een relatie gebruikt en dumpt? Vaak zullen mensen de factor macht naar voren brengen. In alle seksuele relaties speelt macht een rol. Er wordt in de wereld van seks verschrikkelijk gemanipuleerd.
Wat vooral noodzakelijk is: pedofielen moeten een beroep kunnen doen op hun huisarts en GGZ-instellingen voor goed advies. Vroeger kende de NVSH pedogroepen waar mensen elkaar ontmoetten en steunden. Dergelijke groepen zijn opnieuw noodzakelijk.
De genetische factoren die een rol spelen in het leven van pedofielen mogen niet een noodlot worden. Zoals Van Ree terecht zei: deze genen zijn de tekst van een toneelstuk. Laat de samenleving de pedofiel de kans geven om te leren met respect om te gaan met kinderen. De media moeten niet vervallen in moralistische gelijkhebberij.
Pedofilie is geen ziekte, maar een geaardheid die niet met wetten en regels kan worden uitgeroeid. Pedofielen zijn niet bij voorbaat delinquenten. In alle seksuele relaties moet je leren grenzen te verkennen. Ook de pedofiel moet deze grenzen leren verstaan – met het oog op de kwetsbaarheid van kinderen.
Behandeling van pedofielen is noodzakelijk. Velen belanden nu in de tbs of levenslang in de longstay, een maatregel die vaak niet in verhouding staat tot de gepleegde misdrijven. Justitie en politiek moeten zich niet laten leiden door de publieke opinie, die alleen maar afwijst. Als pedofielen hebben geleerd wat wel en niet mag met kinderen, moeten zij een herkansing krijgen in de samenleving en begeleid worden door deskundigen en vrijwilligers.

http://www.trouw.nl/tr/nl/4324/Nieuws/article/detail/1839533/2011/02/19/Pedofilie-is-geen-ziekte-maar-een-geaardheid.dhtml

Omzien naar daklozen

Omzien naar daklozen

Opgedragen aan FRITS

De zorg voor daklozen heeft mij altijd verbonden met Frits. In de loop van de jaren is er veel veranderd in het beleid ten aanzien van dak-en thuislozen. Eind jaren tachtig demonstreerde ik met daklozen voor het stadhuis in Rotterdam om te pleiten voor verbetering. Twintig jaar later deelt het Rotterdamse stadsbestuur mede dat het probleem van de daklozen vrijwel is opgelost. Er is inderdaad de afgelopen decennnia veel veranderd in de zorg voor daklozen. Opvangvoorzieningen zijn uitgebreid. Drempels zijn verlaagd. Er zijn meer netwerken voor opvang geschapen. Er is goed geinvesteerd in de begeleide kamerbewoning. Psychiatrische voorzieningen hebben hun deuren geopend. GGD en Sociale Dienst zijn zich meer en meer gaan bezighouden met daklozenzorg. De politiek was bereid daarvoor geld te reserveren. Dat de zorg voor daklozen ingrijpend is verbeterd kan reden tot vreugde zijn. Maar toch vraag ik mij af of er voldoende respectvol naar daklozen is geluisterd. Dakloosheid werd vaak gekoppeld aan overlast waarvoor geen plaats was en is in het huidige veiligheidsdenken.

Daklozen verschijnen aan de horizon
In januari 1989 woonde ik een daklozenoverleg bij in Anmsterdam.De organisatoren van GGD lieten in hun enthousiasme 12 sprekers op ons los. Een ware verschrikking bij dit soort evenementen. Een psychiather legde uit dat de natuurlijke netwerken van stadsbuurten niet meer functioneren door de vergaande individualisering .De afstand tussen burger en voorziening is groot geworden. De drempels zijn steeds hoger geworden door de meer gespecialiseerde hulpverlening. Door de heersende opvattingen over dwang en drang blijken daklozen hun vrijheid te verkiezen boven verpleging. De cure-druk is groot in de samenleving.,er wordt aandrang uitgeoefend om beter te worden. Elk mens moet gelukkig worden. De behandelcultuur moet daaraan bijdragen. Tijdens het overleg wordt ook het woord gevoerd door de Nijmeegse hoogleraar Heyendaal die in die tijd gold als daklozenexpert. Heyendaal vertelt over mensen die van binnen naar buiten willen. Zij houden van het vreemde en gevaarlijke en voelen zich tot chaos aangetrokken. Zij zijn graag onderweg en op reis. Ze houden niet van rust maar van beweging. Deze mensen kunnen gerekend worden tot de thuislozen. Een dergelijke definitie kan leiden tot enorme aantallen van dak-en thuislozen. Ik zelf reken me ook tot dit soort mensen zodat duidelijk werd dat ik me ook gedijst moest houden. In dit verband is het noodzakelijk daklozen en thuislozen te onderscheiden. Daklozen beschikken door omstandigheden niet over een gegarandeerde slaapplek.De thuislozen zijn kwetsbaarder.Zij worden geplaagd door achterliggende problematiek als psychische en sociale factoren. Ze voelen zich niet thuis in de samenleving.

Symbolisch geweld
Geeske Hoogeboezem heeft met haar dissertatie “Wonen in een verhaal” en belangrijke bijdrage geleverd aan het onderzoek van daklozen. Zij onderscheidt de volgende groepen. In de eerste plaats de zorgmijders,die volstrekt elke zorg afwijzen. In de tweede plaats onderscheidt zij de zorgwekkende zorgmijders, die niet kunnen kiezen maar verdwaald zijn. In de derde plaats onderscheidt zij de zorgzoekers,die uiteenvalllen in drie groepen.De eerste groep zijn de cynici,die kiezen voor afhankelijkheid. De tweede groep zijn de instellingsdaklozen,die zich schikken en hospitaliseren. De derde groep zijn de zorgwekkende zorgzoekers,die geen inzicht hebben,de weg kwijt zijn en niet kunnen handelen. De grondvraag betreft de mate van verantwoordelijkheid van elke dakloze. We gaan ervan uit dat verantwoordelijkheid kenmerkend is voor het menszijn. De hulpverlener zal mensen op verantwoordelijkheid aanspreken maar moeten beseffen dat hij of zij niet de agenda kan opleggen aan de dakloze mens. De autonomie van een mens kan verzwakt zijn zodat het maken van een eigen keuze niet altijd lukt. Vaak is de invloed van Giddens te groot.Hij stelde:geen rechten zonder verantwoordelijkheid. Dat kan leiden tot verharding in de hulpverlening. De dakloze die niet meewerkt wordt de deur gewezen. De Sociale Dienst kan strenge sancties toepassen. De dakloze raakt geisoleerd. Hij wordt slachtoffer van symbolisch geweld. De tragiek is dat hij wordt uitgesloten. Zijderveld heeft in deze moeilijke discussie ervoor gepleit om het recht op dakloosheid te erkennen. Mensen kunnen niet gedwongen worden zich aan te passen. Natuurlijk zullen hulpverleners proberen om met drang en bemoeizucht hun doel te bereiken. Er zijn situaties waarin gehandeld moet worden. De overlast is ondragelijk.De dakloze vernietigt zich zelf. Dan kan zelfs dwang worden uitgeoefend. Maar de hulpverlener zal moeten erkennen dat de dakloze het recht heeft om de weg te gaan,die wij niet gaan.

Non-problem solving attitude
De hulpverlener in onze tijd zal moeten beseffen dat hij geen instrument wordt in handen van de overheid die de overlast van dakloosheid wil uitroeien De hulpverlener zal zoals Andries Baart heeft gestipuleerd ervan doordrongen zijn dat hulpverlening betekent dat je je bloot stelt aan wat een ander jou aandoet. De hulpverlener emigreert naar de wereld van de dakloze. Hij bekijkt de werkelijkheid door de bril van de ander. De hulpverlener kent de spanning tussen maken en laten. Hij wil niet alleen zijn eigen inbreng laten gelden op basis van zijn deskundigheid maar wil de ander betrekken in het beraad over zijn leven. Soms kan hij weleens het besluit aan de ander overlaten.

Martin Buber verdiepte zich in de relatie van jij en ik die elkaar niet objectiveren maar juist elkaar willen bevestigen. We trekken in goed vertrouwen met de ander op die we alle ruimte gunnen. Ik en jij ontvangen elkaar in gastvrijheid. De hulpverlener moet zich oefenen in gelijkwaardige omgang met de ander(die dakloos is).Ik en jij voelen ons samen. We zijn geen eilandjes voor elkaar. Habermas heeft gewaarschuwd tegen de kolonisering van het leven.Regels,wetten,experts dringen door in het leven van mensen,zodat er geen verantwoordelijkheid overblijft. Als socialist ben ik altijd voorstander geweest van overheidsbemoeienis met de sociale problematiek in onze samenleving. Doch de overheid is te ver gegaan in haar bemoeizucht. De overheid wil ons laten dromen van een luilekkerland waar alles veiligheid,bestrijding van overlast,vooruitgang voor mensen met eigen initiatief,argwaan ten opzichte van andersdenkenden en andersgelovigen,harde aanpak,uitsluiting van illegalen etc ademt. Solidariteit als cement van de samenleving wordt aan gort geschoten.

Schaken op een dambord
Er zijn mensen die geluk hebben .Zij dammen op een schaakbord. Er is de mogelijkheid dat het leven beantwoordt aan de verwachtingen. Hulpverleners zijn vaak bevoorrecht. Maar het kan in de samenleving anders uitpakken. De dakloze schaakt op een dambord en geraakt in permanente verwarring. De mens wordt er dol van. Op geen enkele manier passen de stukken bij elkaar. Het leven draait uit op een fiasco. Alles gaat fout. Verwachtingen kunnen niet worden waar gemaakt. Sommige mensenlevens verlopen zo. Hoe verhouden we ons tot de onaangepasten.. Onaangepast gedrag kan een bron van creatviteit zijn maar ook een bron van onheil/. Enerzijds moeten we ons verplaatsen in de positie van de onaangepaste en goed naar hem luisteren,anderzijds dienen we de onaangepaste in zijn turbulentie als bondgenoot te begeleiden. Wij geloven vaak in de volgorde van oorzaak en gevolg. Maar dat klopt niet. We kunnen niet elk gevolg tot een oorzaak herleiden. Dat betekent dat voorspellen,plannen en analyseren niet altijd leiden tot het gewenste resultaat. Het management is in onze dagen geliefd, Men wil graag analyseren,beleidsplannen ontwerpen,voorspellingen doen,zaken berekenen,negatieve gevolgen voorkomen,oorzaken van misere krachtig aanpakken. Wij zullen echter oog moeten krijgen voor de onderlinge samenhang in plaats van de lineaire aaneenschakeling van oorzaak en gevolg. Het gaat om veranderingsprocessen,niet om allerlei momentopnamen. Hulpverleners willen moeilijke gedragingen herleiden tot oorzaken die aangepakt kunnen worden. Maar het is wijzer te letten op onderlinge verbanden. Bescheidenheid is geboden.. Een mens valt niet te berekenen en heeft iets raadselachtigs.

Nog altijd onderhoud ik contact met verslaafden.. Ik probeer hen te volgen. Zij vertellen over de werking van drugs.Zij onderkennen de negatieve kanten .Maar zij trachten zich zelf te zijn,zich overeind te houden,hun kamer/huis te handhaven. Ze hechten aan vriendschappen. Ze genieten soms van het leven. Natuurlijk wil ik een kritisch gesprekspatrner blijven van hen. Maar van Graham Greene heb ik geleerd van Gods genade(God als JIJ met hoofdletter die met mensen meesjouwt) in mensenlevens..Van mildheid,vergevingsgezindheid,tolerantie,zachtmoedigheid,begrip aanvaarding. Geen afrekeningen,geen wraak,geen uitstoting,geen afschrijving,geen illegaliteit,,niet opgegeven worden,niet weggestuurd worden. Het veiligheidsbeleid in onze dagen benadrukt afwijzing en repressie. Maar ik bepleit nog steeds gedogen dat te maken heeft met mededogen.Je trekt je het lo aant van de ander. Je hebt bekommernis om de ander,Gedogen is een remedie voor een onoplosbaar probleem. Gedogen impliceert dat je een voorschot neemt op de toekomst.

Onderhandelen is behandelen
Behandelen is vaak sleutelen aan mensen. Mensen worden niet in hun eigenheid en raadselachgtigheid erkend. Behandelen getuigt niet altijd van respect. Van Anna Enquist heb ik geleerd dat wie langdurig omgaat met daklozen geconfronterd wordt met eigen machteloosheid. Het is gemakkelijk om mensen zodanig te beinvloeden dat ze zich voegen naar het in jouw ogen normale leven van het wonen in een huis of kamer,het regelen van geld overeenkomstig het vermogen. Mensen die dat niet kunnen labelen we met het woord deviant. In de wereld van de zorg kennen we een gigantische behandelcultuur. We behandelen mensen van hier tot ginder.Vraag is alleen of dat behandelen gebaseerd is op onderhandelen met de betrokkene. Daar gaat het om. .Onderhandelen wij met de daklozen.??Hebben daklozen het leven in eigen hand??.In de fim A Beautyful Mind blijkt dat de schizofrene man kan overleven omdat zijn vrouw en kinderen hem accepteren en omdat er een samenleving is die hem niet uitsluit maar erkent.Liefde doet deze man overleven. Tijdens mijn Rotterdamse tijd heb ik me verzet tegen het veiligheidsbeleid,tegen het productdenken in de burokratische zorgverlening,thans volg ik met zorg het zorgbeleid en veiligheidsbeleid van dit kabinet(weedpassen,uitsluiting dakloze illegalen). MichelFoucault heeft me geinspireerd.Hij vertelt dat mensen in gewenste vormen moeten worden geslagen,Mensen moeten worden gecorrigeerd en zo lang onder toezicht gesteld dat ze normaal bevonden worden Het systeem van de staat moet hen onder controle krijgen,in de greep houden,dresseren en volgzaam maken.

Ik dank Frits voor zijn inspiratie. Het ga hem goed. Met vreugde heb ik dit artikel aan hem opgedragen. Rotterdam,januari 2011,Dr Hans Visser

.

Welke God eigenlijk?

Welke God eigenlijk?

Over welke God hebben we het eigenlijk? De God die zonden vergeeft. De God die wil dat mensen rechtvaardig handelen. De God die oorlog voert.. Er is in de geschiedenis veel nagedacht over het OPPERWEZEN. In de Ontdekking van de hemel beschrijft Harry Mulisch God als de chef in de hemel. Deze beschikt over leven en dood. Maar deze bizarre God verwijs ik naar zijn eigen hiernamaals .Ik wil met hem niets van doen te hebben. De wereld is is volgens Mulisch een reusachtige door mensen geimproviseerde chaos waar het noodlot telkens toeslaat. Volgens hem is het leven gelijk aan het weer dat elk ogenblik kan omslaan. Met deze chef in de hemel wil ik niets te maken hebben. Deze God is een voortbrengsel van onze geest. Maar de joodse God werpt een ander licht op de chef in de hemel. Hij draagt een NAAM die vertelt hoe deze God zich gedraagt. Zijn NAAM luidt”Ik zal er voor u zijn “. Hij ziet in de mens geen bedreiging en is BONDGENOOT tegen het lot dat telkens toeslaat. Hij beschouwt de mens als medeschepper,sluit een contract met hem en geeft de tien geboden als spelregels om te overleven. “Zie om naar de minste en doe gerechtigheid.”. De bondgenoot walgt van religieuze cultus. Volgens Jesaja 1 haat hij offers en feesten. Hij roept op recht te doen aan weduwe en wees,om het geweld in toom te houden.C orruptie en omkoperij worden afgewezen. Het gaat om eerlijke rechtspraak . Geen geknoei. De filosoof Slavoy Zizek hekelt de manier waarop mensenrechten gehanteerd worden.. De staten die dat voorstaan wikkelen zich in oorlogen in Irak en Afganistan om de mensenrechten te herstellen. Maar dan worden die mensenrechten vreselijk geschonden. Zizek wijst op de schaamteloze behandeling van arme rechteloze vluchtelingen. Hij hekelt de bizarre rijkdommen van sommige mensen
Jezus verlangt geen offers maar barmhartigheid.
Opnieuw stellen we de vraag: om welke God gaat het toch? We staan stil bij het boekje DE GROTE ZAAL van Jacoba van der Velde dat verschenen is ter gelegenheid van NEDERLAND LEEST. Het boekje gaat over een oudere dame die na een beroerte wordt opgenomen in een verzorgingshuis en over haar dochter Helena ,die met haar man in Parijs woont. Het boekje dateert uit 1953 maar is zeer up to date. Het beschrijft de verwarring waarin een mens kan terecht komen,de gevoelens van eenzaamheid en de angst voor de dood. Het boek vertelt boeiend over de relaties tussen de vrouwen die bij haar op zaal verkeren. Er zijn opmerkbare zinnen in het boek; “HET HEEFT ALLEMAAL GEEN ZIN, WE VECHTEN, WE HATEN EN WE HEBBEN LIEF EN HET ENIGE WAT WE TENSLOTTE BEREIKEN IS DE DOOD”.
De dochter Helena heeft zich onafhankelijk ontwikkeld. Ze bemint haar moeder maar wil niet afhankelijk zijn.Zij heeft duidelijkheid geschapen. Zij wil niet dat zij en haar moeder zich blind staren op elkaar.

Zij stelt het scherp:”Zoek een doel in je leven maar zoek het niet in mij”. Hard maar toch waar. Moeder vindt het jammer dat zij niet gelijktijdig met haar man is overleden. Ze had een dierbare relatie met hem. Jacoba van der Velde was bevriend met Samuel Becket.Ze heeft zijn werken vertaald. In haar geloof is ze beinvloed door het ontnuchterende denken van Becket over God. Jacoba vraagt zich af:”Jezus wordt gekruizigd,gaat dood,God doet geen bal. Wat heb ik allemaal te verwachten als God alles kan maar niets doet”. Op nieuw de chef in de hemel die over alles beschikt,die oppermachtige Goochelaar die alles kan.
De vrouw is haar huis kwijt. Het verblijf in het tehuis is onherroepelijk. Ze heeft intens verdriet. Alle gevoelens zijn dood behalve de wanhoop:ik ben een vrouw alleen. Triest. Niemand wacht meer haar. Zij hoeft ook niet op iemand te wachten. herinner mij een vrouw die ik tot haar dood bezocht. Ze verloor haar vriendin en zei tegen mij:”Nu roept niemand meer mij bij mijn naam”. De vrouw mist de liefde van mensen die haar begrijpen. Zij komt te sterven. e vecht vergeefs tegen de zwakte. Het heeft geen zin meer. Ze ligt in bed. De pijn is heftig. Ze is radeloos. Ze wil niet sterven. Zij zou het ondoordringbare willen doordringen. “Waar ga ik naartoe?Is er een hemel,is er een hel?Ik ben in een zwarte tunnel waar ik niet het einde zie. Wat zal daar zijn. Ik ben bang. Is er dan niets wat me kan helpen. Ik ben alleen. Geen mens kan nog iets voor me doen,God,help me. Laat mij niet dwalen in het duister”. Zij sterft.

Becket laat twee mannen wachten op GODOT die maar niet komt. Becket wil alleen nog de zee horen. Woorden zijn leeg. Het leven is een lange verwarde emotie.
De bondgenoot is een spelbreker die ons dwarsboomt.Hij schudt ons wakker en roept ons tot de orde. Ik zal er voor jou zijn maar nu aan de slag in mijn schepping: let op het klimaat,waak over het milieu,sticht vrede ,let op de hongerigen,doe recht. In het uur van onze dood zal God ons aflossen.

Thora en Koran

Thora en Koran

We lezen uit de Thora Deuteronomium 6:4-9 en uit de Koran Sura 1:164,Sura 2:256.Sura 3:1-3 en Sura 3:75.

Hoe verstaan wij de Islam??In de trant van Hirsi Ali,die een absolutistisch beeld geeft van een perfide Islam. Het Westen lijkt perfect. Haar breuk met de Islam kan begrepen worden tegen de achtergrond van haar jeugdervaringen.. Ze droomt van een verlichtingsfundamentalisme. Ze komt op voor de rechten van de vrouw maar verliest haar aanhang onder moslima’s door haar breuk met de Islam. Haar visie wordt monomaan,reactionair en fanatiek..

In de trant van Wilders. Hij vindt de Islam achterlijk..De Islam is een ideologie die gewelddadig is. Zijn film FITNA is absoluut misleidend. Wilders blijft van mening dat het geweld voortkomt uit de wrede kant van de Islam..

Mensen worden nerveus van de zichtbare aanwezigheid van de Islam:moskeeen en minaretten. Moslims vertegenwoordigen een zondvloed. Angst wordt nu een slechte raadgever. Islam en Christendom kennen extreme kanten:kruistochten,heilige oorlogen. In het Posogebied in Oost-Indonesire viel mij in het begin van deze eeuw op dat moslims en christenen elkaar vermoord hebben. Soms denk je weleens dat de bijbel gewelddadiger is dan de Koran. Bij de dood van Simson vielen er meert slachtoffers dan gedurende zijn gehele leven..

Ik heb vaak overnacht en gewoond vlakbij moskeeen.De mooiste ervaring maakte ik mee toen na een langdurige schietpartij van het Israrelische leger ik in de verte de oproep tot gebed hoorde die uitging van de moskee.

De gesaeculariseerde context van de westerse samenleving wordt sterk beinvloed door individueel genot en indviduele voldoening. God bestaat niet meer. Wat jammer is dat religieuze armoede ontvankelijk maakt voor uitwassen. Soms is er plots warme belangstelling voor reincarnatie,bijna dood ervaringen en God in je Zelf. Daarom heb ik behoefte terug te keren naar onze bronnen.Moslims,joden en christenen zijn broeders.Je moet anderen behandelen zoals je zelf behandeld wil worden.

De diversiteit van jodendom,christendom en Islam varieert van extreem orthodox tot liberaal.We kunnen waarnemen dat harde maatschappelijke problemen worden vertaald in religieuze uitingen. Jonge stedelijke moslims hier geboren maar toch zich niet thuis voelend worstelen met te lage opleiding,armoede en identiteiscrisis.Dat schept de mogelijkheid voor criminaliteit vooral in het drugsgebeuren.De tweede generatie is afgesneden van het land van herkomst maar identificeert zich niet met het nieuwe land. Bepaalde extreme opvattingen doen de ronde:vrouwen worden voor hoer uitgemaakt,eerwraak en homohaat die zich vertaalt in pesterijen. Ik zeg er wel direct bij dat wij onze eigen geschiedenis niet mogen vergeten. Integratie is geen assimilatie,geen absorpsie.In de ontmoeting der identiteiten moeten wij moslims stem geven ook al bevalt die stem ons niet. We kunnen in elk geval proberen de religie van de ander te begrijpen. We sluiten ons niet af voor verschillen van mening. Debat is geboden.

Maar let wel op gemeenschappelijke grondslagen.

GOD IS NUMMER 1.GOD IS ENIG. GOD IS ALLEEN.GOD IS UNIEK.GOD IS ONVERGELIJKBAAR.Het Sjema van Israel in Deuteronomium komt overeen met de voorgelezen Sura’s Heb God=Allah lief met je hart,ziel en kracht…

Joden,christenen en moslims belijden dat God enig en uniek is.Dit geloof schept verbondenheid..

Meester Eckhart

Meester Eckhart

Eckhart leefde van 1260-1328.
Hij doceerde in Duitsland en Parijs. Hij noemde God het enige Zijn dat in alles werkt. De mens heeft een vonkje daarvan als zielegrond. Gods Zoon wil in die ziel geboren worden, dus de ziel bewust maken van haar eenheid met God.. Maar daartoe moet de ziel in gelatenheid de eigen wil loslaten. Dat is de eerste trap op weg naar God: reiniging van het hart. Dan volgt de verlichting, Gods gave die de mens in staat stelt, in zelfverloochening Christus na te volgen. De derde trap vormt de vereniging, als de mens mag opgaan in Gods wezen en in Zijn wil. Maar de mens wordt nooit onttrokken aan zijn medemensen: juist de mistieke weg schenkt de liefde tot de naaste.(Dr.Otto de Jong).

Bij Eckhart leidt de via negativa tot de eenheid van de ziel met God. Eckhart is beinvloed door het neo-Platonisme en hij neigt tot pantheisme,wat hem in de confrontatie met de Paus noodlottig werd.. God woont bij ons in in de ziel. God zelf is leeg en vrij. Er zijn uitspraken van Eckhart die de indruk wekken dat God samenvalt met ons diepste zelf. Toch onderscheidt Eckhart de radicale immanentie van Gods presentie van Zijn transcendentie. Eckhart wil geen pantheist zijn.Wel onderscheidt God van de Drieenige God. De ziel is alleen content met de God,niet zozeer met Vader-Zoon en Heilige Geest. Vergelijk met Tillich (The courage to be). God is Zijn of God is het Zijn zelf,de grond van al wat er is..Risiko is nu dat deze visie(God is grond van het Zijn) op de via negativa leidt tot agnosticisme.Dat was de kern van het conflikt. tussen Eckhart en de Paus:gaat de Drieenige God nu niet ten onder in God als grond van het Zijn.(vergelijk James Byrne).

Eckhart was dominicaan. Hij verbleef in Keulen (1273), in Parijs (1277) in Erfurt-Gottingen(1294),in Bohemen(1307),in Parijs(1311),In Straatsburg(1322),in Keulen(1324) waar hij van ketterij werd beschuldigd.Hij vertrekt maar Avignon om zich daar voor de Paus te verantwoorden.(1327).

 

Wilde Eckhart teveel weten,prefereerde hij het neo-Platonische Ene boven de Drieenige?De God die boven alle kennis verheven is woont als het goddelijke Ene is de ziel?

 

 

 

 

 

 

 

Eckhart benadrukt de innerlijke ervaring en belevenis. In de mistieke beleving zijn er drie hindernissen:lichamelijk,veelheid en tijdelijkheid. De vrije geest is aan niets gebonden.Zij leeft van Gods wil ontdaan van zich zelf. Eckhart had grote invloed op de nonnen van het vrouwenklooster. Zij werden ook van ketterij beticht. Er volgden verbrandingen en verdrinkingen in De Rijn. De zoeker van God weet dat hij ook de door God gezochte is. De via negativa betekent dat je in jezelf blijft zonder bemiddeling om God te zien in eigen wezen. Eckhart was van mening dat God niet bestaat. God is er. Bij God is geen sprake van persoonsvormigheid. De goddelijke vonk of grond transcendeert het natuurlijke vermogen van de mens. Niet weten ten aanzien van het verzinken in God. De mens beleeft waaromloosheid. Wie tot God bidt raakt van Hem leeg. De interpretatie van bijbelverhalen wordt bij Eckhart sterk door zijn mistiek beinvloed. B.v. het verhaal over de intocht van Jezus in de tempel. Jezus vindt dat hij recht heeft op de tempel. Hij wil er alleen zijn. God wil een lege tempel. Alleen hij zelf wil daar verblijven. Eckhart predikt rechtstreekse toegang tot God door contemplatie en meditatie. Het overkomt de mens dat hij een wordt met God..

Eckhart was diep onder de indruk van Jezusa Sirach(caput 24)Laten we onze kracht zoeken in de Heer,houd je vast aan Hem. De almachtige Ene God maakt je sterk. Er is geen Redder buiten Hem. Doe je te goed aan de vruchten van de goddelijke wijsheid.De wijsheid bezitten is zoeter dan honingraat.Wees gehoorzaam aan de Wijsheid,je zult dan niet zondigen. .

 

De grond van de ziel is het diepste zwijgen. Hier is slechts ruimte en rust voor Gods woord. Niemand of niets vermag aan de grond van de ziel te raken dan God alleen. Het heerlijkste is zelf te zwijgen en God in jezelf te laten spreken en doen. De stem van de Eeuwige spreekt in je ziel op een natuurlijke wijze,het is namelijk het wezenlijke in ons. Geen autoriteit,geen Schrift,geen dogma kan je zalig maken. Je moet alles in jezelf ervaren en beleven. Gekend worden door God en Jezus die Hij gezonden heeft maakt het doodstil om mij heen..

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Duidelijk is dat Jung gecharmeerd was van Eckhart waar het gaat om ervaring en belevenis. Hij heeft daarover een heftig conflict gehad met Martin Buber. Jung spreekt over religie als relatie met de achtergronden van de eigen ziel. ,Buber spreekt over de relatie met het onvoorwaardelijk tegenover van God. Bij Jung vallen in het collectieve onbewuste de scheidslijnen weg. De oergrond van de ziel wordt beheersd door archetypen. Hier verblijven wij in een innerlijk gebied van dromen en visioenen waar we de Gans Andere ontmoeten. Kernvraag is wat ontmoeten we nu: het DU van God of onszelf? Jung heeft net als Eckhart de ervaring dat het IK een relatie heeft met de GANS ANDERE. God zo vertelt Jung heeft zonder hulp van de mensen een schitterend beeld van zich zelf gemaakt en het de mens als archetype in het onbewuste gelegd. Er is sprake van samenspel van schepper en schepsel. Het schepsel geschapen naar het beeld van God ontwikkelt zich los van Hem verder,waardoor pas een echte wisselwerking kan ontstaan:God en mens,naast elkaar,tegenover elkaar maar altijd betrokken op elkaar. .(Pety de Vries-Ek)

Ik veronderstel dsat het conflict tussen Paus en Eckhart vergelijkbaar is met het conflict tussen Buber en Jung..Ik denk dat allen het TEGENOVER van de GANS ANDERE gehandhaafd hebben. Er is geen sprake van vervlakking of pantheisme. Maar bij Eckhart en Jung gaat een en ander, GOD en ZIEL vloeiend in elkaar over. Er is reden tot misverstand.

 

Persoonlijk meen ik dat GOD nooit samenvalt met ons diepste zelf. Wij mogen GOD in het diepst van onszelf ontmoeten. Gods Zijn is een ZIJN voor anderen. God zal met ons zijn. Jezus is God met ons.God en mens staan naast elkaar, tegenover elkaar.Ze zijn betrokken op elkaar in het verbond dat inderdaad een mistieke dimensie heeft. God als bondgenoot tegen het blinde lot. Zo is God een ontoegankelijk LICHT dat door onze duisternis heenbreekt..

Lezing uit november 2010 over Meester Eckhart.
Hans Visser

Be InspiR’D Word geïnspireerd

Be InspiR’D Word geïnspireerd

Bijdrage EUROMAST Zaterdag 9 januari 2010 Bekijk ook het filmpje.

Ter inspiratie geef ik u een boodschap in vier punten.
1. Veiligheid waarover Rotterdam niet uitgepraat raakt. Let wel: veiligheid is een afgeleide van een goed sociaal beleid. Mensen communiceren met elkaar, maken ruzie maar zoeken oplossingen. Ze houden elkaar vast, de een wil niet zonder de ander. Wij hebben toegestaan dat onze social city is aangetast. Overal camera’s,security etc. In de social city surveilleren burgers elkaar. De politie rukt uit in extreme gevallen. Nu hechten wij geloof aan repressie en zero tolerantie. Eigenlijk zou iedere burger moeten leren verstaan dat zijn of haar veiligheid afhankelijk is van de veiligheid van de ander. Nu laten we door repressie een stolp van gevangenissen over de stad neer. We jagen mensen op, reguleren niet het gedrag van mensen, we zijn stomverbaasd als nu kleine winkeliers slachtoffer worden. We poetsen onze eigen straat schoon maar bekommeren ons niet om anderen.

2. Ik geef u een woord mee van de joodse filosofe Hanna hArendt. Het is beter in onmin met de wereld te leven dan met je zelf. Volg daarom de stem van je hart en geweten en laat je niet leiden door kerk, politieke partij, fractiediscipline, hypes, roddel, rapporten, media etc.

3. Het ernstigste misverstand is om te denken dat orde gelijk aan recht is. Onthoud: recht is een eigenschap van orde. Dat behoedt ons tegen law and order. De IND van Justitie is een school voorbeeld. Ze scheppen orde in hun dossiers en houden vreemdelingen in bewaring. De dossiers zijn niet altijd compleet, er ontbreken waarheidselementen, een dossier gaat eeuwig mee. De rechter zit vaak bij de IND op schoot. Allemaal order waarin de eigenschap van rechtvaardigheid ontbreekt. In onze samenleving maken we kennis met hooligans, marginalen gekken. Verdiepen we ons ook in die mensen? Gaan we in debat met hen? Ook zij zullen moeten voelen en merken dat recht een eigenschap is van de orde die wij propageren.

4. De moslims in ons midden. Joden, christenen en moslims vormen een familie, die gelooft dat ALLAH de grond van ons bestaan is. De Pakistaanse Islamoloog Fazlur Rahman zei eens dat de openbaring van Allah een mensenhart raakt en vervolgens zich voortzet in de ervaring van mensen die gebonden zijn aan hun tijd, kennis, cultuur. Tijden veranderen echter. Culturen worden uitgediept en kennis neem toe. Allah gaat ook mee in de tijd. Gelovigen moeten zich nooit beroepen op versteende, statische uitspraken uit het verleden. Ze gaan mee met de tijd en gaan de uitdagingen van hun tijd aan. Zo is er ruimte voor diskussie en debat. Zo trekken we met elkaar op.

KAIROS document Christen Palestijnen

KAIROS document Christen Palestijnen

Bijdrage ALLEDAGKERK AMSTERDAM 13 januari 2010

Het gaat slecht in Jeruzalem. Ieder slaat zijn slag. Mensen zijn uit op eigen voordeel. De thora lappen ze aan hun laars. De mensen roepen:Vrede,vrede,vrede. Maar zo zegt de profeet Jeremia:niks daarvan:er is helemaal geen vrede. Christen Palestijnen hebben onlangs hun kairosdocument gepubliceerd. Zij schreeuwen hun hoop uit in afwezigheid van alle hoop. Israeliers en Palestijnen zijn in een nooit eindigend conflict betrokken. De Christen Palestijnen willen blijven vertrouwen op God. Ieder roept om vrede in het MO maar er komt niksvan terecht. Ook over Palestijns gebied loopt een muur. Palestijns grondgebied is onteigend.,Israelische militaire cheque-points belemmeren het leven van Palestijnen. Zij worden beroofd van water en landbouwgebied. Palestijnen zijn onderling verdeeld geraakt:Hamas en Fatah.Toch blijven de Christenen onder de Palestijnen hopen dat niets hen kan scheiden van de liefde van God:ellende, vervolging, blokkades, armoede en geweld. Jezus leerde ons de vijand lief te hebben. Kwaad moet met goed beantwoord worden. Liefde is het aangezicht van God dat soms in de medemens herkend wordt. Jacob ontwaarde in het aangezicht van Ezau God. Jammer is het dat het kairos document in onze kerken vaak negatief wordt ontvangen..Het zou een oorlogsverklaring aan het adres van Israel zijn. Natuurlijk willen wij Israeliers verstaan. Zij dragen de genocide mee in hun identiteit. Ze zijn bang voor herhaling en hebben daarom lak aan resoluties en oproepen. Hannah Arendt zei reeds: het verleden van Nazi Duitsland in Auschwitz en Sobibor achtervolgt Israel. Daarom reageert het zo heftig. Maar het zal toch niet zo zijn dat de Palestijnen ook moeten zuchten onder de gevolgen van de genocide. De Palestijnen zijn het geweld beu en verlangen naar sjaloom. Dat houdt in :waarheid,gerechtigheid en vrede. Vrede is de grond van ons bestaan.Oorlogen lijken soms onvermijdelijk., oorlogen zijn vaak het gevolg van menselijke zonde.Terreur mag niet straffeloos plaats vinden. Maar het blijft de roeping van christenen om vrede te zoeken,om te onderhandelen,om kompromissen te zoeken.De Christen Palestijnen hopen vurig op verzoening. Het kairosdocumen wil een handreiking zijn. Er is het diepe geloof dat zachte krachten van verzoening zullen winnen. Zo stond ik eens op de bovenste verdieping in een Israelisch hotel in Jeruzalem.Ik keek neer op de verscheurde stad en zag in de verte de bergen van het Judese bergland. Ik was verdrietig en deed een gebed om vrede: Ik hef mij ogen op naar de bergen,vanwaar zal mijn hulp komen? Onze hulp is van de Heer die hemel en aarde gemaakt heeft.

Christen Palestijnen

Kraken

Kraken

Toespraak voor de demonstratie van de Kraakbeweging Nederland. Op de Mariaplaats in Utrecht op zaterdag 24 oktober 2009. Het is volstrekt onbegrijpelijk dat kraken gecriminaliseerd wordt. We weten al jaren dat speculanten, huisjesmelkers, woningbezitters op schaamteloze wijze de leegstand uitbuiten. De kraakcultuur heeft zich in ons land ontwikkeld tot een contrastcultuur. De belangen van woningzoekenden staan voorop. Wie maakt zich in ons land druk om woningzoekende studenten, alleenstaanden, randgroepen? De Tweede Kamer bekommert zich kennelijk niet om deze groepen. Schreeuwende behoefte aan leefruimte en leegstand vloeken met elkaar. Dat zou de politiek zich moeten aantrekken. We koesteren nog hoop op de Eerste Kamer. De christelijke partijen die zich zo beschamend hebben opgesteld zijn kennelijk tijdens het lezen van de Bijbel in slaap gevallen. Immers hun roerganger riep om mensen in nood (honger, dorst, geen kleding, status als vreemdeling) op te nemen en te verzorgen. In de kraakcultuur hebben de mensen dat beter begrepen. Gedurende mijn werkzame leven heb ik mij enige malen beziggehouden met kraakacties ten behoeve van kunstenaars, daklozen, buitenlanders en verslaafden. In de jaren tachtig waren er zelfs nog wethouders die het kraken zagen als een terechte aanval op de onverantwoorde leegstand. De laatste keer mochten wij bij een kraakactie dankbaar gebruik maken van de dienst van de leden van woonstrijd in Rotterdam. Uiteraard zijn er in het verleden wel eens strategische vergissingen begaan door krakers. Dat vak moet men goed leren. Gelukkig beseften nog velen in dit land dat het kraken van langdurige leegstand niet onder het strafrecht mag vallen. Er golden altijd al regels die het kraakverkeer hebben geleid.Maar nu heeft de Tweede Kamer haar verstand verloren. Straks zullen krakers in de bajes belanden. Volstrekt onbegrijpelijk! Wanneer zullen de speculanten die zich verrijken aan graai cultuur, wanneer zullen de huisjesmelkers met hun tweede huis op de Antillen, wanneer zullen de vast goedbezitters die ver boven de Balkenendenorm hun zakken vullen aangepakt worden door de politiek? Wanneer is er bekommernis om de niet gesitueerde mensen die woonruimte nodig hebben? Hun problemen zijn nog lang niet opgelost. Kraken cirkelt altijd op het zelfde probleem: er is schreeuwend behoefte aan ruimte, er is leegstand van panden en huizen, terwijl er aan leegstand wordt verdiend. Ik wil niet alle politici lokaal en nationaal in de verdachtenbank plaatsen. Onder invloed van de kraakcultuur gaan politici soms wijzer om met leegstand. Maar er is nu een meerderheid van politici (God beter het met mafketels van de PVV) die volstrekt de weg kwijt zijn. Wetgeving die nergens op slaat. Mosterd na de maaltijd. Ik ben ontzettend boos op de politici die geen boodschap hebben aan mensen die vergeefs ruimte bezoeken en die juist de mensen die de helpende hand reiken vercriminaliseren. We wensen de Eerste Kamer veel wijsheid toe bij het ongedaan maken van wat hun collega’s in de Tweede Kamer bedorven hebben in hun onwaarachtig moralisme. Sterkte in de strijd!
Hans Visser

Geseculariseerd geloven

Geseculariseerd geloven

( in de geest van Charles Taylor in zijn boek “ Een seculiere tijd”)

Vroeger schreven wij alles toe aan God. We namen aan dat God overal kon ingrijpen (ziekte, rampen, oorlog). Maar dat geloven is op de tocht komen te staan. God hebben we niet nodig om de loop der dingen te verklaren. Het beroemde voorbeeld van Napoleon die aan zijn astronoom Laplace vroeg welke rol God vervulde in de astronomie. Hij antwoordde toen resoluut: God hebben wij niet nodig ter verklaring. De mens is autonomer geworden. Hij gaat er zelf op uit om verklaringen te zoeken. Wetenschappelijke inzichten hebben ons geloven ontmanteld. De mens krijgt wel eens het gevoel dat hij er alleen is in het universum. De mens wordt dan zelf meester in de wereld waar God niet meer nodig is. De mens maakt zelf uit wat waar en waardevol is en wat niet.

Het is mogelijk om geloven en weten betrekking te laten hebben op verschillende werkelijkheidsnivo’s. Maar ik houd het er liever op om uit gaan van een werkelijkheid. In de beleving van die ene werkelijkheid behoeven godsdienst en moderniteit elkaar niet uit te sluiten..

Vroeger beleefden wij de wereld als een betoverde wereld van geesten,demonen en morele krachten. Er vond echter onttovering plaats. Dat heeft ertoe geleid dat de betoverde wereld achter de horizon verdween. Onze eigen geest bleef over . Mensen bepalen zelf hun doelstellingen,die zuiver immanent zijn.

In onze geest is een behoefte aan betekenissen en symbolen om ons toegang te verschaffen tot het dieperliggende, het onzichtbare,het ongrijpbare. Religie en kunst zijn de mogelijkheden om daarin de weg te zoeken. Mensen leren zelf een plaats te bepalen voor zichzelf. Wij mensen leren ons concentreren op onszelf. Er is een diep verlangen naar authenticiteit,. De mensen hebben geleerd hun eigen gang te gaan en zich te verzetten tegen systemen die hun creativiteit,hun individualisering en verbeeldingskracht in de kiem willen smoren. Mensen kunnen leren te aanvaarden wat waar klinkt voor hun innerlijke zelf. Religie was vroeger een systeem van dogma’s dat ons werd opgelegd. Nu gaat het veeleer om innerlijke ervaring,gerichtheid op je zelf. In Taize leren jongeren hun eigen antwoord te zoeken. De diepten die wij vroeger lokaliseerden in de de betoverde kosmos hebben nu plaats genomen in ons innerlijk.

Vroeger zochten wij de zin van ons leven,de waarde der dingen buiten onszelf bij God. Nu hebben wij vastgesteld dat God gevonden wordt in ons innerlijk .God is een vondst in ons zelf. Het universum is stom,doof en zwijgend. Maar wij in onze geest bepalen wat zinvol is.

Camus noemde het absurde de confrontatie tussen de menselijke roepstem en de onredelijke stilte van de wereld. Het verlangen naar het toekennen van betekenissen in ons zelf is onuitroeibaar. De betekenisgeving is aan ons overgelaten. Met onze verbeeldingskracht zien wij de leegte onder ogen en gaan we betekenissen scheppen .

De joden in het ghetto van Warschau hebben de vraag naar God gesteld. God keek toe en greep niet in. Waar is God eigenlijk?? In de onttoverde wereld verdampte God.

En ze namen haar mee

ze vertrok zoals ze was

staande bij het fornuis

ze heeft de soep niet afgemaakt

ze namen haar mee,ze ging

ze is er niet meer,ze hebben haar gedood.

In een deportatiewagon werd God huilend in een hoekje aangetroffen. De mensen luisterden naar het snikken van God. Temidden van de opgehangen kinderen(bizarre straf van Nazi’s) hing ook God. Wij geloofden al lang dat God ons bestaan droeg. Nu hebben wij ontdekt dat we God in ons meedragen. (vergelijk Samuel Kassow in Wie schrijft onze geschiedenis) Joden en Palestijnen vinden soms hun oorlogen heilig. God wordt geacht vrede te geven. Maar hij heeft het bijbelse land reeds lang verlaten(Joeri Boon) .

Ik bezocht deze zomer het eiland Patmos waar Johannes zijn Openbaring ontving en beschreef. Ik verbleef in de grot waar hij toefde. Nu een liturgische ruimte maar eens een plek waar Johannes zich verdiepte in het Oude Testament, sliep, at en door een gat naar buiten zag. Hij vertelt over de schepping van een nieuwe hemel en aarde, De oude aarde was verre van volmaakt (ziekten, rampen, chaos, het kwaad). God maakt een einde aan de chaos. God slaat zijn tent op onder de mensen. Zijn Heerlijkheid is onder en met ons. God wist de tranen van onze ogen. Er zal geen dood meer zijn,noch geklaag of gerouw. De verwachting van deze wereld is de bron van betekenis die wij toekennen aan de toekomst van onze wereld. Wat de wereld ziek en gewelddadig maakt gaat voorbij. God stelt dat in het vooruitzicht. Dat is de grondslag van onze hoop. Deze ontlenen wij aan de vondst van God in onszelf. Deze God die ons draagt ,dragen wij in ons mee.. De oude wereld gaat voorbij, een nieuwe is in aantocht. Dat heeft voor ons leven, onze samenleving,de politiek grote gevolgen. In onszelf ontwaren we zin voor het leven en inspiratie voor ons handelen.

Hans Visser,11 augustus 2009

Droom en nachtmerrie (van Palestijnen)

Droom en nachtmerrie (van Palestijnen)

Droom en nachtmerrie.(voor Palestijnen)

Toespraak tijdens Palestijnse Manifestatie in World Trade Centre in Rotterdam(zomer 2009)

Beste mensen,er is het verhaal van een onbekende joodse profeet Oded. Er is weer eens oorlog tussen Juda en Noord-Israel. Juda lijdt een zware nederlaag. Ontelbare doden vallen in de strijd. Vele mensen worden gevangen genomen. Een grote buit wordt binnengehaald. Oded komt de generaals tegemoet. Hij zegt het volgende:ok,ik begrijp hoe het allemaal verlopen is. Juda heeft verraad gepleegd tegen God. Maar,zegt Oded,jullie hebben een bloedbad aangericht met een woede die ten hemel schreit. Hebben jullie geen schuld? Zijn jullie volmaakt? Hoor nu maar mij: laat de gevangenen vrij. Gevangenen mogen de buit met elkaar verdelen. Geef die mensen kleding,schoeisel,drank,voeding en laat de gewonden op ezels vervoeren.. De generaals accepteerden het voorstel van Oded.

Ik heb eens gefilosofeerd over de vraag hoe een moderne Oded zou optreden. Na de Gazaoorlog treedt hij de Israelische generaals tegemoet. Ja,zegt hij,jullie hebben schoon genoeg van Kassamraketten.. Maar ik vraag welk bloedbad hebben jullie aangericht. Dat schreit ten hemel. Meer dan 1300 doden onder wie 400 kinderen. Daarmee laden jullie grote schuld op jullie zelf. Oded vraagt de generaals om het roer om te gooien. Bouw Gaza op,maak landbouw mogelijk,laat de mensen vrij handelen, herstel verwoeste gebouwen,zet nieuwe neer. Geef de mensen een kans om zich zelf te zijn. Leg een spoorlijn aan naar de West Bank. Repareer de wegen. Verbeter de medische hulp Erken de rechten van de Palestijnen. Leef met hen in vrede. Alleen het verschil met het oude verhaal over Oded is dat de generaals niet luisteren en overtuigd zijn van eigen gelijk. De tragische werkelijkheid is de verjoodsing van Oost-Jeruzalem,de nederzettingenpolitiek,de bouw van de muur.

Ik kan het Israelische optreden doorgronden. Geschiedenis maak je niet ongedaan. Deze vervolgt je. Maar we mogen toch niet toestaan dat de Holocoust nog steeds slachtoffers maakt onder de Palestijnen. We mogen toch niet een probleem dat twee partijen verdeeld houdt eeuwig in stand houden. Er moet toch een nieuw begin mogelijk zijn. Joden en Palestijnen zijn broedervolken. Ik was tweemaal in Gaza. De eerste keer werd ik getroffen door het feit dat Israel zo weinig deed voor de bewoners van Gaza. Daar heersen nog derde wereld tafrelen. We hoorden over de schending van mensenrechten onder de Palestijnen. Een intifada was toch genoeg geweest. Het tweede bezoek aan Gaza betrof de situatie in een ziekenhuis.we hadden een paar duizend euro verzameld. Terug op de West Bank werden we verrast door een militaire actie van Israel. Het betrof preventieve beschietingen. Uren lang werd de nacht rood gekleurd door kogels. Ik werd ontroerd door de oproep van de moskee om te bidden tot Allah,die barmhartig en rechtvaardig is. Dat ontroerde mij.

In de jaren negentig werden we verblijd met de Oskloaccoorden. We dachten: nu gaaat het eindelijk beginnen. Neen. Het werd steeds slechter dan ooit. De VS,Europa,ook Nederland,bekennen nooit echt kleur. Er is altijd sprake van een onopgeefbare verbondenheid met Israel. Ik hoor niet van mededogen met het lot van de Palestijnen. Nederland moet eerlijk en zakelijk zijn. Er moet recht worden gedaan aan Palestijnen. Hun veiligheid en nationale identiteit moeten worden erkend. Dat betekent niet dat Israel weggevaagd moet worden. We hopen op een Israel dat beseft dat haar toekomst niets voorstelt zonder Palestijnen en Arabische buren. Voor alle partijen is dat economisch en politiek beter. Geen Israel als westers eiland in de Arabische wereld. Er zijn ongekende mogelijkheden tot integratie,die we nu onbenut laten. Van de halfslachtigheid van Balkenende en Verhagen(premier en minister van BZ). Moeten we weinig hebben. Waar het omgaat is dat Palestijnen handel kunnen drijven en geld verdienen. Israel mag niet de Palestijnen uitsluiten van handel en van water. De Nederlandse politiek moet to the point zijn. Sloop de muur!!Leer onderhandelen met je tegenstander. Doe niet aan verdeel en heerspolitiek. Voed geen terreur door het te verbreden. Erken HAMAS. Het gaat er om niemand uit te sluiten.De VS,Europa en Nederland moeten duidelijke eisen stellen aan Israel. Niet dat hypocriete en halfslachtige gedoe waardoor Israel toch lak heeft aan iedereen.

Wij geven onze droom niet op. Een Jeruzalem voor allen. Geen haat zaaien maar elkaar trachten te vinden. De ander is je broeder en je zuster. Maak goede afspraken en breek de chequepoints af.Het geweldloze verzet van de eerste intifada vind ik vooralsnog het beste middel. Iedere bom die je hanteert keert zich uiteindelijk tegen je zelf. Vaclav Havel vertelt over een visionaire ervaring. Hij zat gevangen. Hij zag het prikkeldraad,de wachttorens en tralies. Hij werd overvallen door een gewaarwording waarin hij uitsteeg boven de coordinaten van zijn kortstondige bestaan,naar een toestand buiten de tijd,waarin alle mooie dingen die hij ooit gezien heeft en ervaren bestonden in een totaal aanwezig heden . Gevoel van ultiem geluk ,vrede,liefde overviel hem.

Ik zie de militaire machine van Israel,ik lees de haat in de ogen van de mensen. Overal kontrole,nederzettingen,gestolen land,de muur .

Maar in mijn olijfgaard word ik overvallen door een droom,die me buiten de tijd zet,ik ervaar vrede,vertrouwen,liefde die alles te boven gaat.geen oorlog meer Ik besef dat deze droom in de nachtmerrie van het nu STRAKS werkelijkheid wordt.

Hans Visser

Filosofische grondslagen van het kapitalisme

Filosofische grondslagen van het kapitalisme

In de achttiende en negentiende eeuw hebben filosofen als William Paley, Adam Smith, Jeremy Bentham en John Stuart Mill bijgedragen aan de filosofische grondslagen van ons kapitalisme, dat sedert de kredietcrisis op zijn grondvesten trilt. Paley formuleert zijn stelling :”Wat nuttig is,is goed”. Prive-geluk is het motief van ons handelen. Paley was nog godsdienstig en hechtte aan een schoon geweten, waarin Gods wil korrigerend zou kunnen optreden. Adam Smith,een van de voorlopers van de vrije markt dacht ook in deze lijn. Het summum van geluk is dat een mens gezond is, geen schulden heeft en een schoon geweten heeft. Hij geloofde in de vrije markt waar alle mensen hun persoonlijke geluk konden nastreven. Wel vond hij het noodzakelijk dat de overheid voor het onderwijs verantwoordelijk was en korruptie fel bestreed. Deze filosofen wilden het menselijk egoisme beteugelen. Volgens Bentham streeft ieder mens zijn eigen belang na. Hij wil zoveel mogelijk voordeel,genot en geluk verkrijgen. Hij kiest voor een economie van geluk. Ook hij wil het eigenbelang begrenzen met sancties. Mill hecht aan het sociale element in de menselijke natuur. Hij stelt:het grootste geluk voor het grootste aantal mensen. Dat is de droom van het kapitalisme. Maar de inspiratoren van deze droom hebben gewaarschuwd.De kapitalisten,die alleen weten te graaien,bonussen te ontvangen,abnormaal veel verdienen,gokken om zoveel mogelijk rendement te verkrijgen en door hun gedragingen anderen werkeloos en arm maken,zij allen worden door bovengenoemde filosofen uitgescholden voor varken en dwaas. De regie van de vrije markt is in handen van de overheid.

Hans Visser

10 maart 2009

Verslaving

Verslaving

(Lezing GGZ-Delft 18 feruari 2009)

Maatschappelijke omgang met en verantwoordelijkheid voor drugs-en drankverslaafden. Halverwege de dag belt hij mij op. Het gaat om K. die woont in de regio Rotterdam. Na mijn pensioen ben ik hem blijven bezoeken,omdat ik hem niet zomaar kan overdragen aan een ander. K. wordt begeleid door een ambulant hulpverlener. K. lijdt aan enkele ziekten als diabetes en slikt een partij medicijnen. Hij woont in een klein gezellig huis. Als ik hem bezoek zorgt hij voor gebak en koffie. We roken een sigaretje en sigaar. De ideale dag voor K. verloopt als volgt. In de morgen bijkomen van de vorige dag en nacht. Na 13 00 een aantal glazen Berenburger. Afgewisseld met en partijtje blikjes bier. In de vooravond komt een vriend en gebruiken zij coke. Het absolute hoogtepunt van de dag. Daarna gaat K .over op tomatensap en sinaasappelsap. Er wordt een hap gegeten. Er wordt bij etappes geslapen. In de nacht wordt nog wat gegeten. K. houdt niet van TV en beluistert de radio en taperecorder. Hij ligt op een bed in de kamer. Hij heeft af en toe last van hallucinaties. Tijdens mijn bezoeken spreken we over zijn algehele toestand(gammel), de hallucinaties, het heerlijke coke gebruik, relatie met familieleden(zijn zuster bekommert zich om hem), de toestand in de woonplaats, theologische onderwerpen die hij zelf aandraagt, de zin van dit leven. Ik voel met .de man mee en ik mag hem graag. Uiteraard bespreken we de zorgelijke financiën rond de coke. Ik dring aan op matigheid,zodat het leuk blijft. Maar nu belt hij op. De vriend in coke gebruik is financieel bezweken. K. verzucht : einde coke. Hoe sta ik hierin?? Ik voel mee,jammer de coke beleving mist hij nu,aan de dag ontvalt het hoogtepunt. Ik heb met hem te doen. Hij is een aardige man die ondanks al zijn handicaps wat van zijn leven gemaakt heeft. Natuurlijk heb ik wel eens een arts geraadpleegd,die verbijsterd raakte over de hoeveelheid medicijnen en geen uitweg bood. Ik heb geprobeerd zijn coke gebruik te helpen reguleren of zo nodig te staken. In een vriendschappelijke relatie heb je het beste met elkaar voor. Ik heb leren accepteren dat zijn situatie is zoals deze is. We maken er wat van. Ik laat K. weten dat ik binnenkort weer eens langs kom..Als dominee ben ik geen psychiater,verpleegkundige,maatschappelijk werker etc. Een dominee is een geestelijk raadsman voor onderweg. Onderweg ben ik hem tegengekomen,omdat hij wist dat ik hem niet zou afwijzen. K. wil ook dat ik hem begraaf. Ik doe u het verhaal van K. omdat ik altijd geprobeerd heb zo met mensen om te gaan die aan drugs en drank verslaafd waren. Het begon allemaal voor mij in het begin van de jaren tachtig wanneer de wegen van Nico Adriaans(toen voorzitter van de Junkiebond) en mij elkaar kruisten. Nico was een getalenteerde actievoerder met een breed maatschappelijk en politiek inzicht. Hij werd mijn gids. Gezamenlijk gingen we er tegen aan:het scheppen van eigen ruimten voor druggebruikers in de Pauluskerk en enkele dependances(zoals later ook Perron Nul),waar ze konden eten,drinken,gezellig samen zijn,slapen en gebruiken. Daarom heen weefde ik medisch en sociaal werk. Een kerk is een markt die je producten aanbiedt die belangrijk zijn voor de mensen zelf maar ook voor de kerk. Bijbelstudie,gespreksgroepen, kerkdienstjes etc waren vrijblijvend. De een vond het leuk,de ander prefereerde gebruik en gezelligheid. Niks geen gezeur over zonde(coke als sloper,drugs zijn van de duivel).Jezus zelf hield van wijn. Natuurlijke de individuele maat is belangrijk. Altijd dronken zijn of stoned of onder invloed is een donkere kant van het druggebruik. Ruud Heinsius schreef onlangs een boek met de titel Flarden. Hij beschrijft de dood van zijn dochter(verkeersongeluk) en zoon(overmatig druggebruik).Voor psychiaters een interessant boek om vast te stellen dat hun werk vaak bestaat uit briefjes aan collega’s,die uiteindelijk niks opleveren dan de vaststelling van zijn dood. Over Evangelische Hulpverlening is de auteur teleurgesteld(de Hoop).Over mij is hij tevreden(uitgezonderd Perron Nul).Hij prijst de lage drempel van de kerk. Met angst in je ogen,vertwijfeld,je kunt geen kant meer uit..De verantwoording kan even bij een ander gelegd worden(maaltijd,slaapplaats)..Met Nico Adriaans liepen we te hoop tegen de hoge drempels van de hulpverlening. het beleid van de burgerlijke gemeente en politie. Bezettingen,demonstraties en een illegaal methadon programma werden uitgevoerd om bepaalde doelen te bereiken. Een toenmalige arts die optrad als drugsadviseur van de gemeente prees zich bijna letterlijk uit de markt toen hij verklaarde dat wie met druggebruikers spreekt bij de duivel te biecht gaat./ In het begin van de jaren tachtig werd o.l.v.Nico Adriaans e.a. gepleit voor de medisch sociale heroïne verstrekking. Dat riep alleen verzet op hoewel ik dacht dat deze verstrekking een uitnemende oplossing zou zijn. We moesten nog 16 jaar wachten toen deze verstrekking geaccepteerd werd door de overheid. Ik weet nog dat ik 1997 toen de discussie in de Kamer stagneerde de minister meedeelde dat ik er zelf mee ging beginnen. Ik kende dealers die het experiment wilden dragen. Dat gaf weer commotie zodat ik een en ander moest kortsluiten met het parket in Rotterdam. Inmiddels was iedere heroïneverslaafde in die zestien jaar aangevangen met cokegebruik. Jammer. De opiumwet heeft nooit mijn goedkeuring genoten. Mensen en drugs horen bij elkaar. Drugs zijn stoffen die het menselijk bewustzijn beïnvloeden. Ze worden gebruikt met het oog op gezondheid, genot, roes, extase, troost, vlucht, grensoverschrijding en meditatie. De overheid is geroepen de risico’s te onderscheiden. Drugs met een verhoogd risico zijn wat verkrijgbaarheid,leeftijdsgrenzen aan voorwaarden verbonden. Geen coke bij Albert en tabak alleen in een speciale zaak. Sommige drugs alleen bij de apotheek. Laat de volksgezondheidinstanties de regie voeren .Verbieden van drugs is heilloos Wij zoeken daarom naar het smalle pad tussen enerzijds het verbod van drugs en anderzijds het zomaar vrijgeven van drugs Natuurlijk hebben we altijd met overheden gestoeid en gedeald over het drugbeleid. De overheden moesten de opiumwet handhaven terwijl lieden als ik daar geen boodschap aan hadden. Het gedoogbeleid werd geboren, Ik ben daar een warm voorstander van. Gedoogbeleid is noodzakellijk om langs de weg van experiment nieuwe regels en wetten uit te vinden Gedogen is niet de verkeerde kant uitkijken maar geschiedt uit mededogen met mensen,die dreigen vast te lopen in hun drugscultuur, Het gedoog beleid vierde hoogtij in Rotterdam aan het einde van de jaren negentig. De burgemeester verdedigde het beleid. De wethouders gaven ondersteuning.,ambtenaren van stadhuis,GGD en het parket hielden vergaderingen die nooit zijn gehouden. Er werd onderzoek gedaan. Het bleek dat de door mij gerunde basements het goed deden(toegankelijkheid voor politie en hulpverlening).Er was toegangsbeleid met pasjes en er werd geïnvesteerd in een goede relatie met de woonomgeving. Het blijft jammer dat Pim Fortuyn in 1993 geen voorzitter van Perron Nul werd. Was dat wel gebeurd dan hadden we nog mooie tijden kunnen meemaken en was Fortuyn wellicht niet gevallen in de handen van de malloten die de afgod veiligheid aanbeden. In 2003 wordt het gedoogbeleid beëindigd. Het positieve rapport over de basements verdwijnt voor goed in de bureaulade. De betrekkingen met de politie keren terug naar het niveau aan het begin van de jaren tachtig. De politiek laat afweten. De burgemeester moet zich in allerlei bochten wringen. Het parket handhaaft haar hypocriete beleid. Nog eenmaal heb ik een treffen met de hoofdofficier wanneer hij gewichtig meedeelt dat ik niet langer verdachte ben in twee drugszaken. Onder mijn bezoekers in de Pauluskerk,die getreiterd worden door repressie houd ik een enquête. Vijftig procent van de bezoekers neemt deel aan straatkrant,Topscore en het klusserswerk in de Pauluskerk. Vijftig procent maakt gebruik van hulpverlening(geldbeheer,begeleide kamerbewoning) Twintig procent laat zich betrekken in de export en import van balletjes. Ze leveren zich uit aan katvangers. Sommigen houden hun verslaving onder redelijke controle met zelfhulp en hulp van anderen. Anderen stellen vast dat hun leven ondermijnd wordt door verslaving. Het gebruik van drugs in de Pauluskerk heb ik zoveel mogelijk gereguleerd:huis dealers, controle van de stoffen,beslissende stem aan bezoekers over de kwaliteit,toezicht op prijzen,het scheppen van een ontspannen sfeer,grenzen stellen aan het gebruik,toezicht op gezondheid, uitnodigen deel te nemen aan andere activiteiten, het propageren van snuiven boven basen etc. Ik ben een tegenstander van moralisering in de verslavingszorg. Medicalisering is goed/.Voor veel druggebruikers is medische hulp in hun gehandicapt leven goed. Het gaat me te ver ze hersenziek,voor gek te verklaren..De meeste druggebruikers kunnen zich goed uitdrukken,kunnen communiceren en functioneren in vele opzichten zeer behoorlijk. In hun hersens vindt het proces craving plaats,dat je er niet zo uitramt. Bepaalde stoffen die het lichaam behoort aan te maken worden niet geproduceerd, andere stoffen worden toegevoegd en leiden tot ontwrichting.. Christian Marzahn heeft gepleit voor een algemeen te aanvaarden drugscultuur. De druggebruiker maakt deel uit van een groep waar de mensen op basis van afspraken met elkaar proberen op verantwoorde wijze te gebruiken. De kroegbaas stuurt zijn klanten zodanig aan dat ze niet van hun kruk tuimelen van dronkenschap. Gebruikers van bruin en wit kunnen elkaar adviseren,.in geval van overdosis kan vlot worden ingegrepen. Mensen weten hoe te handelen. Voordat de gebruikersruimten er waren stierven er meer mensen in een portiek of nis of gewoon thuis Elk mens is in zijn brein beïnvloedbaar van buiten af maar gelijktijdig zijn er ook invloeden die van binnen uit komen. Ik wil niet absoluut deterministisch denken. Ik geloof niet in het verslavingsgen. Wel kan er sprake zijn van erfelijkheid of predispositie. Er is sprake van wisselwerking tussen genetische en culturele factoren. Verslaving is multifactorieel bepaald. Niet vergeten mag worden dat de mens lot en daad is. Een mens kan sommige dingen die lotmatig bepaald worden niet veranderen. Maar de mens kan ook kiezen. Hij kan zich dan vergissen maar ook succes scoren. Met Wim van der Brink kan ik het eens zijn dat sprake is van een bio-psycho-sociaal ontwikkelingsmodel. Ontstaan en beëindiging van verslaving zijn het resultaat van een continue interactie tussen aangeboren kwetsbaarheid, persoonlijke ontwikkeling en de omstandigheden, omgevingsfactoren.. In de Pauluskerk hebben we in de loop der jaren alle mogelijke hulpverleners geïntroduceerd: verslavingsartsen, psychiaters, verpleegkundigen, maatschappelijk werkers, maar ook aanhangers van healing en reiki, guru,’s van genezers etc,Ik vind dat elke behandeling met waardigheid dient te geschieden. We beginnen waar de mensen zijn. Een maatschappelijke context kunnen we niet zomaar veranderen. Wij gaan niet mensen opbergen en verkassen. Het resultaat daarvan stelt vaak teleur. De overlastpsychose opent de weg naar vele plekken waar het gebruik afgedekt wordt of gedwongen beëindigd. Overlast is geen criminaliteit. Daarin moet je sturen. Er zijn verslaafden die redelijk goed functioneren. Zij moeten op een fatsoenlijke wijze hun dope verkrijgen. Er zijn mensen die de controle over hun gebruik verliezen. Ik wil altijd gebruik-verslaving -en verloedering onderscheiden. Ik moet voorkomen dat verslaving overgaat in verloedering. De hulpverlener kan wel eens drang uitoefenen .Mensen hebben het recht een behandeling te weigeren. We moeten alles uit de kast halen om dat te voorkomen maar we kunnen niet dwingen. Er is recht op aanvaarding,er is recht op weigering. Wat dat betreft leven we onder een bevoogdende overheid die ten aanzien van de genotscultuur (koffieshops, café’s waar gerookt wordt, drank gebruik, sexbeleving etc)allerlei ingrepen doet met het oog op het welzijn van jongere en oudere. Het gaat mij te ver. Ik ben er voorstander van dat de overheid gebruik en handel in alle drugs(inclusief de thans verboden drugs)reguleert met regel-en wetgeving. De overheid verricht preventie en waarschuwt de burger,De overheid voert een gunstig beleid voor omgevingsfactoren (bestrijding schooluitval,werkeloosheid,gebrek aan goede recreatie voorzieningen etc.) Door bepaalde drugs te verbieden houdt de overheid een maffiose cultuur in stand met drugsbendes in Mexico,liquidaties in Amsterdam,zwarte handel in drugs,de ondergrondse aktiviteiten per scooter,huisbezorging,afspraak onderweg thans verspreid over het hele land. In de caren van Perron Nul heb ik moeten vaststellen dat hulpverlening,GGD en overheid ernstig tegenvielen,dat de criminalisering van druggebruikers een ernstige vorm van hypocrisie veroorzaakte in de samenleving. Ik bepleit geen open drugscene maar een gereguleerde. Zie lezing:  Van Verzorgingsstaat naar Veiligheidsstaat. Zie Een hulpzoeker is nog geen hulpvrager.
Hans Visser

Dance parade Rotterdam

Dance parade Rotterdam

Kunstpenissen, ontblote borsten, uitdagend sexueel gedrag. Goede smaak is hier geboden. Bijna naakt is prikkelender dan naakt. De dance parade bewijst dat de sexuele uitdaging  onder begeleiding van opwindende muziek en met gebruik van drugs vertolkt wat bij mensen leeft. In groepsverband bestaat er een kontrole t.o.v. elkaar. Je zag wel eens een man of vrouw een poging doen om een ander te betasten. Maar de groepskontrole remt af. Er zit ook veel humor in de parade. Dames verkleed als zedelijkheidspolitie of deelnemers die met hun lichaam spelen. Mensen zoeken altijd de randen op. Dat maakt de parade spannend. Het lawaai is me wel eens te veel. Kunnen onze oren dat allemaal verwerken? De mensenmassa is van een geest van vrolijkheid vervuld. Hier worden oerkrachten gevoeld, geuit maar ook gekanaliseerd. Ambulancepersoneel en niet teveel politie kunnen een goede bijdrage leveren. Een vrouw  doet haar borsten naar voren, haar kont naar achteren. De een vindt dat banaal en gruwelijk, voor de ander is dit het einde van alle dingen. Je kunt het op zijn tijd leuk vinden. Smaken verschillen. Ik gun de Rotterdammers hun dance parade. Het is een geslaagde erotische vormgeving aan het driftleven, dat in onze samenleving onderkend  wordt.

Zwerven in een verhaal

Zwerven in een verhaal

Zwerven in een verhaal
n.a.v. het promotieonderzoek van Geeske Hoogenboezem: “Wonen in een verhaal – dak- en thuisloosheid als een proces”

Aan het onderzoek van mevr. Hoogenboezem wordt terecht door het Rotterdams gemeentebestuur belang toegekend. Het onderzoek heeft betrekking op het probleem van de dak- en thuisloosheid in Rotterdam.

De Pauluskerk komt vaak ter sprake als opvang van dak- en thuislozen, maar de onderzoekster heeft helaas geen kans gezien om met de Pauluskerk nader van gedachten te wisselen over de achterliggende intenties van de opvang. Dat vind ik jammer, want dan hadden we ook iets kunnen vertellen over de morele codes die wij hanteren. Maar ik besef al te goed, dat elk onderzoek zijn beperkingen heeft. Ik beschouw deze studie als een leerzaam verhaal dat een aantal uitdagingen bevat. In een kort artikel kan men echter nooit recht doen aan een promotieonderzoek. Daarom spreek ik ook over “zwerven in een verhaal”.

Er wordt in de studie een onderscheid gemaakt tussen dakloosheid en thuisloosheid. Bij dakloosheid is er gedurende een bepaalde tijd geen sprake van een gegarandeerde slaapplek. Mensen kunnen overwegend tijdelijk dakloos zijn. Bij thuisloosheid gaat het om een ingrijpender situatie. Het gaat om kwetsbare mensen die geplaagd worden door achterliggende problematiek. Het komt zelfs voor dat ze beschikken over een huis, maar er niet graag vertoeven. Men voelt zich in de samenleving niet lekker en niet thuis. Wanneer men kennis maakt met deze mensen, ziet men veel onopgeloste ellende. De levensloop van sommige mensen is zeer ongelukkig. Het komt dan vaak tot een breuk met de samenleving. De thuisloosheid wordt, naar mijn overtuiging, voor een groot deel bepaald door psychische factoren. Dat neemt niet weg dat er ook sociale factoren in het geding zijn. Er bestaat ook een relatie tussen armoede en dakloosheid. Mensen kunnen hun huis verliezen door schulden en tijdelijk of langer dakloos worden. De samenleving is ingewikkeld waardoor sommige mensen niet in staat zijn om aan alle voorwaarden te voldoen. Ze lopen vast en dat kan betekenen dat ze toetreden tot het leger der thuislozen. Deze mensen geraken ook vaak in de vicieuze cirkel van: geen woning zonder uitkering en geen uitkering zonder woning. Er zijn nog altijd mensen die verstoken zijn van een uitkering en berusten in dakloosheid.

Interessant in deze studie is dat de politiek der levensvragen aan bod komt. Mensen staan voor keuzes. De vraag is soms of mensen vrij kunnen kiezen. Vraag is ook of mensen zicht hebben op hun keuzes. Het is zelfs de vraag of er überhaupt iets te kiezen valt. De samenleving gaat er gemakshalve vanuit dat wij allen autonoom zijn en onze eigen koers kunnen bepalen. Maar de realiteit confronteert ons met het feit dat er mensen verdwalen, dat mensen bang zijn keuzes te maken, dat zij die keuzes uit de weg gaan. Jammer is dat de auteur geen kennis heeft genomen van de studie van Andries Baart, van zijn theorie van de presentie. We hebben daar in de Pauluskerk met name de afgelopen jaren veel aandacht aan geschonken. Zijn theorieën ten aanzien van presentie en interventie kunnen ons beschermen tegen een hulpverlening, waarin de agenda door de hulpverlener wordt opgelegd aan de hulpvrager. Het gaat in deze studie om een zorgvuldig luisteren naar de mensen en de bereidheid om te accepteren dat sommige problemen onoplosbaar zijn. Dat kan er toe leiden dat mensen niet gemarginaliseerd worden en het symbolisch geweld in de hulpverlening daalt erdoor. Naar mijn overtuiging moet de theorie van de presentie van Andries Baart vooral binnen het maatschappelijk werk veel meer aandacht krijgen.

Mevr. Hoogenboezem onderscheidt verschillende groepen onder de dak- en thuislozen. In de eerste plaats de zorgmijders uit keuze; dat zijn mensen die dus heel doelbewust geen zorg wensen, daar ook voor kiezen. Ik schat dat ongeveer een kwart van de Pauluskerkbevolking behoort tot de zorgmijders: ze nemen niet deel aan activiteiten, ze kloppen niet aan bij de hulpverlening, gaan hun eigen weg. In de tweede plaats is er de groep van de zogenaamde zorgwekkende zorgmijders. Hier is geen sprake van een keuze. Het zijn mensen die volstrekt verdwaald zijn en een gebrek aan inzicht hebben. Ze tollen rond in vicieuze cirkels en worden vaak uiteindelijk onbereikbaar. Verder onderscheiden we de groep van de zorgzoekers, die weer in drie subgroepen uiteen valt. De eerste groep wordt gevormd door de cynici. Zij beschikken over een bepaald inzicht, doen keuzes en maken zich afhankelijk van hulpverlening. Een tweede groep betreft de zogenaamde instellingsdaklozen. Dat zijn mensen die zich schikken in de hulpverlening en daar ook langdurig verkeren. En dan is er de derde subgroep van de zorgwekkende zorgzoekers. Dat zijn mensen die geen inzicht hebben in hun problemen, ook verdwalen, die zich afhankelijk maken van hulpverlening, maar niet in staat zijn tot onderhandelingen. Deze groep baart veel zorgen, is niet altijd makkelijk bereikbaar en wordt uitgestoten. En dan zijn er nog de uitstromers: de mensen die vanuit de daklozenopvang via begeleide kamerbewoning terechtkomen in een eigen woning.

In de Pauluskerk maakt ongeveer 50% van de mensen gebruik van de hulpverlening. Zoals hierboven reeds aangegeven, schatten wij dat ongeveer 25% de zorg uit vrije keus mijdt. Maar ik schat dat eveneens 25% behoort tot de zorgwekkende zorgzoekers. Het zijn mensen die het wel eens proberen bij de hulpverlening maar ze stoten hun neus, raken teleurgesteld, nokken af, gaan soms ook shoppen, proberen het nog eens een keer, mislukken weer, raken gefrustreerd. Onder de 50% zorgmijders uit keuze en zorgwekkende zorgzoekers bevindt zich natuurlijk ook een vaak wat onzichtbare categorie van zorgwekkende zorgmijders die we niet altijd scherp kunnen onderscheiden. Het kan gaan om mensen die lijden onder ernstige psychische kalen of psychiatrische ziekten. De meeste ervaring wordt in de hulpverlening opgedaan met de zorgzoekers, met name de subgroepen cynici en instellingsdaklozen. Het komt ook voor dat er uitstromers zijn. Niet ontkend kan worden dat hulpverleners in de Pauluskerk ook vaak zullen redeneren vanuit hun eigen referentiekaders. Die bevatten een aantal morele principes die mensen willen motiveren tot het door de hulpverlener gewenste gedrag. Het lijkt allemaal zo mooi, maar de praktijk valt tegen. Daaraan geeft het onderzoek veel aandacht. Er wordt niet altijd correct, juist en relevant onderhandeld tussen zorgzoekende en hulpverleners. Wat is eigenlijk het gewenste gedrag? Is het nou echt noodzakelijk dat alle mensen een leven leiden van ‘huisje, boompje, beestje’? Kan het niet zo zijn dat een bepaalde groep mensen ervoor kiest om goedkoop, in groepsverband, te leven? Ik zal nooit vergeten dat ik jaren geleden een dakloze man ontmoette die op mij de indruk maakte redelijk gelukkig te zijn. Ik kon me dat moeilijk voorstellen maar ik probeerde te luisteren naar zijn geluksverhalen. Hij had groot medelijden met mij, want zei hij, ik denk dat u zucht onder het betalen van uw hypotheek, dat u veel zorgen heeft over uw huis, over de inrichting, dat u wellicht ook een auto moet onderhouden. Al deze ellende gaat aan mij – als dakloze – voorbij; wat ben ik daarin een gelukkig mens. Ik geef toe: dat is een heel eenzijdig verhaal, maar het is toch interessant. Want niet alle mensen leven overeenkomstig de door mij gewenste principes die moeten leiden tot gewenst gedrag. Daarom stelt de auteur ook terecht dat normatieve uitgangspunten vaak tot uitsluiting leiden.

Op pagina 186 in de studie komt een interessante passage voor over de Pauluskerk. Het gaat hier om de dakloze Ronald. Deze kan zich goed verplaatsen in de belevingswereld van de hulpverleners die zijn pad kruisen en hij geeft dan ook een analyse van hun motivatie en uitgangspunten. Hij geeft ook commentaar. En dan zegt hij: “Ja, dat zeggen ze ook bij de Pauluskerk. Er komt pas een kamer leeg als er een jongen vast komt te zitten. Dan denk ik ook van: waar zijn we hier nou mee bezig? Want dan komt iemand vast te zitten en zit hij weer in hetzelfde cirkeltje. Dan kom je een keer vast te zitten, omdat je misschien nog uit 1989 of 1994 een bekeuring hebt staan. Dan kom je weer buiten en is je kamer weg en dan is het cirkeltje weer rond. Dan kun je weer terug naar de Pauluskerk. Dat schiet allemaal niet op. Dat begrijpen ze zelf niet, geloof ik. Of ja, ze begrijpen het wel maar ze willen er gewoon niks aan doen. Ze moeten niets iets opbouwen wat een cirkeltje blijft. Nee, ze moeten iets opbouwen wat zó loopt (en dan tekent Ronald een opwaartse spiraal in de lucht.) En dan nog liefst met trappetjes, dat je ook niet meer naar beneden kunt glijden. Want als je verder in de modder zakt en je steekt je hand naar buiten en je roept: Hulp, hulp, hulp, dan zijn er altijd mensen en hulpinstanties die je helpen. Ze pakken je handje beet, ze trekken je zóver (Ronald wijst daarbij op zijn middel), ze halen je eruit en ze laten je hand weer los. Maar dan ben je er maar tot zóver uit en dan zak je er weer in. Ja, dat heeft geen zin natuurlijk.”

In de onderhandelingen die plaatsvinden tussen hulpverlener en zorgzoeker gaat het natuurlijk om een uitwisseling en afstemming van doelen. Dat is altijd een moeilijk verloop. Wie heeft eigenlijk de regie in het gesprek? Uit het bovenstaande wordt duidelijk dat een zorgzoeker zich meewerkend kan opstellen, maar dat hij eigenlijk helemaal niets opschiet. Daarom is het ook interessant om ons binnen de Pauluskerk en de woonbegeleiding af te vragen: wat willen we nu eigenlijk bereiken? Wat is ons gemeenschappelijke doel? Wat is de inbreng van de dakloze of de bewoner van de begeleide kamerbewoning zelf? Weten we wel precies tot welke categorie iemand behoort? Maatschappelijk werkers zijn geen psychiaters, geen verpleegkundigen, ze hebben een beperkt inzicht om mensen bij te staan. Maar juist in de wereld van de dak- en de thuisloosheid zijn meer disciplines geboden. Vandaar ook dat wij er  in de Pauluskerk aan hechten dat de inbreng vanuit de medische sector krachtiger wordt. Mensen die echt psychisch ziek zijn moeten goed als zodanig herkend worden en dus beter kunnen worden geholpen dan nu.

Wat de auteur van de studie niet ter sprake brengt is, dat alle hulpverleningsinstellingen een toegangsbeleid hebben dat vaak niet wordt bepaald door de hulpverleners. Dat wordt wel eens vergeten. Er zijn allerlei mensen – bewakers, portiers – die een heel cruciale rol spelen. Zij laten zich leiden tot programma’s die samenhangen met openbare orde en veiligheid. Zij worden juist in deze tijd opgejaagd door het veiligheidsbeleid, ook van de gemeente Rotterdam. Er mag geen overlast zijn voor de woonomgeving etc. etc. Dat betekent in de praktijk dat een aantal mensen geweigerd wordt en dat vooral de categorie van de zorgwekkende zorgmijders en zorgwekkende zorgzoekers buiten de boot valt. Zij komen niet eens in de directe omgeving van een hulpverlener, zij zijn bij wijze van spreken al gesneuveld voordat de strijd begint. Daarom is een pleidooi voor een zo laagdrempelig mogelijke opvang altijd geboden, maar dan moet je goed samenwerken met de politie, die in staat is om in de woonomgeving orde op zaken te stellen. Juist dat is nog altijd een uiterst zwak punt in Rotterdam. De politie patrouilleert met een zekere regelmaat, maar op allerlei kritieke ogenblikken ontbreekt ze in de openbare ruimte. Dat betekent dat instellingen een eigen beleid moeten volgen om vooral de woonomgeving te vriend te houden. Dan worden inderdaad ook mensen geweigerd die eigenlijk hulp behoeven.

De auteur stelt terecht het symbolisch geweld aan de orde. Niet ontkend kan worden dat ook de hulpverleners in de Pauluskerk zich bij tijd en wijle schuldig zullen maken aan symbolisch geweld. Er wordt uitgegaan van de verantwoordelijkheid van de cliënt voor zijn eigen zaak. Op zichzelf is daar niks mis mee want verantwoordelijkheid is wezenlijk voor mens-zijn, maar de harde werkelijkheid is dat een aantal mensen niet in staat is om verantwoordelijkheid te dragen. Dat wil niet zeggen dat ze in het geheel geen verantwoordelijkheid kennen, maar hun verantwoordelijkheid is aangetast door een psychiatrische ziekte, door een psychische kwaal, door een ernstige sociale achterstand. De mensen redden het net niet. Ze komen niet op tijd, ze houden zich niet aan afspraken, ze worden weer uitgestoten. Ze worden met zichzelf geconfronteerd: jij werkt niet mee dus dan rot je maar op. Dat is een vorm van symbolisch geweld. Dat geldt ook voor alle regels die gehanteerd worden. Persoonlijk ben ik altijd voorstander geweest van het hebben van zo weinig mogelijk regels, want een overmaat aan regels brengt mensen in de problemen. Merkwaardig is echter dat hulpverleners dol zijn op regels. Zij kunnen zich daarachter verschuilen, ze kunnen zich beroepen op regels. Ze kunnen zich schoon praten. Ze hebben altijd gelijk. De zorgzoeker wordt pijnlijk getroffen en verlaat het strijdtoneel. Opnieuw verloren.Ik denk dat wij in de Pauluskerk – vooral ook in het beraad met de bewaking, de portiers, de kosters – hierop eens ernstig moeten letten. Is het niet zo dat wij sommige mensen eigenlijk duperen door ze resoluut weg te sturen? Ik geef toe dat hier veel problemen liggen. In een tijd, waarin veiligheid dominant is, wordt alles daar ook aan getoetst, wordt alles daaraan afgemeten. Iedereen, ook de meest kritische hulpverlener, wordt daar een beetje ziek van. De klant moet zich in de openbare ruimte goed gedragen; de klant mag niet bedelen; de klant mag geen blikje bier drinken op een bankje; de klant moet zich houden aan wat de samenleving geaccepteerd vindt. Maar in diezelfde samenleving kunnen de mensen met een volle portemonnee gewoon in een bar een biertje gaan drinken; ze hoeven niet te bedelen. Het is allemaal wel eens wat onwaarachtig. Op zichzelf vind ik het heel boeiend dat het Rotterdams gemeentebestuur juist nu aandacht vraagt voor deze dissertatie. Maar de Rotterdamse overheid moet zich tegelijkertijd realiseren dat ze een beleid voert dat vaak haaks staat op de grondgedachten in deze studie.

We blijven er van uitgaan dat mensen eigen keuzes mogen maken, ook al zijn er wel eens keuzes bij die wij niet wenselijk achten. Het heeft geen zin als hulpverleners in hun eigenwijsheid de eigen agenda van de mensen gaan frustreren. Ze zullen dan misschien wel ja zéggen, maar niet doen. Er zijn ook mensen die zich afhankelijk maken van de hulpverlening. Ze schikken zich, ze zijn gehoorzaam. De hulpverlener is verheugd, maar het is de vraag of de hulpverlening ooit aankomt in de haven.De auteur zegt terecht dat in de relatie tussen een hulpverlener en een hulpzoeker sprake moet zijn van een gedeelde kennis. Niet alleen de kennis van de hulpverlener is interessant, ook de kennis van de betrokken hulpzoeker is interessant. Is het mogelijk om een bruggetje te slaan tussen de kennis van de hulpverlener en de kennis die de hulpzoeker op tafel legt? Gedeelde kennis is het begin van een succes. 

De auteur van de studie steunt op de theorieën van Giddens. Die kunnen heel kort, in één zin, worden samengevat: geen rechten zonder verantwoordelijkheid. Dat spreekt beleidsmakers, politici krachtig aan. Dat is stoere taal die populair is, zelfs in linkse partijen. Opnieuw vind ik het heel boeiend dat het Rotterdamse gemeentebestuur deze studie promoot, want de auteur zet een vraagteken bij deze visie van Giddens. Sommige mensen kunnen die gewenste verantwoordelijkheid namelijk niet opbrengen. Is het dan zo dat ze van rechten verstoken zullen zijn? Wordt de Sociale Dienst op deze manier een instelling die mensen opspoort die uitgesloten moeten worden van rechten? Gaat het alleen om sancties of is er ook een bekommernis om mensen die verdwalen, die de weg niet meer weten, die wanhopig raken? Zelf neig ik meer tot het standpunt van Zijderveld die ook in de studie ter sprake komt. Zijderveld gaat er vanuit dat mensen een bepaald recht hebben op dakloosheid, dat de dakloze zich wel aanpast – maar dat is een aanpassing die wat afwijkt van wat wij dan normaal vinden (anomie of versterving). Als je dat zo leest, zou je je kunnen afvragen: bekommert Zijderveld zich eigenlijk wel om die mensen? Jawel, maar het is net iets anders dan bij Giddens. Ik denk ook dat dakloosheid moet worden geaccepteerd, dat het nooit opgeheven kan worden. Dat wil niet zeggen dat je erin moet berusten. En Zijderveld geeft ook aan dat er grenzen zijn. Mensen kunnen zó gestoord raken, zó de weg kwijt raken dat een ingreep geboden is. Ik denk aan mensen die in de Pauluskerk kwamen op blote voeten, in hun ondergoed. Dan is er een moment dat er ingegrepen moet worden. Of als mensen een te grote overlast betekenen voor anderen omdat ze al dan niet verbaal geweld gebruiken etc. Dat maakt de discussie noodzakelijk over drang, dwang en bemoeizucht. Persoonlijk blijf ik een tegenstander van dwangmaatregelen. Bemoeizucht, drang – daar kan ik me iets bij voorstellen. Je moet altijd aan de mensen blijven uitleggen wat misschien een betere oplossing is. Je moet daar ook overleg over plegen, daarover onderhandelen. Je moet erop aan dringen. En dan de hoop koesteren dat die drang toch iets teweegbrengt bij de hulpzoeker, dat hij op zeker moment wellicht toch het licht ziet aan het eind van de tunnel.

Ik vind het jammer dat de auteur aan het slot van haar studie wat aanleunt tegen het nieuwe beleid van Bouman/Delta. Dan wordt er gesproken over het overnemen van verantwoordelijkheid. Juist hier begin ik te steigeren. Juist hier val ik Zijderveld bij: geef de mensen het recht om een weg te gaan die niet de onze is. Stellig, te gestoord of te veel overlast is een grens die niet overschreden mag worden. Maar ga niet de verantwoordelijkheid overnemen. Ga die dakloze niet zo programmeren, zo instrueren, zo indoctrineren, bijna zo hersenspoelen, dat hij accepteert wat de beste levenswijze is. Dat loopt uit op een grote teleurstelling. We weten allemaal dat de SOV uiteindelijk niet het gewenste succes zal opleveren. Twintig procent zal wellicht het einddoel bereiken. Maar vele mensen zullen toch verslaafd blijven aan drugs, zullen in de toekomst toch weer dakloos worden en zich wellicht weer schuldig maken aan kleine criminaliteit. Dat er veel in het werk wordt gesteld om dat te voorkomen, dat moet vooral geschieden in projecten waar drang en bemoeizucht op een goede manier georganiseerd zijn, waarbij de kennis wordt gedeeld, waarbij goed wordt onderhandeld en de agenda niet door de hulpverlener wordt gefrustreerd.

Hans Visser,juli 2003

Religieuze en niet religieuze fundamentalisten

Religieuze en niet religieuze fundamentalisten

Religieuze en niet religieuze fundamentalisten 

Onder fundamentalisten treft men veel mensen aan die een religie aanhangen, maar tegenwoordig worden we ook geconfronteerd met de niet-religieuze fundamentalist. De fundamentalisten met een religieuze inslag vormen de overgrote meerderheid waarover deze lezing ook zal gaan.

Het is niet zo gemakkelijk om een definitie te geven van fundamentalisme. Fundamentalisten zijn mensen die consequent en trouw in de leer willen zijn. Ze hechten ook aan een handelen dat overeenkomt met de principes. Ze willen daar ook op worden aangesproken. De fundamentalist is vaak militant. Je kunt merken dat hij terugvecht, dat hij op leven en dood voor een bepaalde zaak vecht, dat hij vecht met anderen en ook tegen anderen. De religieuze fundamentalist meent dat God aan zijn zijde staat. De fundamentalist hecht niet zozeer aan hermeneutiek. De fundamentalist houdt ervan een tekst tijdloos, consequent, letterlijk te interpreteren. Hij meent te weten wat met een tekst van duizenden jaren geleden precies bedoeld is. Hij kent niet de aarzelingen van de mensen die de hermeneutiek bloedserieus nemen. Die weten namelijk hoe moeilijk het vaak is om een tekst uit een grijs verleden goed te kunnen uitleggen. Zij die de hermeneutiek beminnen, weten ook hoe moeilijk het is om teksten op een eigentijdse wijze te vertolken. Een fundamentalist past vaak geen bescheidenheid. Hij weet dingen die misschien helemaal niet geweten kunnen worden, maar voor hem is het een stelligheid en zekerheid.  

Wij vangen aan met een korte behandeling van protestantse fundamentalisten zoals zij zich ontpopt hebben in de Verenigde Staten.

Protestantse fundamentalisten

De protestantse fundamentalist zet zijn leven in voor de fundamenten van het geloof in protestantse zin. Hij hecht aan de traditionele interpretaties van de Heilige Schrift. Hij zal de maagdelijke geboorte letterlijk interpreteren: alle wonderen en mirakels uit de bijbel zijn echt gebeurd. De bijbel wordt letterlijk genomen. Men hecht vaak aan een evangelicale uitleg. Fundamentalisten willen zielen winnen voor Christus die de absolute waarheid is. Men hecht ook aan de wedergeboorte, een mens moet vernieuwd worden. De protestantse fundamentalist meent dat hij gered is om nu ook ongelovigen te redden. Zij worden tot bekering geroepen. De bijbel is de absolute leidraad voor het leven. Fundamentalisten organiseren op een constructieve wijze hun oppositie tegen andere leringen. Ze zijn door de bank genomen goed georganiseerd en vervullen vaak een dominante rol in de media. Zij menen dat wat zij geloven door het verstand wordt bevestigd. Protestantse fundamentalisten tref je overwegend aan in verstedelijkte gebieden. Er is vaak een negatieve opvatting ten aanzien van de stad, die ervaren wordt als een plek van sociaal onheil, het stedelijk leven ondermijnt de gemeenschap van mensen. In de geloofsbeleving spelen hemel, hel en verdoemenis een belangrijke rol. Men ziet in de wereldgebeurtenissen graag een vervulling van profetieën. Soms zijn fundamentalisten antisemitisch waarbij de jood wordt afgeschilderd als een getuige van de antichrist. Tegelijkertijd kunnen fundamentalisten ook pro Israël zijn, zij zien in de staat Israël een vervulling van bijbelse profetieën. In de tijd van de Koude Oorlog waren protestantse fundamentalisten als McIntire ook fel anticommunistisch. De fundamentalisten rekenen zich tot de moral majority. Ze zijn tegenstanders van de evolutieleer. Het gebed op school moet worden gehandhaafd. Het gezin is de hoeksteen van de samenleving. Pornografie en homoseksualiteit worden verworpen. Men is absoluut tegenstander van abortus. Eigenlijk wenst men dat de staat gehoorzaam de kerk volgt. Protestantse fundamentalisten hebben in de Verenigde Staten grote invloed op de politiek. Presidentskandidaten houden ernstig rekening met hun invloeden.  

Rooms-katholieke fundamentalisten

Een beroemde, beruchte rooms-katholieke fundamentalist was Lefebre, die op eigen gezag priesters inwijdde en zich met kracht verzette tegen het liberalisme, het communisme, het modernisme en het zionisme. Hij verzette zich met kracht tegen de vernieuwing van de rooms-katholieke kerk in de vorige eeuw. Een ander voorbeeld was De Pauw. Hij verzette zich met kracht tegen Vaticanum II. Hij was een fel tegenstander van Teilhard de Chardin. Volgens rooms-katholieke fundamentalisten is alles objectief. Zij willen niet horen van ervaring. Een mens ontvangt de absolute waarheid en dient daar voor uit te komen. Ook de rooms-katholieke fundamentalisten verzetten zich tegen homoseksualiteit en abortus. Ze denken heel exclusief en zijn dan ook altijd tegen de wereld. Ze verzetten zich tegen liturgische veranderingen binnen de kerk. In de kringen van de rooms-katholieke fundamentalisten is ook de beweging Opus Dei beroemd, berucht. Een aardig facet van deze beweging is dat leken hier een belangrijke rol spelen die geroepen worden om het leven te heiligen, maar door de bank genomen is Opus Dei rijkelijk conservatief. Ook de rooms-katholieke charismatische beweging heeft fundamentalistische trekken. De charismatische beweging is uiteraard vol van de geest. Mensen prefereren een vroom leven. Men vertoeft graag met gelijkgezinden.

De protestantse fundamentalisten in Zuid-Amerika

De protestantse fundamentalisten in Zuid-Amerika hebben de neiging om God gelijk te stellen met de overheid. Ze zijn fel anticommunistisch. Een voorbeeld van een protestantse fundamentalist in Zuid-Amerika was Rios Monti in Guatemala. Conservatieve protestantse fundamentalisten maken zich ook schuldig aan het schenden van mensenrechten. In hun landen treft men veel evangelisten aan uit de Verenigde Staten die beschikken over buitengewoon veel geld. Hun boodschap draait om: bijbel, bekering en het stichten van kerken. In de zending opereren zij altijd als de zogenaamde faith missions. De protestantse fundamentalisten verzetten tegen de bevrijdingstheologie. Zij beroepen zich vaak op het convenant van Lausanne uit 1974. Zij verzetten zich niet tegen het kapitalisme. Religie wordt sterk geprivatiseerd. De weerkomst van Jezus zal een eind maken aan het onrecht in de wereld. Romeinen 8 wordt op een bepaalde manier geïnterpreteerd in die zin dat er geen verzet wordt geboden tegen de bestaande orde. De protestantse fundamentalisten hebben in Zuid-Amerika veel succes gehad bij het oprichten van de zogenaamde pentecostal churches. Dat zijn vaak middenklasse kerken die omzien naar de armen. Ze zijn antikatholiek. Hoewel zij opkomen voor de lotgevallen van een arme kiezen zij toch niet voor politieke bevrijding. De bijbel bevat de volstrekte waarheid. Zij houden niet van theologische reflecties, want dat zou wellicht tot andere waarheden kunnen leiden.

Joods fundamentalisme

Onder de joden treft men de zogenaamd ultraorthodoxen aan. Zij zijn de fundamentalisten. De joodse fundamentalisten zijn vol van de boodschap uit Jesaja 66:5 en 6: Hoort het woord van de Here, gij die voor zijn woord beeft: Uw broeders die u haten, die u verstoten om mijns naams wil, zeggen: Dat de Here zijn heerlijkheid tone, opdat wij uw vreugde aanschouwen. Maar zij zelf zullen beschaamd staan. Er klinkt gedruis uit de stad! Het klinkt uit de tempel! De stem van de Here, die vergelding brengt over zijn vijanden! Dit soort bijbelverzen kan een geheel eigen leven gaan leiden. De joodse fundamentalisten verzetten zich tegen veranderingen en reformaties in het jodendom. Zij willen de oude regels handhaven. Zij willen de waarden van het joodse leven in tact houden: geen aanpassingen, geen syntheses. Zij verzetten zich tegen de moderne cultuur. De rabbi die Tsaddik is, is het intermediair met God. Hij leert je in de contemplatie God te ontmoeten. De joodse fundamentalisten beschouwen hun eigen cultuur als superieur. Zij verzetten zich tegen het seculaire Zionisme. Zij handhaven een strenge seksuele moraal. Zij houden van business, maar sluiten geen compromis met niet-orthodoxe joden. Zij ontwikkelen een anticultuur ten opzichte van de nieuwe Zionistische samenleving. Toch zijn er uit de fundamentalistische hoek politieke partijen voortgekomen, zoals de Shas. De Sefardische joden onder hen hadden in hun leven reeds langdurig geleefd onder niet-joden en veel business bedreven. Zij zijn wel in voor plichten en uitdagingen, maar blijven loyaal aan hun verleden. Er worden in hun kringen veel kinderen geboren waardoor deze groepen groeien in aantal. Er zijn onder de joodse fundamentalisten ook gewelddadige stromingen die wel een moskee willen opblazen. Zij hechten aan het grote Israël dat zich uitstrekt van Irak tot Egypte. Gush Emunim: men sluit geen vrede met de Arabieren; er is een absolute liefde voor Israël; iedereen moet opgevoed worden in de Thora; men begeert veel settlements; men gaat uit van een assertieve veiligheidsbeleving en God staat aan hun kant. Dat is hun overtuiging. Men wordt opgeroepen zoveel mogelijk naar Israël te emigreren. Men jubelt mee met de dichter van psalm 47: Alle gij volken, klapt in de handen, juicht Gode toe met jubelgeroep. Want de Here, de Allerhoogste, is geducht, een groot Koning over de ganse aarde. Hij brengt volken onder ons, natiën onder onze voeten. Hij kiest ons erfdeel voor ons uit, de trots van Jacob, die Hij liefheeft. Dit soort bijbelverzen wordt natuurlijk zeer nationalistisch, chauvinistisch geciteerd en beleefd. Religie is dan ook ten volle politiek.

Soennitisch fundamentalisme

De soennitische fundamentalisten deden van zich spreken bij de moord op de Egyptische president Sadat. De Egyptische soennitische fundamentalisten munten uit in de zorg voor hun armen. Zij roepen de mensen terug naar het pad van de ware islam. Het gaat om de allesomvattende koranboodschap. Men weigert beïnvloed te worden van buiten. De Wahhabisten in Saoedi-Arabië zijn ook een voorbeeld van soennitisch fundamentalisme. Het gaat om de Tahdid, de eenheid van God. De Islam staat voor. Het hele leven moet doortrokken worden van de islam. Opvallend is dat de Wahhabisten de moderne wereld accepteren en niet zozeer opereren als opposanten van moderne wetenschap en techniek, maar dat wel allemaal binnen het kader van de islam. Napoleon heeft tijdens zijn bewind in Egypte bepaalde ontwikkelingen op gang gebracht die voor de Islam van grote betekenis zijn. De soennitische fundamentalisten vinden dat geloof en verstand niet met elkaar in conflict mogen zijn. In Egypte werd de moslimbroederschap in 1928 opgericht. Het ging hierbij om de volstrekte gehoorzaamheid aan God, maar men wilde ook sociaal goed bezig zijn. Het was allemaal allesopvattend. Toen een soennitische fundamentalist een aanslag deed op de Egyptische president Nasser onderging de groep een ernstige terugslag, omdat Nasser buitengewoon populair was. De soennitische fundamentalisten hebben veel kritiek op het Westen, omdat westerlingen zeer materialistisch denken en pro Israël zijn. Soennitische fundamentalisten vertonen niet geheel hetzelfde beeld. Er zijn ook niet-revolutionaire stromingen die niet uit zijn op geweld. Sadat, bijvoorbeeld, was soepel ten aanzien van de broederschappen. Hij gaf hen de ruimte. Sadat was ook een voorstander van een moderne islamitische maatschappij. Na de moord op Sadat besloot Mubarak tot een opportunistische omgang met de verschillende groepen in Egypte. Soms steunt hij de moslimbroederschappen, maar gaat ook vaak tegen hen in, vooral wanneer geweld dreigt. Mubarak heeft ook wel eens de Kopten, de christenen in Egypte, een kop kleiner gemaakt, omdat hij niet de indruk wilde wekken dat hij hen voortrok. Dankzij dit opportunisme houdt Mubarak het ook lang uit in Egypte.

Het Shiitische fundamentalisme

Drie personen zijn voor Shiitisch fundamentalisten van groot belang: Abraham, de vader van alle gelovigen; de profeet Mohammed; en niet te vergeten Gomeini die eens in Iran de Sjah verdreef en aan de macht kwam. Volgens shiitische fundamentalisten bereikt God het ultieme doel met de vestiging van een islamstaat. Van belang is in deze de laatste imam. De shiitische fundamentalisten streven naar een zuivere islam. Zij proberen vreemde smetten te verwijderen. In onderscheid met de soennieten erkennen de shiiten Ali als opvolger van Mohammed. Er zijn dan twaalf imams na Ali aan het bewind. De twaalfde imam, Mahdi zal terugkeren. Het modernisme moet zeker niet vanuit het Westen geïmporteerd worden, maar moet gaan door de islamitische trechter. De geestelijkheid kent aan God grote invloed toe op het openbare leven. Met wapens kunnen regimes op basis van het ongeloof ten val worden gebracht uit de naam van Allah. Allah geeft de kracht en de wijsheid. Shiitische fundamentalisten onderstrepen het martelaarsschap, denk aan Kerbala in 680 toen Huseyin werd vermoord. Shiitische fundamentalisten zullen religie en politiek niet scheiden. Zij kennen perioden van ernstige gewelddadigheid, denk bijvoorbeeld aan de moord op de mariniers uit de Verenigde Staten in 1980. Shiiten zijn in bepaald opzicht geradicaliseerd door de staat Israël. In het nabije Oosten spelen zij een belangrijke rol in Iran, het zuiden van Irak en ten dele in Syrië en de Libanon.  

Zuid-Oost Aziatisch fundamentalisme binnen de islam

In november 1989 komen fundamentalisten in Lahore voor een conferentie. Zij willen graag van Pakistan een islamstaat maken. Ook hier gaat het weer om de boodschap van volstrekte gehoorzaamheid aan Allah. Het gaat om de einde der aarde. Er zijn binnen deze fundamentalisten twee stromingen: er zijn er die een volstrekte islamstaat nastreven, maar er zijn ook groepen die meer morele en spirituele krachten willen mobiliseren. Zij zijn minder gepolitiseerd. Wij denken bijvoorbeeld aan de beweging van de Jamaaat-i-islami. Deze fundamentalisten zijn overwegend meer actief op politiek gebied dan op religieus intellectueel gebied. De politieke macht moet zoveel mogelijk in handen van gelovigen zijn. De islam impliceert een complete gedragscode voor het leven. Mawdudi stelde dat de islam superieur moet zijn over het totale leven. Het gaat om een theo-democratie. 

Het hindoefundamentalisme

Het hindoefundamentalisme is ondermeer voortgekomen uit het conflict met de moslims in India. De hindoe-extremisten doen ook altijd een beroep op de interpretatie van teksten. Zij worden geleid door ideologische en nationalistische motieven. Het gaat om een hindoe-natie. Zij verwerpen alle vreemde invloeden van buiten. Mensen moeten worden opgeroepen om de hindoe-identiteit te erkennen. Geweld wordt niet geschuwd. 

Het Sikhs fundamentalisme

Aan de ene kant zijn de Sikhs redelijk verdraagzaam: je mag elkaar niet op basis van religie discrimineren. Aan de andere kant zijn er ook groepen Sikhs die buitengewoon gewelddadig optreden. Zij verschansten zich in 1982 in de gouden tempel van Amritsa. Deze gouden tempel werd echter door het Indiase leger bestormd. De Sikhs hebben een afkeer van afgoden. Zij houden hun eigen heiligheid overeind. Een van hun leermeester is Bhindranwale, die wilde terugkeren naar de oude leer. De Sikhs introduceerden weer de baard en het zwaard. Er is in hun kringen vaak meer sprake van politiek passie dan van theologie. Het gaat veeleer om de vruchten van het geloof. Het gaat niet om orthodoxie, maar om orthopraxis.

Boeddhistisch fundamentalisme

Boeddhisten kennen geen autoriteit van heilige geschriften. Wij kennen ondermeer de Theravada traditie. Deze kent een gevoel voor mystieke ervaring. Er is verzet tegen slechte wensen die alleen maar geluk nastreven. Het gaat om de morele deugden, om sociale ethiek, om compassie. Men wil ook eigenlijk niet het geweld rechtvaardigen. Toch kan het soms heel gewelddadig worden, denk aan de strijd tussen de boeddhistische Sinhalezen op Sri Lanka en de hindoeïstische Tamils in het Noorden van Sri Lanka. De boeddhistische identiteit, die men wil herstellen, draagt een vrijwel ontologisch karakter. Ook hier is weer hunkering naar terugkeer, naar de oude leer. Er is soms wel kritiek op de moderniteit in een samenleving, bijvoorbeeld in Tailand. Soms is men ook tegen het geweld. Er is al sprake van een botsing van culturen. Ook zijn er conflicten met de overheden. Er is onder boeddhistische fundamentalisten behoefte aan een onafhankelijkheid. Ook hier is er een behoefte om in leer en daad zuiver te zijn.

Islamitisch fundamentalisme in Maleisië en Indonesië

In Indonesië kennen wij reeds de islamextremisten van de Darul Islam. Zij waren fel gekeerd tegen het koloniale bewind. Zij organiseerden een jihad om los te komen van de kolonisator. Zij begeerden geen seculair nationalisme zoals Soekarno. Zij weren westerse invloeden en zijn streng in de leer. Alles wat riekt naar westerse waarden wordt geweerd. Men wil niet dat vrouwen door kleding en door hun voorkomen seksueel opwinden. Daarom worden vrouwen vaak in het isolement gehouden. God wordt vooral tijdloos, universeel en onveranderlijk beleefd. De islamitische fundamentalisten in Indonesië keerden zich ook tegen de Pancasilistaat. Op het eiland Java vindt men nog altijd aanhangers van jihad. Er zijn inderdaad vrij grote groepen Indonesische fundamentalisten die echter qua aantallen weer in het niet vallen als je let op het aantal moderne moslims in Indonesië die de Panscasili ondersteunen. In de jaren ’50 en ’60 heeft er op het eiland Sulawesi een heftige strijd plaatsgevonden onder leiding van de fanatieke islamleider Kahrmuzakkar. In zijn gebied heb ik in de jaren ’70 rondgezworven. Hij was toen verslagen, maar ik ontmoette nog wel eens fundamentalistische islamieten die vrij onverdraagzaam waren ten opzichte van het christendom. Ik had ook veel last van alle vernielingen die hij had aangebracht: geen weg was er meer in orde, alle bruggen waren afgebroken en vernield. Het is tragisch dat in het huidige Centraal-Sulawesi opnieuw de moderne jihad is toegeslagen. Mensen van buiten hebben zich gevestigd onder de islamitische bevolking en voeren op gezette tijden zeer gewelddadige acties uit: het vermoorden van kerkgangers, het in brand steken van scholen, het vermoorden van kinderen, het doodschieten van een dominee op een preekstoel.

Confuciaans fundamantlisme

De goden zijn een integraal onderdeel van de wereld. De confuciaanse ethiek is kort maar krachtig: doe een ander niet wat je ook niet wil dat aan jou geschiedt. De confuciaanse fundamentalisten zijn van mening dat hun traditionele bronnen de westerse modernisatie zullen versnellen. De overheid draagt een verantwoordelijkheid voor het economisch welzijn en de familie is de basis van de solidariteit. Wie zo consequent leeft, is gehoorzaam aan de ware leer van Confucius.

Japans fundamentalisme

Het betreft hier voornamelijk de positie van het ultranationalisme, zoals wij dat hebben leren kennen in Japan in de aanloop tot de Tweede Wereldoorlog. Dit ultranationalisme heeft fascistische wortels. Japanners kennen de voorouderverering: de doden worden herdacht en geëerd. Er is een hang naar het verleden. Soms is er sprake van veel syncretisme. In het geloof is er geen plaats voor satan en hel. Het gaat om een eerbiediging van wat de ouderen ons geleerd hebben.  

Het niet-religieuze fundamentalisme

In de wereld is religie nog steeds vanzelfsprekend. Alleen in Noord-Amerika, West-Europa, Australië en Nieuw-Zeeland zal men mensen vinden die zich atheïst noemen. Veel mensen die geen religie hebben, hangen een agnosticisme aan, zij weten niet of God bestaat en trekken geen eindconclusies. De agnost is per definitie niet fundamentalistisch. De atheïst die God volstrekt afwijst, loopt gevaar. De fundamentalistische atheïst komt in dezelfde valkuil terecht als de fundamentalistische gelovige. Zij gaan ervan uit dat zij zoveel met zekerheid weten en op grond daarvan kunnen denken en handelen. In het Oostblok tijden de Koude Oorlog werd godsdienst verworpen. Kerken werden gesloten. Religie was hoogstens een privé-zaak en mocht niet naar buiten worden uitgedragen. Het is opvallend met hoeveel kracht de kerken weer herrezen uit het as na de Koude Oorlog. De religie herstelde zich snel en de kerken liepen weer vol. Het meer filosofisch getinte atheïsme in het Westen is toch indringender gebleken. Het hangt ook samen met een proces van secularisatie. God is niet meer vanzelfsprekend. God hebben wij ook niet nodig om de wereld te verklaren. Bonhoeffer heeft op deze wijze religie kritisch aan de orde gesteld. Volgens hem moeten wij niet opgaan in het transcendente, God is daar waar mensen er voor elkaar zijn. Als wij spreken over God dan gaat het om Jezus die er is voor anderen. Toch kan het atheïsme ook heel onverdraagzaam worden. De gelovige wordt belachelijk gemaakt en niet langer serieus genomen. Religie wordt weggedrukt. Soms wil men een volstrekte scheiding van kerk en staat. Religie wordt geprivatiseerd en vervuld geen rol meer in de publieke ruimte. Er zijn mensen die dat met grote klem beweren en daar ook naar handelen. Zij beginnen zich te verzetten tegen gelovigen die zich organiseren binnen een school, binnen een partij of binnen een organisatie. Merkwaardig is vaak dat atheïsten, die het geloof van christenen en moslims afwijzen, ook uitgaan van een letterlijke interpretatie van de teksten uit heilige boeken. Zij proberen hierin inconsequenties aan te wijzen. Aan gelovige mensen wordt verweten dat zij aanstichters zijn van geweld om religieuze redenen. Opnieuw blijkt dan dat de context waarin religieuze teksten zijn opgenomen niet serieus wordt genomen. De heilige boeken worden dus ten diepste niet serieus genomen. Bijbelteksten worden bakstenen die men naar de ander werpt. Soms kan het atheïsme ook beledigend worden en mensen kwetsen. Religieuze fundamentalisten kunnen hetzelfde doen. Ook zij kunnen kwetsen, uiterst onverdraagzaam zijn en geweld in zetten. Het is dan onbegrijpelijk dat niet-religieuze fundamentalisten hetzelfde kunnen doen. Niet-religieuze fundamentalisten zweren bij het verstand. Het verstand is het tribunaal waar de gelovige voor gedaagd wordt om zich te verantwoorden. Er bestaat minder invoelingsvermogen ten opzichte van religieus belevenen religieuze ervaring. Opvallend is dat ondanks de secularisatie religie toch nog grote invloed heeft in een samenleving. Men is soms verbaasd over de sporen van religie in moderne literatuur. Wanneer men deze sporen van religie onderzoekt, stuit men ook vaak op hele ernstige misverstanden. Bijbelteksten zijn bijvoorbeeld uit hun verband gerukt en krijgen een interpretatie die soms ook nog eens bedacht is door een gelovige. Niet-religieuze fundamentalisten ademen soms ook een gigantische onverdraagzaamheid. Er bestaat nauwelijks meer respect voor de religieuze mens. Na de gebeurtenissen van 11 september moet vooral de islam het ontgelden. De niet-religieuze fundamentalisten proberen de islamitische fundamentalisten in de houdgreep te krijgen. De koran en ook de bijbel worden afgeschilderd als boeken waarin uit naam van God geweld wordt gepredikt. Verzuimd wordt te vermelden dat de teksten in de bijbel en de koran die daarover handelen in een bepaalde context staan. De joden hebben eeuwen lang de confrontatie gekend tussen hun God en alle omringende andere goden van andere volken. Dat was een strijd op leven en dood. In die wereld vereenzelfigde de God zich met een volk. In de koran wordt een strijd op leven en dood uitgevochten ten aanzien van het geloof in de ene waarachtige God. Het is een strijd tegen het Arabische polytheïsme, vele goden, vele geesten. De profeet Mohammed voelde zich geroepen om de belangen van die ene God te verdedigen. Ook in die situatie kan geweld optreden. Toch blijf ik van mening dat jodendom, christendom en islam in hun godsdiensten ook de geweldloosheid kennen. De persoon van Jezus heeft zelfs gezegd: “Vroeger is tegen u gezegd: oog om oog, tand om tand, maar Ik zeg u de vijand lief te hebben, het kwaad met het goede te vergelden.” Ook de profeet Mohammed is terughoudend in het geweld. Het bevel om niet te doden geldt in alle godsdiensten. De communicatie tussen de godsdiensten onderling, tussen de gelovigen en niet-gelovigen is in onze wereld niet optimaal. Wij leven weliswaar in een multiculturele samenleving maar wij kiezen nog niet voor de ontmoeting van de identiteiten. Wij willen nog niet door een ander worden aangesproken, door een ander worden uitgedaagd om ons eigen geloof kritisch te bezien en misschien op bepaalde punten zelfs te corrigeren. Allen willen handhaven wat ze reeds hebben. Moslims kunnen vaak niet begrijpen welke krachten er schuilen achter het materialisme in het Westen, welke krachten de seksuele moraal los doen raken uit een religieus verband. Zij begrijpen niet waarom er zo individualistisch gedacht wordt en de familie niet meer meetelt. Allen kunnen de verleiding niet weerstaan om op een zeker moment te denken dat God aan hun kant staat en dan zijn de rapen gaar. De niet-religieuze fundamentalisten gaan ook uit van een stellige zekerheid: God is een illusie, God bestaat niet. Ook zij kunnen buitengewoon onverdraagzaam en gewelddadig zijn. Want laten we wel wezen, wat de kolonisatoren hebben uitgericht in bijvoorbeeld de Arabische wereld is natuurlijk ongekend: gedenk de doden in Irak, zovelen, zovelen. 

Zoals ik reeds boven heb ik aangegeven, zijn het de agnosten die wellicht meer in de richting komen van Dittrich Bonhoeffer. Zij kunnen het gesprek gaande houden. Laten we naar elkaar blijven luisteren, laten we er vooral voor elkaar willen zijn. Laten we er met elkaar willen zijn voor de wereld. Soms kan het gebeuren dat gelovige en niet-gelovige mensen elkaar raken, elkaar bemoedigen, elkaar steunen. Het kan zelfs zo zijn dat ze geleid worden door dezelfde geest. Dat is een ongekende verrassing. Gods geest is geen persoonlijk bezit dat mensen kunnen claimen. Uiteindelijk is God ontstaan in ons bewustzijn, het is een beslissing in ons brein geweest om in God te geloven, om iemand te erkennen die boven ons uitgaat. Dat betekent dat het geloof buitengewoon subjectief is. Daarom moeten we het ook altijd relativeren.

Ten slotte, er worden in onze tijd allerlei pogingen gedaan om het fundamentalisme te overwinnen. Gemakkelijk is dat niet. De auteur Tariq Ramadan doet in zijn boek ‘Westerse moslims en de toekomst van de islam’ een poging. De eerste les die wij uit de openbaring kunnen trekken, is dat wij niets kunnen zeggen van God wat hij niet van zichzelf gezegd heeft. Dat is een aanzienlijke restrictie. Er valt niet zomaar gemakkelijk te zeggen: God zegt dit of God zegt dat. Wat God van zichzelf gezegd heeft in de openbaring vinden wij terug in de bijbel en de koran en dat vraagt om een buitengewoon zorgvuldige uitleg waarin nooit zekerheid kan worden verschaft. De tweede les van de openbaring luidt dat de mens wordt uitgenodigd tot een diepgaande studie van zijn eigen innerlijk. God zoeken en de behoefte aan hem voelen, kan voortkomen uit de onontkoombare introspectie die van ieder mens vereist wordt. Tariq Ramadan zegt ook dat de koran het woord van God is dat geopenbaard is over een periode van 23 jaar geopenbaarde woord. Het is een tekst die op een gegeven moment in de geschiedenis is geopenbaard onder bepaalde omstandigheden en die aanvankelijk bedoeld was voor degene die het geloof droegen. Het moet benadrukt worden dat de openbaring van een boek of een tekst geen enkele zin zou hebben als er niet vanuit wordt gegaan dat er intellect, menselijk verstand, is, dat de betekenis ervan kan begrijpen. Er wordt nog geen tekst geopenbaard die zonder menselijk verstand is te lezen en te duiden. Daar moet wel aan worden toegevoegd dat het noodzakelijk beroep op de reden niet afdoende is. Wij moeten het boek lezen met het besef van de behoefte aan hem waarover de auteur reeds eerder sprak. De dialoog tussen de godsdiensten onderling, tussen gelovige en ongelovige moet altijd uitgaan van vertrouwen en respect. Altijd weer geldt de erkenning van de legitimiteit van de overtuiging van de ander, gepaard gaande met het respect voor hem. Luisteren naar wat een ieder zegt van zijn heilige schrift en niet naar wat wij ervan begrijpen of willen begrijpen. Daarom is het recht juist in de naam van het vertrouwend respect alle mogelijke vragen te stellen ook de lastigste, omdat het onze bedoeling is tot begrip te komen. Ten vierde, zelfkritiek uitoefenen. Hierin gelegen is onderscheid te maken tussen wat de teksten zeggen, wat onze geloofsgenoten daarvan maken en duidelijk onze persoonlijke positie kenbaar te maken. De thora of de bijbel lezen is voor een moslim ongetwijfeld nuttig evenals de koran lezen dat is voor een jood of een christen of de bhagavadgita voor alle drie. Zo kunnen zij proberen de overtuiging van de ander te begrijpen, maar het lezen moet een meditatie op gang zetten en vragen doen opborrelen. Het mag geen middel tot een simplificerende interpretatie zijn die vergezeld gaat van een beschuldiging. Met al deze opmerkingen geeft Tariq Ramadan aan hoe een dialoog, een gesprek zou kunnen verlopen. Dat behoedt ons voor de valkuil van fundamentalisme. Mensen leven allen in dezelfde werkelijkheid, onder dezelfde zon, maan en sterren. Zij hebben veel gemeenschappelijke ervaringen van verdriet en vreugde. Zij stellen ook allemaal hun vragen: waarom, waartoe, waarheen. Er wordt in de geschiedenis een veelheid aan antwoorden gegeven. Religie wortelt in de conclusie dat God de grond van het bestaan kan zijn, zoals een wit papier een tekening draagt, zo draagt God de werkelijkheid. Maar dat is een interpretatieve keuze van een gelovig mens. Er zijn ook mensen die tot een andere conclusie komen. Dat vraagt om gesprek, begrip, debat, ontmoeting, confrontatie etc. De God in wie mensen geloven, behoort universeel te zijn. Het gaat toch om de God van alle mensen, niet alleen over mijn God of de God van mijn groep. Ik moet beseffen dat ik weliswaar in God geloof en in hem en door  en uit hem kan zijn, maar dat ik nooit zelf God zal zijn of dat ik mij kan identificeren met Gods zaak, zodat ik exact weet wat God wil met mij en de ander. Er is altijd relativiteit. Er is altijd de behoefte om naar die ander te luisteren en met de ander op weg te gaan. Natuurlijk kunnen er momenten zijn dat er keuzes gemaakt moeten worden. Dan kunnen mensen uit elkaar spatten. Dat kan soms heel dramatisch verlopen. Fundamentalisme betekent dat je het allemaal zeker weet. Dat je ervan uitgaat dat het gelijk aan jouw kant is. Dat jij de juiste teksten hebt geciteerd en aangehaald. Dat jij de ander te lijf mag gaan, omdat hij er niks van begrijpt. Meestal is dat een ernstig misverstand.

Ik besef dat er soms gruwelijk momenten zijn in de godsdienstgeschiedenis. Elia ijvert voor God, de enige God. Hij constateert dat de koningen van zijn tijd onderuit gehaald worden door de goden van naburige volkeren. Hij ziet het geloof wegzakken. Hij behoort nog tot de weinige gelovigen. Hij strijdt een gevecht op leven en dood voor zijn God. Hij doodt honderden Baalpriesters. Dan is zijn leven niet veilig meer. Hij vlucht weg en komt terecht op de berg Sinaï. Daar maakt hij van alles mee: orkanen, aardbevingen, bij uitstek de natuurverschijnselen waarin goden zich manifesteren. Maar die ene God voor wie hij altijd ijverde, was er niet. Toen viel er een ijzige stilte en voelde Eila de intuïtie God is er. Daarmee rechtvaardig ik niet de doden. Ik probeer te begrijpen wat zijn ijver was, want wie kiest voor God zal ook consequenties aanvaarden in zijn leven.Laten we wel wezen, de fundamentalist kan in ieder mens opstaan. Ikzelf kan ook een fundamentalist zijn. Veel is nagedacht over de holocaust. Wat gebeurde daar in de Duitse ziel die tot zoveel vernietiging kwam. Daar was sprake van een verabsolutering van het eigen systeem waarin geen plek meer over was voor joden. Zij moesten er uit. Dat is fundamentalisme op zijn dieptepunt.  
Waarheid heeft iets heel aantrekkelijks. Waarheid kan het leven zuiver houden. Waarheid kan ons handelen waarachtiger maken. Waarheid kan een licht zijn. Waarheid kan warmte geven. Maar waarheid kan ook vernietigend worden als ik de waarheid grijp, mijzelf toeeigen en vervolgens te keer ga tegen anderen. De waarheid verschrompelt. De fundamentalist die meent te winnen, sterft. 

Hans Visser, november 2005

 

De ambivalente dominantie van het orgel in de kerkdienst

De ambivalente dominantie van het orgel in de kerkdienst

De ambivalente dominantie van het orgel in de kerkdienst

Laat er volstrekte duidelijkheid bestaan: tegen het orgel als muziekinstrument bestaat geen enkel bezwaar. Mijn bezwaar richt zich tegen de dominante positie van het orgel in de kerkdienst. De geschiedenis van het orgel is op zichzelf reeds veelzeggend. Voor de jaartelling kennen wij het waterorgel, dat zich na de jaartelling ontwikkelt tot het windorgel. Ik denk dat de eerste echte orgels er zo ongeveer in de 9e eeuw zijn. In de 14e eeuw doet het orgel haar intrede als muziekinstrument in de kerkdienst. Het orgel ontwikkelt zich steeds verder. Omstreeks 1500 zijn er vele nieuwe registers. In de geschiedenis van het orgel speelt Bach natuurlijk een belangrijke rol, en zeker niet de geringste. Zijn verdienste zijn onmiskenbaar. In de 20ste eeuw wordt het orgel gebouwd volgens de industriële normen. In 1918 bespeelt Mobach zijn eerste orgel. Het is een boeiende geschiedenis, maar daaruit blijkt reeds direct dat het orgel vanaf den beginne niet vanzelfsprekend is.

Laten wij eens even kort de muziekgeschiedenis doornemen. Muziek is vanaf den beginne populair geweest onder mensen. Gaan we na hoe de situatie was in het Nabije Oosten, dan kunnen we zien dat er reeds vroeg sprake is van muziek. Cadans is hoofdzaak. Muziek speelt vaak een rol bij profetische extases. De oudste muziek die wij kennen is de Sumerische muziek. De Sumeriërs gebruikten lange rieten fluiten, wat kortere pijpen (hobo’s), harpen, trommels, de zogenaamde sistra’s (ratels) en uiteraard de hoorns van dieren. Wat betreft de Israëlitische muziek worden we natuurlijk geconfronteerd met het gebrek aan afbeeldingen, die eigenlijk niet overeenkomstig de wet waren, maar we weten nu zeker dat de Israëlieten de lier en de trompet kenden, de harp en de fluit. Zij zongen liederen – denk bijvoorbeeld aan het lied van Deborah. Waarschijnlijk zal de tempelmuziek na-exilisch zijn, hoewel er toch vaak een terugprojecteren plaatsvindt van muziek na de ballingschap tot David, en het is niet uitgesloten dat David muzikaler was dan wij mogen veronderstellen. De inwijding van de tempel vond plaats met muziekinstrumenten. We ontmoeten in het boek Habakuk ook muziekinstrumenten, dus zij spelen toch een belangrijke rol in de geschiedenis van Israël. We onderscheiden dan ook de tempelmuziek na de ballingschap. Deze kent de trompet, de cimbaal, over en weer vinden beurtzangen plaats, de fluit, de bazuin, de zogenaamde lofar was een ramshoorn die later ook in de synagoge werd gebruikt en nog gebruikt wordt, de kinor, de lier of de harp, de nebel, de tamboerijn, de trommel. De Israëlitische muziek, tot uitdrukking komend in de tempelmuziek, was dus rijk gevarieerd; veel instrumenten, veel klanken.

Wat betreft het Nieuwe Testament kunnen wij vaststellen dat fluitmuziek alom bekend was, zoals wij lezen in de evangeliën: “Wij hebben voor u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst” (Matthéüs 11:17). Jezus nam ook deel aan de lofzangen. Paulus’ positie ten aanzien van het hele muzikale gebeuren is niet helemaal bekend. In I Corinthiërs 14:7 “Hoe toch zal men zelfs bij onbezielde dingen, die geluid geven, fluit of citer, als zij geen verschil in toon doen horen, weten wat op de fluit of de citer gespeeld wordt? Immers, indien de bazuin een onduidelijk geluid geeft, wie zal zich gereed maken tot den strijd?”

Muziek acht ik van belang voor de kerkdienst. Muziek kan betekenis hebben voor mij door wat zij in mij oproept en met mij doet. Muziek kan de taal van het hart worden. Het geluid van muziek is een beweeglijk proces in ruimte en tijd. Muziek is een taal die wij spreken en verstaan, maar die we niet kunnen vertalen. Muziek en stilte horen bijeen. De stilte in een kerkdienst zal de muziek mogelijk maken. Er is ook altijd een slingerbeweging tussen geluid en stilte. “Music is inscribed between noise and silence.” Kenners zullen weten dat er identiteitscriteria zijn voor muziek: wat maakt de muziek tot wat het is?

Interessant is om na te gaan hoe bij Pythagoras de muziek wordt verstaan op de wijze waarop getallen bestaan. De hemellichamen bewegen in een wiskundige verhouding en brengen onhoorbare hemelse muziek voort, en de aardse muziek is een afspiegeling van de hemelse muziek. Zo is het allemaal eens begonnen. Laten we wel wezen, we zullen nooit weten wat muziek werkelijk is als we geen rekening houden met de functie die muziek in het dagelijks leven heeft. De Franse filosoof Derrida heeft altijd gesproken over het kader dat muziek heeft. Hij bedoelde de grens tussen muziek en niet-muziek. Ook dat is heel interessant. Er zit in een kerkdienst ook een niet-muziekgehalte, naast de stilte. Het Woord is van groot belang. Paulus was daarvan reeds een schoon voorbeeld. Zoals ik reeds eerder zei, is de stilte een mogelijkheidsvoorwaarde voor muziek. De stilte kan overgaan in muziek.

Het orgel is een van de vele instrumenten. Ik heb nooit begrepen waarom het nou niet mogelijk is om een kerkdienst te vieren met alle instrumenten: fluiten, cimbalen, harpen, trompetten, trommels. Dat zou de kerkdienst verlevendigen. Dat zou mensen trekken. Ik hou van klassieke muziek, maar ook van popmuziek. Maak er een rijke variatie van. Laat niet altijd dat orgel zo dominant aanwezig zijn. Het orgel behoeft niet te verdwijnen uit de kerk. Het mag er zijn, maar het hoeft niet. In de Pauluskerk hebben we in het begin nog geprobeerd om een muzikale groep te maken, een klein orkestje. Dat is mislukt. Jammer, maar wat niet is kan nog komen.

Hans Visser juni 2007

Een hulpzoeker is nog geen hulpvrager

Een hulpzoeker is nog geen hulpvrager

notitie over de hulpverlening in de Pauluskerk

In deze notitie wil ik proberen om alle soorten van hulpverlening in de Pauluskerk onder een gemeenschappelijke noemer te brengen. Tot op heden hebben we vaak allerlei vormen van hulpverlening onderscheiden. Ik wil nu komen tot een meer uniforme benadering, waarin voldoende plaats is voor een eigen invulling door iedereen die daarbij betrokken is. Uniform betekent natuurlijk nooit kant en klaar. Het gaat nu echter om een visie op hulpverlening waarin allen elkaar zouden kunnen vinden. Globaal gezien kunnen we zeggen dat in de Pauluskerk de volgende groepen zich met hulpverlening bezighouden: de maatschappelijke dienstverlening/ diaconale hulpverlening, de medische hulpverlening, de kosterij, de vrijwillige medewerkers, allen die werkzaam zijn in de pastorale sector van de kerk en bovendien ook alle bezoekers zelf, die elkaar van dienst kunnen zijn en elkaar hulp verlenen. Al deze groepen zijn in de Pauluskerk niet voldoende met elkaar in gesprek. Er bestaat zelfs wel eens een zachte concurrentie, waarin sommigen menen het beter te doen dan anderen. Zo kom je in de Pauluskerk officiële hulpverlening tegen, maar ook officieuze. Er is soms legale hulpverlening, maar vaak ook illegale. Onder legaal wordt dan verstaan: in overeenstemming met geldende regels. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Iemand die zich geroepen voelt om hulp te verlenen doet dat toch vaak. Daarom is het goed om eens aandacht te schenken aan wat nu eigenlijk in hulpverlening plaats vindt.

Hulpverlening betekent dat je je blootstelt aan datgene wat de ander – dat kan een bezoeker zijn in de Pauluskerk , jou aandoet. Dat aandoen kan positief zijn, negatief of ook neutraal. De hulpverlener is bereid zich te dompelen in de wereld van de ander. De hulpverlener laat zich niet leiden door zijn eigen vooronderstellingen en vooroordelen. Hij probeert bij wijze van spreken te emigreren naar de wereld van de ander om die ander zo goed mogelijk te kunnen verstaan. Dat betekent niet dat de hulpverlener alles wat de ander doet moet goedkeuren, moet beamen. Nee, het gaat om het verstaan van de ander. De hulpverlener moet derhalve terughoudend zijn in het interpreteren van de situatie van de ander op grond van zijn eigen ervaringen, op grond van zijn eigen kennis, opleiding of alles wat hij gelezen heeft in mooie boeken. Het gaat er misschien wel om dat je probeert meer geïnteresseerd te raken in de mens dan in de druggebruiker, de crimineel of de gestoorde. Het is helemaal niet kwaad als je eens een keer bedrogen wordt door iemand. Je kunt beter bedrogen worden dan vervreemd raken van de ander op basis van jouw eigen vooroordelen. Juist in de Pauluskerk, waar wij veel geconfronteerd worden met bezoekers die leven in een gecriminaliseerde wereld, zullen wij ons juist in het kwade, in het kapotte, in het gestoorde en het zieke moeten verbinden met de ander. Dat is, naar ik denk, de beste hulpverlening, de ander zoveel mogelijk nabij zijn.

Hulpverlening is altijd een langdurig proces. In dit proces is het aanvankelijk geboden om uit te gaan van een non-problem-solving-attitude. Het kan zijn dat het noodzakelijk is om langdurig in deze houding te volharden totdat, in het beraad met de ander, zich een uitweg voordoet, die zou kunnen leiden tot een gedeeltelijke of volledige oplossing van het probleem. Hulpverlening betekent dat je door de bril van de ander naar de wereld kijkt en niet alleen door je eigen bril. Hoe ziet de wereld van de drugsgebruiker, de gestoorde, de crimineel er uit vanuit het perspectief van de ander? De hulpverlener die zo te werk gaat, is bereid om ook geraakt te worden door de pijn, de schuld, de schaamte van de ander. De hulpverlener zal daarvan niet geheel ondersteboven raken. Hij probeert zich, op basis van eigen veerkracht en visie op het leven, overeind te houden. Hij kan verdrietig zijn over de donkere zijde van iemand, maar hij kan zich ook verblijden over de vreugdevolle kanten van het leven van de ander. Humor is nooit uitgesloten. Een mens moet blijven lachen, ook als het donker wordt in het leven.

In de Pauluskerk werken wij met mensen van diverse komaf. Zeer merkwaardig is dat uit kringen van de professionele werkers, de betaalde krachten, en uit de kring van de vrijwillige krachten, betrekkelijk weinig mensen participeren in het kerkelijk circuit van de Pauluskerk, waar een stukje spiritualiteit wordt beleefd. Dat komt omdat mensen tot andere kerkgenootschappen behoren of niet of anders gelovig zijn. In het kerkelijk circuit ontmoeten wij eigenlijk het merendeel van de bezoekers, die naar mijn stellige overtuiging op hun manier hulpverlenen. Toch is bezinning op de eigen spiritualiteit altijd noodzakelijk. Dat bepaalt je grondhouding. Het is goed als alle hulpverleners in de kerk het eens kunnen zijn over bepaalde universele grondwaarden, zoals respect hebben voor de ander, niet berusten in armoede, rechtvaardig handelen, geen wraak nemen, extra omzien naar verdrukten, niet geloven in het recht van de sterkste, de slimste en gezondste, maar ruimte geven voor compassie en solidariteit. Het geloof van de Pauluskerk is gebaseerd op de joods-christelijke traditie, waarin het gaat om een barmhartige God. God is barmhartig zoals een moeder, die omziet naar haar jonge kind. God biedt bescherming, protectie. God zoekt het verlorene, het afgewezene. Hij doet mensen opstaan uit schuld en dood. Zijn genade is zomaar om niet. Vooral die gratuite spiritualiteit is voor de door ons geschetste hulpverlening zo noodzakelijk. Dat betekent dat we geen verborgen agenda’s hebben of geheime verwachtingen. Dat bewaart ons ook voor manipulaties in de hulpverlening, waardoor we proberen mensen daar te krijgen waar wij ze willen hebben, omdat we denken dat dat goed voor hen is. Wie zich hecht aan de ander, zal soms ook wel eens God kwijt raken in het leven. God beluistert niet alle gebeden en soms is God zoek, wat niet wil zeggen dat God in het verborgene afwezig is, maar wij weten dat nooit zeker.

In de hulpverlening zijn nu twee wegen mogelijk. De eerste weg duiden wij aan met het woord ‘maken’. Dat wil zeggen dat de hulpverlener in het beraad met de bezoeker bepaalt wat de doelen zijn. De hulpverlener bepaalt ook de duur en de aard van de relatie die hij of zij onderhoudt. En de hulpverlener mikt op wat er uit moet komen. De tweede weg duiden we aan met het woord ‘laten’. Nu is het zo dat de ander bepaalt wat het doel wordt. De ander maakt uit wat de duur en aard van de relatie zullen zijn met de hulpverlener. De ander maakt duidelijk wat de uitkomst moet zijn. Maken en laten kunnen natuurlijk in het beraad tussen een hulpverlener en een hulpzoeker/hulpvrager samengaan. Men dient wel altijd goed te onthouden dat niet iedere hulpvrager een hulpzoeker is. Een hulpzoeker wordt in de hulpverlening vaak gebombardeerd tot hulpvrager. Er wordt al direct aangevangen met een intakegesprek zodat de hulpzoeker zich bespioneerd voelt als door het slot van een deur. Globaal gezien zou je kunnen zeggen dat de hulpverlener die zich meer wil hechten aan de persoon die hij of zij ontmoet, meer zal kiezen voor de weg van het ‘laten’, en de hulpverlener die zich wil oefenen in de zelfredzaamheid, wellicht in het beraad zal kiezen voor het ‘maken’.

De meeste bezoekers van de Pauluskerk verkeren aan de zelfkant van de samenleving. Ze zijn door de bank genomen economisch arm, sociaal arm en cultureel arm. Armoede is een rekbaar begrip. Economische armen tobben vaak met een te laag of een te onregelmatig inkomen. Niet vergeten moet worden dat veel arme mensen lijden onder het onvermogen om met besteedbaar geld om te gaan. Armen worden vaak uitgesloten. Ze worden naar de marge verdrongen. Kinderen van arme mensen doen het vaak niet geweldig goed op school. Vaak is de woonomgeving niet zo geweldig of uitgesproken beroerd. Soms is er een te hoge huurprijs, een onveilige buurt, waar de leuke mensen soms wegtrekken. Veel arme mensen hebben geen inzicht in allerlei voorzieningen en regels. Zij begrijpen de ambtelijke taal niet en voelen zich vaak van het kastje naar de muur gestuurd. Ook in de kringen van arme mensen schiet verslaving vaak wortel: verslaving aan medicamenten, verslaving aan drank, verslaving aan drugs. Arme mensen zijn vaker ziek en gaan eerder dood. Ze kunnen ook emotioneel instabiel zijn. Ze voelen vaak dat ze met wantrouwen worden bejegend. Ze worden eindeloos gecontroleerd in onze samenleving. Men ondervindt weinig respect. Over het algemeen zullen velen van onze bezoekers zich sociaal overbodig voelen in onze samenleving. Eigenlijk tellen zij niet mee. De bezoekers van de Pauluskerk lijden vaak onder een psychische gestoordheid, een psychische handicap, een verslaving, armoede, schulden, dreigende straffen, etc.

Ik denk dat de hulpverlener zal moeten ontdekken dat de gemiddelde bezoeker van de Pauluskerk uiteindelijk lijdt onder een diepe eenzaamheid die resulteert uit zijn lijden aan verslaving, schulden, afwijzing etc. De hulpverlener zal zich betrokken voelen bij de ander. Die betrokkenheid zal moeten worden vertaald in beleid, en juist in deze vertaling gaat er vaak veel mis want we kunnen waarnemen in onze samenleving dat maatschappelijke uitsluiting soms gepaard gaat met een bureaucratisch bemiddelde insluiting door hulpverleners. De gemiddelde bezoeker van de Pauluskerk maakt in onze samenleving natuurlijk kennis met nog meerdere soorten hulpverlening buiten de kerk: de verslavingszorg, de sociale dienst, het maatschappelijk werk, de reclassering, etc. etc. In de praktijk zien we dat de bureaucratisch bemiddelde insluiting leidt tot een vergaande administratie. Er is behoefte om alle mensen op te slaan in computers. Mensen moeten gevolgd worden. Er moet nauw overleg zijn met andere instellingen. Er dient toezicht te zijn. Er moet vooral controle worden uitgeoefend. Mensen mogen vooral niet shoppen. Mensen raken daardoor natuurlijk geïsoleerd. Ze worden vaak ook letterlijk opgeborgen in de dossiers. In de bureaucratisch bemiddelde hulpverlening, die overwegend sociaal-technisch van aard is, speelt het productdenken een belangrijke rol. Het productdenken wordt aangewakkerd door de markt. Geld moet goed worden besteed. Zoveel geld voor de verslavingszorg moet leiden tot het product van zoveel mensen die afkicken en geen overlast meer geven. Het leidt ook tot aangescherpte intake-voorwaarden. Instellingen kunnen ook onbuigzame regels hanteren, waardoor mensen weer worden uitgesloten. Soms zie je dat onze bezoekers een barre woestijntocht moeten maken door de talloze instituties van onze stad. Ze worden gelabeld, geanalyseerd, onderzocht. Maar al die hulpverleners elders in de stad en in de kerk, dat waren toch allemaal mensen die zich betrokken voelden bij hun klanten, bij hun mensen? Kennelijk is de vertaalslag in beleid niet gelukt. Ook in de Pauluskerk moeten wij ons ernstig afvragen of bij ons die vertaalslag altijd lukt.

Het gevaar dat elke hulpverlener loopt, is dat hij een zogenaamde deskundige wordt die het levensverhaal van de ander beter gaat begrijpen dan de betrokkene zelf. Onze interpretatie van het levensverhaal van de ander is eigenlijk niet langer het verhaal van de persoon die wij ontmoeten. Het is ons verhaal geworden. Eigenlijk wordt het verhaal van de ander onteigend. De hulpzoeker zoekt een slaapplaats, hij wacht niet op een ingewikkelde intake om te gaan vertellen wie hij precies is en wat zijn problemen zijn. Een hulpvrager kan vragen of hij geassisteerd kan worden bij zijn geldbeheer omdat hij daar zelf niet in slaagt. Hij wordt steeds geconfronteerd met zijn onvermogen om met geld om te gaan. Het geld gaat op aan drugs en drank. De hulpverlener moet zich steeds herinneren dat mensen zich moeten laten zien zoals ze echt zijn. Laten zij de ander erkennen als mens. Laten we hem of haar een bestaan geven voor onze ogen. Laten we mensen helpen om hun eigen identiteit te zoeken, te ontdekken wie zij eigenlijk zijn en wat het unieke van henzelf is. Zodat ze misschien opbloeien en opknappen en meer zelfvertrouwen krijgen.

Het negatieve van hulpverlening is vaak dat de hulpzoeker/hulpvrager in het beraad met de hulpvrager de regie gaat verliezen over het proces waarin die hulpverlening plaatsvindt. Daarom hecht ik meer aan het normatieve karakter van hulpverlening dan aan de sociaal-technische kant. Laten we eerlijk zijn: een aantal problemen is onoplosbaar. Laten we dat erkennen en eerlijk voor uitkomen. Hulpverleners moeten geen troost bieden waarin bij wijze van spreken een verdwijntruc wordt toegepast ten aanzien van de oorzaken van het lijden. Het zal er veel meer om gaan om in het beraad met de ander zover te komen dat er een dragelijke houding kan worden ontwikkeld ten opzichte van het lijden dat de mens treft. Soms kan hulpverlening steun bieden om het net uit te houden, om het hoofd boven water te houden. De hulpverlener moet grondig begrijpen dat de behoefte van de ander het aanbod bepaalt. De werkelijkheid is nog wel eens zo dat ons aanbod de behoefte van de hulpvrager en de hulpzoekende bepaalt. Juist het normatieve karakter van de hulpverlening laat ons meer en meer geïnteresseerd zijn in de medemens die wij ontmoeten in de ander, die wij nabij willen zijn en waaraan we ons willen hechten. Met hem of haar willen wij zin zoeken in het leven. We stellen ons de vragen waarom en waartoe zijn we hier? We proberen mensen tot hun recht te laten komen, zodat ze ook zichzelf mogen zijn. We stuiten in de hulpverlening natuurlijk op raadselachtige momenten bij de ander. We kunnen die niet wegmoffelen. We zullen daar aansluiting bij moeten zoeken. Ik gebruik in deze notitie dan ook het woord beraad. Hulpverlening is het beraad dat een hulpverlener en een hulpzoeker/hulpvrager aangaan. In dat beraad participeren beiden. Dat is ook het aantrekkelijke van sociocratie. Er wordt niet over degene die hulp vraagt en zoekt heengewalst. Wij proberen met elkaar uit te vinden wat de beste weg is. Daarbij hebben we dus lak aan het zogenaamde productdenken. We hechten geen waarde meer aan productiviteit, want wie zich hecht aan de ander, weet dat de ander de agenda bepaalt, de tijd bepaalt. Tijd moet betekenis krijgen door de manier waarop hulpverlener, hulpvrager en hulpzoeker met elkaar omgaan. Ik heb de filosofie van de Pauluskerk altijd kort samengevat door te zeggen: “ De persoon Jezus kwam van God in de wereld om de gesjochte mens te zoeken en te vinden.” De kerk is het lichaam van deze Jezus in de wereld. Daarom moet van een kerk verlangd worden dat ze open staat voor de gesjochte mensen in de samenleving. Opdat ze zich thuis mogen voelen, opdat ze het gevoel hebben dat er naar hen geluisterd wordt, opdat ze het gevoel hebben dat ze weer op eigen benen mogen staan.

In het licht van het bovenstaande zouden alle groepen van mensen die zich bezighouden met hulpverlening elkaar ook mogen bevragen. Soms merk ik wel eens dat vragen irritaties oproepen. Natuurlijk zijn er talloze bezoekers die kritiek hebben op de hulpverlening van de Pauluskerk. Ik kan niet beoordelen of die kritiek terecht is of niet. Maar wordt die kritiek ook gehoord? Ik beluister bij de kosterij/bewaking vragen ten aanzien van hulpverlening. Zij begrijpen sommige beslissingen niet, maar worden geconfronteerd met negatieve gevolgen waarvoor zij weer moeten opdraaien. De diaconale, de pastorale en de maatschappelijke dienstverleners in de kerk wekken wel eens de indruk zich niet helemaal begrepen te voelen. En tussen de bedrijven door gaan vrijwilligers vaak hun eigen gang. Daarom zou het, dacht ik, misschien wel goed zijn als we het met elkaar in alle geledingen op alle fronten eens kunnen worden waar het nou precies om gaat in die hulpverlening. In de jaren tachtig heb ik het hulpverleningsmodel van de Pauluskerk wel eens omschreven als het ggd-model: de g van ga op weg, de g van geef vertrouwen en de d van doe wat in je vermogen ligt. Het is een simpele redenering maar het voert dicht tot de waarheid ten aanzien van hulpverlening die ik in deze notitie tracht te benaderen.

Hans Visser,26 september 2001

Voor het maken van deze notitie is o.m. dankbaar gebruik gemaakt van band 1 en 2 van prof. Andries Baart over een “Theorie van de presentie”, uitg. Lemma b.v. Utrecht, 2001.